Provinciale heffingen

Inleiding

Terug naar navigatie - Inleiding

Eén van de inkomstenbronnen van de provincie betreft de provinciale heffingen. Deze bestaan uit:
• de heffing opcenten op de motorrijtuigenbelasting;
• de Grondwaterheffing;
• de Nazorgheffing in het kader van de Leemtewet;
• diverse leges.

De provincie kent geen kwijtscheldingsbeleid voor provinciale heffingen.

Heffing opcenten motorrijtuigenbelasting

Terug naar navigatie - Heffing opcenten motorrijtuigenbelasting

De opbrengst uit de opcenten motorrijtuigenbelasting vormt de belangrijkste bron van inkomsten voor de provincie. Op grond van artikel 222 van de Provinciewet worden provinciale opcenten geheven. De opbrengst wordt tot de algemene dekkingsmiddelen gerekend. Dit betekent dat aan de besteding geen voorwaarden zijn verbonden.

De raming en de realisatie van de opcenten wordt bepaald door de uitkomst van het aantal personenauto’s en motoren maal het tarief. Het tarief is een percentage waarmee de hoofdsom van de motorrijtuigenbelasting –die van rijkswege wordt geheven op personenauto’s en motoren – wordt vermeerderd. De meeropbrengst die dit oplevert is voor de provincie.
Naast het tarief hebben mutaties in het wagenpark effect op de totale opbrengst van de opcenten. De mutaties zijn te onderscheiden in volume-effect, gewichtseffect en effect van de milieubelasting van de auto.

Door het Rijk wordt elk jaar het maximumniveau van de opcentenheffing vastgesteld. De provincie bepaalt zelf in hoeverre zij de vrije capaciteit (verschil wettelijk maximum -/- provinciaal opcententarief) wil benutten. De datum waarop provincies hun opcenten kunnen wijzigen is met ingang van 1 januari van enig jaar.

De MRB-raming is in de begroting 2020 vastgesteld op € 266 mln. De uiteindelijke jaaropbrengst bedraagt € 266,6 mln wat een voordelig resultaat inhoudt van 0,2%. Deze afwijking heeft te maken met een stijging van de belastingcapaciteit in het tweede half jaar.
Eind 2020 stonden in Noord-Brabant ca. 1.439.000 (eind 2019 1.417.000) personenauto’s geregistreerd en ca. 116.400 (eind 2019 113.200) motoren. Er is sprake geweest van een lichte autonome groei van het wagenpark.

Provinciale lastendruk m.b.t. opcenten motorrijtuigenbelasting
Het door het Rijk vastgestelde maximale opcententarief is per 1 januari 2020 wettelijk bepaald op 115,2 opcenten en wordt jaarlijks geïndexeerd.
In de heffingsverordening opcenten Motorrijtuigenbelasting is voor 2020 het tarief vastgesteld op 78 opcenten (PS 54/19).

In onderstaande tabel is een vergelijking opgenomen van de vastgestelde opcententarieven van alle provincies.

 

    Vastgestelde tarief per 1 jan 2020 Percentage onbenutte belastingcapaciteit
1 Drenthe 92,0 20,0%
2 Groningen 91,8 20,2%
3 Zuid-Holland 90,4 21,4%
4 Zeeland 89,1 22,5%
5 Gelderland 87,2 24,2%
6 Friesland 87,0 24,3%
7 Flevoland 80,6 29,9%
8 Overijssel 79,9 30,5%
9 Noord-Brabant 78,0 32,2%
10 Limburg 77,9 32,3%
11 Utrecht 73,6 36,0%
12 Noord-Holland 67,9 41,0%
       
  Gemiddeld tarief 83,0  
  Maximaal tarief 115,0  

 

In de rangorde van opcentenheffing van hoog naar laag komt de provincie Noord-
Brabant uit op een 9e plaats. In 2020 is de lastendruk m.b.t. de opcenten op de motorrijtuigenbelasting in relatieve zin onder het landelijk gemiddelde gebleven.


Onbenutte belastingcapaciteit

De onbenutte belastingcapaciteit is het verschil tussen de theoretische opbrengst op basis van het wettelijk vastgestelde maximumtarief en de opbrengst gebaseerd op het tarief van de provincie.
De onbenutte belastingcapaciteit bedraagt rekening houdend met het maximale tarief van 115 opcenten voor het jaar 2020 ca € 132,8 miljoen.

Er is een relatie tussen de opcentenheffing (omvang wagenpark in aantallen en gewicht) en de algemene uitkering uit het Provinciefonds. In het verdeelmodel van het fonds telt de belastingcapaciteit (tegen een algemeen rekentarief) mee als een (negatieve) inkomstenmaatstaf. Anders gezegd: een relatief grotere belastingcapaciteit (zoals in Noord-Brabant) leidt tot een naar verhouding lagere provinciefondsuitkering.

Grondwaterheffing

Terug naar navigatie - Grondwaterheffing

 De grondwaterheffing wordt geheven over de hoeveelheid onttrokken grondwater. De bestedingsmogelijkheden van de heffing zijn limitatief in de Grondwaterwet opgenomen, namelijk kosten van onderzoek, metingen en schadevergoedingen in verband met de onttrekking van grondwater. De financiële verantwoording verloopt via de voorziening grondwaterheffing. Voor 2020 komen de inkomsten grondwaterheffing uit op € 4,1 miljoen.
De heffing vindt plaats op grond van de Grondwaterheffingsverordening die voor het laatst is gewijzigd op 9 december 2011 (PS 44/11). De baten uit de grondwaterheffing zijn in de begroting 2020 opgenomen bij programma 3 Water en bodem.

Nazorgheffing

Terug naar navigatie - Nazorgheffing

Op grond van de Wet milieubeheer is de provincie verantwoordelijk voor de nazorg van alle stortplaatsen waar na de peildatum 1 september 1996 nog afval is/wordt gestort. Om het eeuwigdurend milieu hygiënisch beheer door de Provincie van deze stortplaatsen te verzekeren is, conform de wettelijke regeling, een Nazorgfonds (een aparte rechtspersoon) ingesteld.
De exploitant van een stortplaats die onder deze wettelijke regeling valt, moet een nazorgplan opstellen en dat voorleggen aan de provincie. Op basis van het nazorgplan wordt een doelvermogen bepaald. Om het doelvermogen op te bouwen wordt aan de stortplaatsbeheerder een heffing opgelegd die in het fonds wordt gestort. Hiermee is in april 2000 een start gemaakt.
De heffing vindt plaats op grond van de vastgestelde verordening Nazorgheffing Noord-Brabant die door Provinciale Staten voor het laatst is gewijzigd op 25 februari 2011 (Statenvoorstel 86/11).
Op grond van de Wet milieubeheer is de opbrengst van de nazorgheffing uitsluitend bestemd voor de uitvoering van de nazorg van gesloten stortplaatsen.
De provincie fungeert als ontvanger voor het Nazorgfonds. De gelden worden belegd in externe fondsen, conform het door het Algemeen bestuur van het Nazorgfonds vastgestelde beleggingsstatuut. De beleggingsresultaten worden tot aan het moment van feitelijke sluiting van de stortplaats verrekend met de door de exploitanten te betalen heffingen. Het Nazorgfonds heeft een eigen begroting en jaarrekening die door het Algemeen bestuur van het fonds worden vastgesteld.
Op dit moment zijn er in Brabant negen stortplaatsen, waarvan één baggerspeciedepot, waarop de wettelijke regeling van toepassing is:
1. De Kragge, Bergen op Zoom
2. Gulbergen, Nuenen
3. Spinder, Tilburg
4. Meerendonk, ‘s-Hertogenbosch
5. Zevenbergen
6. Haps
7. Vlagheide, Schijndel
8. Nyrstar, Budel
9. Baggerdepot Dintelsas

In 2014 is een definitieve afrekening gemaakt voor de stortplaatsen Nyrstar en Dintelsas. Deze zijn toen gesloten. De provincie voert daar de nazorg uit en draagt ook het financieel risico. Voor wat betreft de overige, nog niet gesloten, stortplaatsen zijn de nazorgheffingen gestort in het Nazorgfonds en is er voldoende zekerstelling aanwezig. Bij sluiting zal op basis van een definitief nazorgplan een definitieve afrekening worden opgemaakt.
Provinciale Staten zijn op 11 juni 2019 geïnformeerd over de uitvoering van de Asset Liability Management (ALM) studie Nazorgfonds voor de stortplaatsen in de Provincie Noord-Brabant. Omdat er mogelijk kansrijke opties zijn die de kosten van de nazorg in de toekomst zouden kunnen beperken, hebben de provincie en de vergunninghouders een overeenkomst gesloten om hier de komende vier jaren, in aanloop naar de nieuwe ALM studie, diepgaand onderzoek naar te doen. Onderdeel van deze overeenkomst is dat, zo lang het onderzoek loopt, de vergunninghouders de stortplaatsen nog niet voor de eeuwigdurende nazorg overdragen aan de provincie en dus zelf risicodragend blijven. Tegelijkertijd handhaaft de provincie, zolang de vergunninghouders deel blijven nemen aan het onderzoek, de rekenrente op het bestaande niveau. Dit uitstel geeft exploitanten de tijd om samen met de provincie te kijken naar ontwikkelingen die mogelijk kunnen bijdragen aan een verlaging van het benodigde doelvermogen. Ook kan onderzocht worden of op de stortplaatsen nieuwe inkomsten te genereren zijn, bijvoorbeeld door het vestigen van een zonnepark. Na het sluiten van de hierboven bedoelde overeenkomst hebben wij meermalen overleg gevoerd met de vergunninghouders. Hieruit is gebleken dat het onderbouwen van aanwezige haalbare alternatieven voor lagere doelvermogens meer tijd vraagt dan in de overeenkomst van juni 2019 is afgesproken. Het onderzoek loopt dan ook nog.

Diverse leges

Terug naar navigatie - Diverse leges

Leges
Leges zijn vergoedingen door derden voor het verlenen van individuele diensten door de provincie aan particulieren en bedrijven. Deze diensten betreffen vooral de verlening van vergunningen en ontheffingen. De tarieven zijn maximaal kostendekkend en staan vermeld in de tarieventabel behorend bij de legesverordening Provincie Noord-Brabant.


De provincie Noord-Brabant heeft in 2013 de uitvoering van vergunningverlening, toezicht en handhaving overgedragen aan de drie omgevingsdiensten. Met de omgevingsdiensten zijn afspraken gemaakt over de uit te voeren werkzaamheden in het VTH-domein. Op basis van deze opdracht ontvangen zij een jaarlijkse bijdrage. De kosten die hierin begrepen zijn voor de verwerking van de verschillende vergunning-, melding- en ontheffingsprocedures vormen de basis voor de legesopbrengsten, zoals opgenomen in de tabel. De omgevingsdiensten brengen all-in tarieven in rekening, loon en materiële kosten worden derhalve niet gesplitst. Vanuit de provincie zelf worden hier geen extra (overhead)kosten aan toegerekend.

Legesopbrengsten   Bedragen x € 1.000
 

Begroting 2020

na wijziging

Jaarstukken

Realisatie 2020

Leges Waterwet 176 123
Leges ontgrondingenwet 307 168
Leges wet algemene bepaling omgevingsrecht 1.248 1.303
Leges Natuurbeschermingswet 2.484 1.561
Leges Vergunningen/ontheffingen interim omgevingsverordening afdeling infrastructuur 173 172
     
  4.389 3.327

 

 

Leges Waterwet

Onderdeel Aantal geraamd  Aantal gerealiseerd 
Open bodemenergiesystemen    
4.1a t/m 200.000 m3 8 14
4.1a1 200.001 t/m 500.000 m3 10 11
4.1a2 meer dan 500.000 m3 7 2
  25 27
Drinkwater & industriële toepassingen    
4.1b t/m 500.000 m3 0 0
4.1b1 500.001 t/m 1.000.000 m3 1 1
4.1b2 meer dan 1.000.000 m3 0 0
  1 1
Totaal leges waterwet 26 28

Toelichting op de verschillen tussen raming en realisatie

De aantallen leges liggen in lijn met de begroting. Wel zijn er meer wijzigingsvergunningen afgegeven tegen een lager tarief, wat leidde tot een lagere legesopbrengst.

 

Leges Ontgrondingenwet

Onderdeel  Aantal geraamd Aantal gerealiseerd
5.5.1a   t/m 15.000 m3 0 6
5.5.1b  15.001 m3 t/m 25.000 m3 4 3
5.5.1c   25.001 m3 t/m 50.000 m3  6 6
5.5.1d  50.001 m3 t/m 100.000 m3 3 1
5.5.1e  100.001 m3 t/m 500.000 m3 1 0
5.5.1f   meer dan 500.000 m3 1 0
5.5.2  Wijzigen of verlengen vergunning 3 5
5.5.3  Wijzigen vergunning met extra hoeveelheid specie 0 0
5.5.4  Intrekken vergunning 2 0
5.5.5  Machtiging ingevolge artikel 12 2 0
5.5.6  Cultuurtechnische verbetering zonder specieafvoer 2 0
5.5.7  Natuurprojecten zonder specieafvoer 1 0
Totaal leges ontgrondingenwet 25 21

Toelichting op de verschillen tussen raming en realisatie

De realisatie blijft in gerealiseerde aantallen en omzet iets achter ten opzichte van de begroting.

 

Leges Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

Onderdeel Aantal geraamd Aantal gerealiseerd
5.1.1 1a  Bouwkosten lager dan € 20.000 34 26
5.1.1 1b  Bouwkosten tussen €20.000 en € 50.000 22 29
5.1.1 1c  Bouwkosten tussen €50.000 en € 100.000 17 27
5.1.1 1d  Bouwkosten tussen €100.000 en € 400.000 24 24
5.1.1 1e  Bouwkosten tussen €400.000 en € 1.000.000 12 25
5.1.1 1f   Bouwkosten tussen € 1 mln. en € 5 mln. 13 12
5.1.1 1g  Bouwkosten tussen € 5 mln. en € 25 mln. 5 3
5.1.1 1h  Bouwkosten meer dan € 25 mln. 0 3
5.1.1.2    Beoordelen bodemrapport 7 1
5.1.1.3    Beoordelen advies agrarische adviescommissie 0 0
5.1.1.4    Toetsing ontheffing ihkv exploitatieplan 1 0
5.1.2 a t/m g   Binnenplanse ontheffing (bestemmingsplannen) 20 29
5.1.3 a/c   Slopen / wijzigen beschermd monument 0 -  0
5.1.3 b/d  Slopen beschermd stads & dorpsgezicht 0 0
5.1.4      Slopen  0 0
5.1.5      Kappen 2 4
5.1.6 a/b   Handelsreclame 0 1
5.1.9 - 10  Andere / overige activiteiten 7 14
Subtotaal leges Wabo 164 199
     
5.1.7   Omgevingsvergunning aanhaken Wnb, N2000 (PNB bevoegd gezag) 0 2
5.1.7a Nieuwe vergunningen Omgevingsvergunning aanhaken Wnb, N2000 (PNB bevoegd gezag) 6 0
5.1.7b Wijzigingsvergunning Omgevingsvergunning aanhaken Wnb, N2000 (PNB bevoegd gezag) 2 0
5.1.8 Omgevingsvergunning aanhaken Wnb, FF-activiteiten (PNB bevoegd gezag) 35 0
Subtotaal interne adviezen Vvgb 43 2
     
Totaal Wabo 207 201

Toelichting op de verschillen tussen raming en realisatie

De raming en de realisatie liggen vrijwel op het begrote niveau.

 

Leges Natuurbeschermingswet 2017

Onderdeel Aantal geraamd Aantal gerealiseerd
6.1.1 Vergunningverlening gebiedsbescherming/Natura 2000 art 2.7 (vóór 2020) 0 205
6.1.1 a Vergunningverlening gebiedsbescherming nieuwe vergunning 263 56
6.1.1 b Vergunningverlening gebiedsbescherming wijzigingsvergunning 76 7
6.1.1 c Vergunningverlening gebiedsbescherming volledige intrekking 47 25
6.1.3a   Ontheffingverlening  soortenbescherming t.b.v. onderzoek en onderwijs, opvang beschermde dieren art 3.3/3.4/3.8/3.9/3.10 5 4
6.1.3b    Ontheffingverlening  soortenbescherming t.b.v. infrastructurele werken, windmolens, ruimtelijke ontwikkeling meer dan 50 woningen art 3.3/3.4/3.8/3.9/3.10 80 65
6.1.3c   Ontheffingverlening soortenbescherming overige aanvragen art 3.3/3.4/3.8/3.9/3.10 60 123
6.1.3d   Ontheffingverlening  soortenbescherming betrekking hebbend op belang één particuliere aanvrager art 3.3/3.4/3.8/3.9/3.10 3 3
6.1.2     Ontheffingverlening  schadebestrijding, overlastbestrijding en populatiebeheer art 3.3/3.4/3.8/3.9/3.10 20 17
6.1.4a   Ontheffingverlening compensatie herplantplicht art 4.5: 25 13
6.1.4b   Ontheffingverlening herplantplicht art 4.5: 20 50
6.1.4c   Ontheffing herplanttermijn art 4.5: 10 5
6.1.4d  Ontheffing vellingstermijn art 8.7 Verordening natuurbescherming 10 3
Subtotaal leges WNB 619 576
     
Onderdeel Aantal geraamd 2020 Aantal gerealiseerd 2020
6.1.1     Vergunningverlening gebiedsbescherming/Natura 2000 art 2.7 0 139
6.1.1 a Vergunningverlening gebiedsbescherming nieuwe vergunning 60 12
6.1.1 b Vergunningverlening gebiedsbescherming wijzigingsvergunning 16 1
6.1.1 c Vergunningverlening gebiedsbescherming volledige intrekking 0 0
6.1.3b    Ontheffingverlening  soortenbescherming t.b.v. infrastructurele werken, windmolens, ruimtelijke ontwikkeling meer dan 50 woningen art 3.3/3.4/3.8/3.9/3.10 3 3
6.1.3c   Ontheffingverlening soortenbescherming overige aanvragen art 3.3/3.4/3.8/3.9/3.10 20 8
6.1.3d   Ontheffingverlening  soortenbescherming betrekking hebbend op belang één particuliere aanvrager art 3.3/3.4/3.8/3.9/3.10 2 1
Subtotaal Vvgb's WNB 101 164
     
Totaal Wet Natuurbescherming Leges & Vvgb 720 740

Toelichting op de verschillen tussen raming en realisatie

De aantallen liggen in lijn met de begroting. Hierbij is ook sprake geweest van het inhalen van achterstanden (aanvragen van vóór 2020). Hiervoor golden nog geen Vvgb-tarieven.
Daarnaast was het aantal ingetrokken initiatieven veel groter dan in een gebruikelijk jaar. Bij de ingetrokken aanvragen/verzoeken zijn veelal geen leges geheven conform de afspraken.
Hierdoor waren de Vvbg- en legesinkomsten aanmerkelijk lager dan begroot.

 

Kostendekkendheid van de leges

Bij het opstellen van de begroting is een gedetailleerde opzet gemaakt over de te verwachten uitvoeringskosten vergunningverlening. Daarbij is tevens in beeld gebracht welk type procedures legesplichtig zijn en voor welke procedures dat niet geldt. De volgende variabelen zijn van belang:
• Het benodigd aantal uren per procedure
• Het uurtarief dat hierbij van toepassing is
• Het verwacht aantal procedures  zegt niets over de “kostprijs” van een procedure, maar over het totaal van de geraamde legesopbrengsten.

 

Aantal uren

De benodigde ureninzet wordt opgesteld in samenwerking met “inhoudelijke” experts van de omgevingsdiensten. Hierbij wordt gedoeld op experts op het gebied van de Waterwet, Ontgrondingenwet, Wabo en Wet natuurbescherming. De uren die in beeld gebracht worden hebben enkel betrekking op uren van medewerkers van de Brabantse omgevingsdiensten, daar vindt immers de uitvoering plaats. Het betreft enkel uren van medewerkers in het primaire proces. Er worden geen uren van provinciale medewerkers opgenomen in deze opzet.

 

Uurtarief

Bij de opzet die wordt gemaakt voor de begroting wordt gerekend met (gemiddelde) uurtarieven van de omgevingsdiensten. In deze tarieven zit een opslag voor de overhead van de omgevingsdiensten. Vanuit de provincie wordt hier geen verdere opslag aan toegevoegd.

 

Aantal procedures

De vergelijking tussen het geraamde aantal en gerealiseerde aantal procedures is opgenomen in de paragraaf heffingen van de provinciale jaarrekeningen. Een exacte calculatie achteraf op realisatiebasis is niet te maken. Voornaamste reden is dat de (overigens zeer gedetailleerde) uitvoeringsinformatie van de omgevingsdiensten niet exact aansluit op de informatie die nodig is om dit te kunnen bepalen. Bij de eindverantwoording (relatie opdrachtgever-opdrachtnemer provincie versus omgevingsdiensten) wordt op vele facetten ingezoomd. Dat geldt ook voor het benodigd aantal uren per vergunningprocedure. Indien aan de orde leiden de ervaringscijfers uit 2020 tot een (normatieve) bijstelling in de opzet voor het eerstvolgende begrotingsjaar (2022). De definitieve cijfers over de uitvoering van 2020 zijn op dit moment nog niet bekend. De analyses vinden momenteel plaats. Vooral bij de procedures die betrekking hebben op de Wet natuurbescherming wordt nauwkeurig gemonitord hoeveel uren er nodig zijn; hierbij zijn ook de meeste ontwikkelingen.

 

Vergunningen/ontheffingen Interim omgevingsverordening, afdeling 2.5 Infrastructuur

De leges die in rekening worden gebracht voor het behandelen van aanvragen van vergunningen en ontheffingen op grond van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant, afdeling 2.5 Infrastructuur en de wegenverkeerswetgeving zijn berekend op basis van de werkelijke hoeveelheid ambtelijke uren - en daaraan gekoppelde uurtarieven – die nodig zijn om een aanvraag te behandelen. Het uitgangspunt is dat kostendekkende tarieven worden gehanteerd.

Onderdeel Aantal geraamd  Aantal gerealiseerd 
Ontheffing wedstrijd voertuigen meer gemeenten art. 148/10 WVW 1994 25 6
Verklaring geen bezwaar wedstrijd in één gemeente art. 148/10 WVW 1994 10 3
Ontheffing voertuig of -combinatie art. 9.1 RV, m.u.v. H5, afd. 7, 8, 10 en 11 RV (exceptionele transporten) 2.500 2.811
Ontheffing voertuig of -combinatie art. 9.1, H5, afd. 7, 8, 10 en 11 5 0
Ontheffing art. 87 RVV 1990 30 0
Vergunning art. 4, eerste lid, Verordening wegen    
-  werk andere wegbeheerders 30 20
-  verkeersmaatregelen op de weg voor werken of activiteiten buiten de weg 100 101
-  kabels of leidingen 150 223
-  borden (bewegwijzering, stroken-borden, reclame, objecten, terreinen) 40 4
-  kunstobject binnen de bebouwde kom 3 0
Vergunning art. 5, eerste en tweede lid, Verordening wegen:    
-  evenement (niet optocht) 20 5
-  evenement 15 3
-  voorwerpen i.v.m. particuliere bouw- of onderhoudswerken buiten de weg 10 0
-  overige activiteiten (wedstrijden zonder voertuigen, voorwerpen, stoffen) 30 1
Aanvraag niet nadrukkelijk benoemd 35 3
Totaal 3.003 3.180

Toelichting op de verschillen tussen raming en realisatie

Het aantal verleende vergunning en ontheffingen in 2020 is hoger dan de geraamde aantallen maar lager dan in 2019 (3.483). Het hogere aantal is met name te verklaren door het aantal ontheffingen voor exceptioneel vervoer verleend door de Rijksdienst Wegverkeer (RDW). Het aandeel van de ontheffingen voor exceptioneel vervoer via RDW stijgt al een aantal jaren in verband met het uitbreiden van de bevoegdheden van de RDW via het Provincie Noord-Brabant vergroten van de beslisruimte inzake provinciale wegen. De RDW voert deze uit en betaalt deze leges uit aan de provincie, een jaar na realisatie. Bij de andere categorieën is er een daling. Hierin zien we de effecten terug van de coronapandemie. De totale inkomsten uit leges over 2020 bedragen € 171.6765 tov een raming € 173.040. Omdat de stijging in aantallen zich met name in een categorie met een laag tarief heeft voorgedaan, zijn de totale inkomsten uit deze leges iets lager dan geraamd.