2. Provinciale heffingen

Inleiding

Terug naar navigatie - Inleiding

Eén van de inkomstenbronnen van de provincie betreft de provinciale heffingen. Deze bestaan uit:

  • de heffing opcenten op de motorrijtuigenbelasting;
  • de Grondwaterheffing;
  • de Nazorgheffing in het kader van de Leemtewet;
  • diverse leges.

 

De provincie kent geen kwijtscheldingsbeleid voor provinciale heffingen.

Opcenten motorrijtuigenbelasting

Terug naar navigatie - Opcenten motorrijtuigenbelasting

Opcenten motorrijtuigenbelasting

De opbrengst uit de opcenten motorrijtuigenbelasting vormt de belangrijkste bron van inkomsten voor de provincie. Op grond van artikel 222 van de Provinciewet worden provinciale opcenten geheven. De opbrengst wordt tot de algemene dekkingsmiddelen gerekend. Dit betekent dat aan de besteding geen voorwaarden zijn verbonden.

De raming en de realisatie van de opcenten wordt bepaald door de uitkomst van het aantal personenauto’s en motoren maal het tarief. Het tarief is een percentage waarmee de hoofdsom van de motorrijtuigenbelasting –die van rijkswege wordt geheven op personenauto’s en motoren – wordt vermeerderd. De meeropbrengst die dit oplevert is voor de provincie.
Naast het tarief hebben mutaties in het wagenpark effect op de totale opbrengst van de opcenten. De mutaties zijn te onderscheiden in volume-effect, gewichtseffect en effect van de milieubelasting van de auto.

Door het Rijk wordt elk jaar het maximumniveau van de opcentenheffing vastgesteld. De provincie bepaalt zelf in hoeverre zij de vrije capaciteit (verschil wettelijk maximum -/- provinciaal opcententarief) wil benutten. De datum waarop provincies hun opcenten kunnen wijzigen is met ingang van 1 januari van enig jaar.

De MRB-raming is in de begroting 2019 vastgesteld op € 257 mln. De uiteindelijke jaaropbrengst bedraagt € 259,4 mln wat een voordelig resultaat inhoudt van 0,9%. Deze afwijking heeft te maken met een stijging van de belastingcapaciteit in het tweede half jaar.
Eind 2019 stonden in Noord-Brabant ca. 1.4017.000 (eind 2018 1.400.000) personenauto’s geregistreerd en ca. 113.200 (eind 2018 111.700) motoren. Er is sprake geweest van een lichte autonome groei van het wagenpark.

Provinciale lastendruk m.b.t. opcenten motorrijtuigenbelasting
Het door het Rijk vastgestelde maximale opcententarief is per 1 januari 2019 wettelijk bepaald op 113,2 opcenten en wordt jaarlijks geïndexeerd.
In de heffingsverordening opcenten Motorrijtuigenbelasting is voor 2019 het tarief vastgesteld op 76,1 opcenten (PS 48/18).

In onderstaande tabel is een vergelijking opgenomen van de vastgestelde opcententarieven van alle provincies.

 

Een vergelijking van de vastgestelde opcententarieven van alle provincies staat in de volgende tabel.

  (per 1 januari 2019) Vastgesteld tarief Onbenutte belastingcapaciteit
1 Drenthe 92,0 18,7%
2 Groningen 90,4 20,1%
3 Zuid-Holland 90,4 20,1%
4 Gelderland 89,2 21,2%
5 Zeeland 89,1 21,3%
6 Overijssel 79,9 29,4%
7 Flevoland 79,8 29,5%
8 Limburg 77,9 31,2%
9 Noord-Brabant 76,1 32,8%
10 Utrecht 72,6 35,9%
11 Friesland 71,1 37,2%
11 Noord-Holland 67,9 40,0%
       
  Gemiddeld tarief 81,4  
  Maximaal tarief 113,2  

 

In de rangorde van opcentenheffing van hoog naar laag komt de provincie Noord-Brabant uit op een 9e plaats. In 2019 is de lastendruk m.b.t. de opcenten op de motorrijtuigenbelasting in relatieve zin onder het landelijk gemiddelde gebleven

 

Onbenutte belastingcapaciteit

De onbenutte belastingcapaciteit is het verschil tussen de theoretische opbrengst op basis van het wettelijk vastgestelde maximumtarief en de opbrengst gebaseerd op het tarief van de provincie.
De onbenutte belastingcapaciteit bedraagt rekening houdend met het maximale tarief van 115 opcenten voor het jaar 2020 ca € 132,6 miljoen.

Er is een relatie tussen de opcentenheffing (omvang wagenpark in aantallen en gewicht) en de algemene uitkering uit het Provinciefonds. In het verdeelmodel van het fonds telt de belastingcapaciteit (tegen een algemeen rekentarief) mee als een (negatieve) inkomstenmaatstaf. Anders gezegd: een relatief grotere belastingcapaciteit (zoals in Noord-Brabant) leidt tot een naar verhouding lagere provinciefondsuitkering.

 

Grondwaterheffing

Terug naar navigatie - Grondwaterheffing

De grondwaterheffing wordt geheven over de hoeveelheid onttrokken grondwater. De bestedingsmogelijkheden van de heffing zijn limitatief in de Grondwaterwet opgenomen, namelijk kosten van onderzoek, metingen en schadevergoedingen in verband met de onttrekking van grondwater. De financiële verantwoording verloopt via de voorziening grondwaterheffing. Voor 2019 zijn de inkomsten grondwaterheffing geraamd op € 3,8 miljoen. De gerealiseerde inkomsten in 2019 bedragen € 4,2 mln.
De heffing vindt plaats op grond van de Grondwaterheffingsverordening die voor het laatst is gewijzigd op 9 december 2011 (PS 44/11). De baten uit de grondwaterheffing zijn in de begroting 2019 opgenomen bij productgroep 03.01 Water.

Nazorgheffing in het kader van de Leemtewet

Terug naar navigatie - Nazorgheffing in het kader van de Leemtewet

Op grond van de Wet milieubeheer is de provincie Noord-Brabant verantwoordelijk voor de nazorg van alle in haar rechtsgebied gelegen stortplaatsen (na sluiting daarvan als bedoeld in artikel 8.47 lid c van de Wet milieubeheer) waar ná de peildatum 1 september 1996 nog afval wordt gestort. Om de financiering van het eeuwigdurend milieuhygiënisch beheer van deze stortplaatsen te verzekeren is, conform in de wettelijke regeling is bepaald, door de provincie een Nazorgfonds (een aparte rechtspersoon) ingesteld.
De exploitanten van de stortplaatsen moeten ten tijde van de exploitatie van hun stortplaats een nazorgplan opstellen en dit ter goedkeuring voorleggen aan de provincie. Op basis van de nazorgplannen wordt een doelvermogen bepaald. Om het doelvermogen op te bouwen wordt aan de stortplaatsbeheerders een heffing opgelegd die aan de provincie wordt betaald. De provincie stort deze middelen in het Nazorgfonds. Hiermee is in april 2000 een start gemaakt.

De heffing vindt plaats op grond van de vastgestelde verordening Nazorgheffing Noord-Brabant die voor het laatst is gewijzigd op 25 februari 2011 (Statenvoorstel 86/11).
Op grond van de Wet milieubeheer is de opbrengst van de nazorgheffing uitsluitend bestemd voor de uitvoering van de nazorg van de in de provincie Noord-Brabant gesloten stortplaatsen.
De provincie fungeert als ontvanger voor het Nazorgfonds. De gelden worden o.a. belegd in externe fondsen, conform het vastgestelde beleggingsstatuut. De beleggingsresultaten worden tot het moment van formele sluiting verrekend met de te betalen heffingen, zodanig dat voldoende vermogen wordt opgebouwd om de uitvoering van de nazorg op de stortplaatsen eeuwigdurend te kunnen financieren. Het Nazorgfonds heeft een eigen begroting die door het Algemeen bestuur van het fonds wordt vastgesteld.
Periodiek wordt ten behoeve van het Nazorgfonds een Asset Liability Management (ALM) studie uitgevoerd.
Provinciale Staten zijn op 11 juni 2019 geïnformeerd over de uitvoering van de ALM studie Nazorgfonds voor de stortplaatsen in de Provincie Noord-Brabant.

Op dit moment zijn er in Noord- Brabant negen (baggerspecie)stortplaatsen waarop de wettelijke regeling van toepassing is:

1. De Kragge, Bergen op Zoom
2. Gulbergen, Nuenen
3. Spinder, Tilburg
4. Meerendonk, ‘s-Hertogenbosch
5. Zevenbergen
6. Haps
7. Vlagheide, Schijndel
8. Nyrstar, Budel
9. Baggerdepot Dintelsas

De baten uit de nazorgheffing zijn in de begroting opgenomen bij productgroep 03.02 Milieu. In 2014 is een definitieve afrekening gemaakt voor de stortplaatsen Nyrstar en Dintelsas, die inmiddels gesloten zijn en waarvoor de provincie de nazorg uitvoert.

De toekomstige bijdragen van de stortplaatsen van Deponie Zuid BV, te weten de locaties Haps, Tilburg en Bergen op Zoom zijn in 2014 contant gemaakt, aan de provincie overgemaakt en ten gunste gebracht van het Nazorgfonds. Per saldo gaat dit om een bijdrage van circa € 5,5 miljoen, waardoor de bijdragen vanaf 2015 op € 0 uitkomen. Voor de goede orde: het betreft hier geen definitieve afrekening voor deze drie stortplaatsen. Voor deze stortplaatsen wordt ieder jaar bekeken of de eerder betaalde bijdragen voldoende zijn. Afhankelijk van de situatie vindt er dan een bijstorting in of teruggave uit het Nazorgfonds plaats.
Voor wat betreft de stortplaatsen Gulbergen (Nuenen), Meerendonk (‘s-Hertogenbosch), Vlagheide (Schijndel) en Zevenbergen zijn de nazorgheffingen gestort in het Nazorgfonds en zal bij sluiting, op basis van een geactualiseerd nazorgplan en heffing, een definitieve afrekening worden opgemaakt.
Voor deze stortplaatsen zijn afdoende kwalitatieve financiële zekerstellingen gesteld door de bevoegde publieke partijen: gemeenten cq gemeenschappelijke regelingen.
Ook voor deze stortplaatsen wordt evenwel tussentijds bekeken of de al betaalde bijdragen voldoende zijn.

Leges

Terug naar navigatie - Leges
Productgroep Leges (bedragen x € 1.000) Begroting na wijziging 2019 Realisatie 2019
03.02 Grondwater-onttrekking 191 95
03.02 Ontgrondingenwet 294 222
03.02 Wet algemene bepaling omgevingsrecht 1.177 1.089
03.02 Natuurbeschermingswet 1.887 689
05.03 Vergunningen/ontheffingen wegenverordening 173 170
  Totaal 3.722 2.266

Leges zijn vergoedingen door derden voor het verlenen van individuele diensten door de provincie aan particulieren en bedrijven. Deze diensten betreffen vooral de verlening van vergunningen en ontheffingen. De tarieven zijn maximaal kostendekkend en staan vermeld in de tarieventabel behorend bij de legesverordening Provincie Noord-Brabant.

De provincie Noord-Brabant heeft in 2013 de uitvoering van vergunningverlening, toezicht en handhaving overgedragen aan de drie omgevingsdiensten. Met de omgevingsdiensten zijn afspraken gemaakt over de uit te voeren werkzaamheden in het VTH-domein. Op basis van deze opdracht ontvangen zij een jaarlijkse bijdrage. De kosten die hierin begrepen zijn voor de verwerking van de verschillende vergunning-, melding- en ontheffingsprocedures vormen de basis voor de legesopbrengsten, zoals opgenomen in de tabel. De omgevingsdiensten brengen all-in tarieven in rekening, loon en materiële kosten worden derhalve niet gesplitst. Vanuit de provincie zelf worden hier geen extra (overhead)kosten aan toegerekend.

Leges Waterwet

Terug naar navigatie - Leges Waterwet

 

Onderdeel (in aantallen)

Geraamd

Gerealiseerd

Open bodemenergiesystemen

 

 

4.1a t/m 200.000 m3

10

24

4.1a1 t/m 500.000 m3

13

4

4.1a2 meer dan 500.000 m3

9

4

totaal

32

32

Drinkwater & industriële toepassingen

 

 

4.1b t/m 500.000 m3

0

2

4.1b1 t/m 1.000.000 m3

2

0

4.1b2 meer dan 1.000.000 m3

0

0

totaal

2

2

 

Toelichting op de verschillen tussen raming en realisatie

Het aantal verstrekte leges ligt in lijn met de begroting. Wel zijn er meer wijzigingsvergunningen afgegeven tegen een lager tarief, wat leidde tot een lagere legesopbrengst.

Leges Ontgrondingenwet

Terug naar navigatie - Leges Ontgrondingenwet

 

Onderdeel (in aantallen) Geraamd Gerealiseerd
Ontgrondingen    
5.5.1a tot 15.000 m3 0 3
5.5.1b 15.001 m3 tot 25.000 m3 4 4
5.5.1c  25.001 m3 tot 50.000 m3 6 4
5.5.1d  50.001 m3 tot 100.000 m3 3 1
5.5.1e  100.001 m3 tot 500.000 m3 1 1
5.5.1f  500.001 m3 en meer 1 1
5.5.2 wijzigen vergunning 3 6
5.5.3 wijzigen vergunning met extra hoeveelheid specie 0 0
5.5.4 intrekken of verlengen vergunning 2 0
5.5.5 machtiging ingevolge artikel 12 2 0
5.5.6 cultuurtechnische verbetering zonder specieafvoer 2 0
5.5.7 natuurprojecten zonder specieafvoer 1 0
Totaal aantal ontgrondingenwet 25 20

 

Toelichting op de verschillen tussen raming en realisatie

De realisatie blijft in gerealiseerde aantallen en omzet iets achter ten opzichte van de begroting. De begroting was te hoog ingeschat.

Leges Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

Terug naar navigatie - Leges Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

 

Onderdeel (in aantallen) Geraamd Gerealiseerd
Bouwkosten    
5.1.1.1a    lager dan € 20.000 85 30
5.1.1.1b    tussen €20.000 en € 50.000 60 14
5.1.1.1c    tussen €50.000 en € 100.000 40 19
5.1.1.1d    tussen €100.000 en € 400.000 35 30
5.1.1.1e    tussen €400.000 en € 1.000.000 17 8
5.1.1.1f     tussen € 1 mln. en € 5 mln 12 14
5.1.1.1g    tussen € 5 mln. en € 25 mln. 2 2
5.1.1.1h    meer dan € 25 mln. 0 0
5.1.1.2      beoordelen bodemrapport 6 3
5.1.1.3      beoordelen advies agrarische adviescommissie 0 0
5.1.1.4      toetsing ontheffing ihkv exploitatieplan 0 0
5.1.2 a-g   binnenplanse ontheffing (bestemmingsplan) 13 20
5.1.3 a/c  slopen / wijzigen beschermd monument 0 0
5.1.3 b/d  slopen beschermd stads- & dorpsgezicht 0 0
5.1.4  slopen 10 0
5.1.5 kappen 9 3
5.1.6 a-b   handelsreclame 12 2
5.1.7 omgevingsvergunning aanhaken op Vwb, N2000 10 1

5.1.8 omgevingsvergunning aanhaken op Wnb, FF-activiteiten

35 0
5.1.9/10  andere en overige activiteiten 4 13

Totaal Wabo

350 159

 

Toelichting op de verschillen tussen raming en realisatie

Het aantal gerealiseerde Wabo-aanvragen blijft achter bij de raming. De oorzaak hiervan ligt onder meer aan de PAS/stikstof problematiek. De gerealiseerde opbrengsten zijn licht lager dan de raming. De gemiddelde legesopbrengst per procedure kwam hoger uit dan was geraamd.

Leges Wet Natuurbeschermingswet 2017

Terug naar navigatie - Leges Wet Natuurbeschermingswet 2017

 

Onderdeel (in aantallen) Geraamd Gerealiseerd
6.1.1     vergunningverlening gebiedsbescherming art. 2.7 440 94
6.1.2    onth.verlening beheer&schadebestrijding art 3.3-3.4-3.8-3.9-3.10 30 17
6.1.3.a  ontheffingverlening onderzoek/onderwijs art. 3.3/4/8/9/10 15 1
6.1.3.b  ontheffingverlening ruimtelijke ingrepen art. 3.3/4/8/9/10 28 41

6.1.3.c ontheffingverlening ruimtelijke ingrepen (niet 6.1.3.a of 6.1.3.b)

165 21

6.1.3.d ontheffingverlening ruimtelijke ingrepen (één particuliere aanvrager)

22 35
6.1.4.a  aanvraag compensatie herplantplicht art 4.3 35 14

6.1.4.b  ontheffingverlening herplantplicht art 4.3

31 14
6.1.4.c ontheffingverlening herplanttermijn 12 4

6.1.4.d aanvraag ontheffing wachttermijn

28 5

Totaal Natuurbeschermingswet

806 247

 

Toelichting op de verschillen tussen raming en realisatie

Zowel het aantal verleende vergunningen als de legesopbrengst blijven significant achter ten opzichte van de begroting. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door de PAS/stikstof problematiek.

Vergunningen/ontheffingen wegenverordening

Terug naar navigatie - Vergunningen/ontheffingen wegenverordening

 

De leges die in rekening worden gebracht voor het behandelen van aanvragen van vergunningen en ontheffingen op grond van de Verordening wegen Noord- Brabant 2010 en de wegenverkeerswetgeving zijn berekend op basis van de werkelijke hoeveelheid ambtelijke uren - en daaraan gekoppelde uurtarieven – die nodig zijn om een aanvraag te behandelen. Het uitgangspunt is dat kostendekkende tarieven worden gehanteerd.

Onderdeel (in aantallen) Geraamd Gerealiseerd
Ontheffing wedstrijd voertuigen meer gemeenten art. 148/10 WVW 1994 25

1

Verklaring geen bezwaar wedstrijd in één gemeente art. 148/10 WVW 1994 10 21
Ontheffing voertuig of -combinatie art. 9.1 RV, m.u.v. H5, afd. 7, 8, 10 en 11 RV (exceptionele transporten) 2.500 3.179
Ontheffing voertuig of -combinatie art. 9.1, H5, afd. 7, 8, 10 en 11 5 3
Ontheffing art. 87 RVV 1990 30 2
Vergunning art. 4, eerste lid, Verordening wegen    
-  werk andere wegbeheerders 30 14
- verkeersmaatregelen op de weg voor werken of activiteiten buiten de weg 100 83
-  kabels of leidingen 150 140
-  borden (bewegwijzering, stroken-borden, reclame, objecten, terreinen) 40 4
-  kunstobject 3 0
Vergunning art. 5, eerste en tweede lid, Verordening wegen:    
-  evenement (niet optocht) 20 21
-  evenement 15 6
-  voorwerpen i.v.m. particuliere bouw- of onderhoudswerken buiten de weg 10 0
-  overige activiteiten (wedstrijden zonder voertuigen, voorwerpen, stoffen) 30 5
Aanvraag niet nadrukkelijk benoemd 35 4
Totaal Vergunningen/ontheffingen wegenverordening 3.003 3.483

 

Toelichting op de verschillen tussen raming en realisatie

Het aantal verleende vergunning en ontheffingen in 2019 is hoger dan de geraamde aantallen en iets lager dan in 2018 (3.506). Het hoge aantal is met name te verklaren door het aantal ontheffingen voor exceptioneel vervoer verleend door de Rijksdienst Wegverkeer (RDW). Het aandeel van de ontheffingen voor exceptioneel vervoer via RDW stijgt al een aantal jaren in verband met het uitbreiden van de bevoegdheden van de RDW via het Provincie Noord-Brabant vergroten van de beslisruimte inzake provinciale wegen. De RDW voert deze uit en betaalt deze leges uit aan de provincie, een jaar na realisatie. De totale inkomsten uit leges over 2019 bedragen € 170.346 tov een raming € 173.040. Omdat de stijging zich met name in een categorie met een laag tarief heeft voorgedaan, zijn de totale inkomsten uit deze leges toch lager.

Kostendekkendheid van de leges

Bij het opstellen van de begroting is een gedetailleerde opzet gemaakt over de te verwachten uitvoeringskosten vergunningverlening. Daarbij is tevens in beeld gebracht welk type procedures legesplichtig zijn en voor welke procedures dat niet geldt. De volgende variabelen zijn van belang:

  1. Het benodigd aantal uren per procedure
  2. Het uurtarief dat hierbij van toepassing is
  3. Het verwacht aantal procedures ==> zegt niets over de “kostprijs” van een procedure, maar over het totaal van de geraamde legesopbrengsten.

Aantal uren

De benodigde ureninzet wordt opgesteld in samenwerking met “inhoudelijke” experts van de omgevingsdiensten. Hierbij wordt gedoeld op experts op het gebied van de Waterwet, Ontgrondingenwet, Wabo en Wet natuurbescherming. De uren die in beeld gebracht worden hebben enkel betrekking op uren van medewerkers van de Brabantse omgevingsdiensten, daar vindt immers de uitvoering plaats. Het betreft enkel uren van medewerkers in het primaire proces. Er worden geen uren van provinciale medewerkers opgenomen in deze opzet.

Uurtarief

Bij de opzet die wordt gemaakt voor de begroting wordt gerekend met (gemiddelde) uurtarieven van de omgevingsdiensten. In deze tarieven zit een opslag voor de overhead van de omgevingsdiensten. Vanuit de provincie wordt hier geen verdere opslag aan toegevoegd.

Aantal procedures

De vergelijking tussen het geraamde aantal en gerealiseerde aantal procedures is opgenomen in de paragraaf heffingen van de provinciale jaarrekeningen. Een exacte calculatie achteraf op realisatiebasis is niet te maken. Voornaamste reden is dat de (overigens zeer gedetailleerde) uitvoeringsinformatie van de omgevingsdiensten niet exact aansluit op de informatie die nodig is om dit te kunnen bepalen. Bij de eindverantwoording (relatie opdrachtgever-opdrachtnemer provincie versus omgevingsdiensten) wordt op vele facetten ingezoomd. Dat geldt ook voor het benodigd aantal uren per vergunningprocedure. Indien aan de orde leiden de ervaringscijfers uit 2019 tot een (normatieve) bijstelling in de opzet voor het eerstvolgende begrotingsjaar (2021). De definitieve cijfers over de uitvoering van 2019 zijn op dit moment nog niet bekend. De analyses vinden momenteel plaats. Vooral bij de procedures die betrekking hebben op de Wet natuurbescherming wordt nauwkeurig gemonitord hoeveel uren er nodig zijn.