Meer
Publicatiedatum: 12-07-2019

Inhoud

Programma onderdelen

Financiële begroting

Algemene grondslagen voor de begroting en jaarstukken

Algemene grondslagen

De begroting is opgesteld met inachtneming van de voorschriften die het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV) daarvoor geeft.
Volgens het BBV is het gemodificeerd stelsel van lasten en baten van toepassing.
De begroting geeft i.o.m. de normen van het BBV een zodanig inzicht dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd over de financiële positie en over de baten en lasten.
De baten en lasten worden tenzij anders vermeld, toegerekend aan het jaar waarop zij betrekking hebben.

De lasten als gevolg van voorlopige subsidie toekenningen worden genomen op het moment van het beschikken (afgeven van de beschikking), tenzij:

  1. De hoogte van de subsidie expliciet is verbonden aan de te leveren prestaties (p x q subsidies), voorbeeld hiervan is een vast bedrag aan subsidie per aangelegd bushokje;
  2. De subsidie op basis van de subsidiebeschikking expliciet toe te rekenen is aan volgende begrotingsjaren (bijvoorbeeld (1) een subsidie cultuur toegekend in 2017, maar voor exploitatiejaar 2018, (2) een toekenning van een beschikking voor een project in 2017, maar in de beschikking wordt expliciet aangegeven dat het project uitgevoerd zal worden in 2019);
  3. Op basis van het subsidieproces de indruk bestaat dat de start van het project expliciet is gepland in een ander boekjaar (bijvoorbeeld het eind december nog toekennen van subsidies). Bij de start van een project kan hierbij ook gedacht worden aan voorbereidingswerkzaamheden, zoals opmaken van bestek, tekeningen e.d.;
  4. Per balansdatum al een betrouwbare schatting kan worden gemaakt van de eventueel terug te vorderen subsidie (dit corrigeren op de last). Dan wordt een vordering opgenomen in de jaarverslaggeving (inclusief correctie op de lasten) indien op een betrouwbare wijze kan worden ingeschat welk deel van de toegekende subsidies zal worden ingetrokken dan wel lager zal worden vastgesteld. Indien blijkt dat dit bijvoorbeeld op basis van de afgelopen jaren geen constant beeld oplevert en derhalve geen betrouwbare inschatting gemaakt kan worden, dan wordt de vordering uit voorzichtigheid nog niet verantwoord.

Baten en winsten worden slechts genomen voor zover zij op balansdatum zijn gerealiseerd. Verliezen en risico's die hun oorsprong vinden voor het einde van het begrotingsjaar, worden in acht genomen indien zij voor het opmaken van de jaarrekening bekend zijn geworden.

Dividenden zijn verantwoord in het jaar waarin het besluit tot toekenning van het dividend door de algemene vergadering van de vennootschap is genomen.

Personeelslasten worden in principe toegerekend aan het boekjaar waarop ze betrekking hebben. Als gevolg van het formele verbod op het opnemen van voorzieningen c.q. schulden uit hoofde van jaarlijks terugkerende arbeidskosten gerelateerde verplichtingen van vergelijkbaar volume worden sommige personele lasten echter toegerekend aan de periode waarin uitbetaling plaatsvindt. Daarbij moet worden gedacht aan componenten zoals ziektekostenpremie ten behoeve van gepensioneerden, overlopende vakantiegeld- en verlofaanspraken en dergelijke.
Voor arbeidskosten gerelateerde verplichtingen van een jaarlijks vergelijkbaar volume wordt geen voorziening getroffen of op andere wijze een verplichting opgenomen.

Uitgaven ten laste van bestemmingsreserves worden op de exploitatie verantwoord, uitgaven ten laste van voorzieningen worden direct ten laste van de desbetreffende balanspost gebracht. Toevoegingen aan en bijdragen van reserves worden verantwoord bij de resultaatsbestemming. De toevoeging aan en vrijval van voorzieningen wordt in het overzicht van baten en lasten verantwoord.

Aan investeringen wordt geen overhead toegerekend.
De vaste activa zijn gewaardeerd tegen de verkrijgings- of vervaardigingsprijs. Specifieke investeringsbijdragen van derden worden op de desbetreffende investering in mindering gebracht; in die gevallen wordt op het saldo afgeschreven.
De immateriële vaste activa worden gewaardeerd tegen de verkrijgingsprijs c.q. de vervaardigingsprijs verminderd met de afschrijvingen.
De obligaties worden gewaardeerd tegen nominale waarde omdat ze aangehouden worden tot einde looptijd. Wat bij aankoop meer (of minder) wordt betaald wordt als agio (of disagio) geactiveerd en afgeschreven over de looptijd van de betreffende obligaties.
Kosten voor onderzoek en ontwikkeling niet worden geactiveerd.
Bijdragen van derden die een directe relatie hebben met het vast actief, in mindering worden gebracht op waardering van het actief.
Bijdragen aan investeringen van derden worden niet geactiveerd. Investeringsbijdragen van de provincie aan gemeenten en andere instellingen worden niet geactiveerd maar ineens ten laste van de exploitatie gebracht conform het besluit van PS bij Voorjaarsnota 2010.

Het BBV schrijft voor dat de financiële begroting dient te bestaan uit:

I      het overzicht van lasten en baten op autorisatieniveau met toelichting;
II    de uiteenzetting van de financiële positie met toelichting.

Afschrijvingsbeleid

De materiële vaste activa met economisch nut en de investeringen in de openbare ruimte met maatschappelijk nut worden afgeschreven rekening houdend met de actuele regelgeving en overeenkomstig de normen gangbaar in het maatschappelijk verkeer.

De materiële vaste activa met economisch nut worden lineair afgeschreven in maximaal:

  • 25 jaar : bedrijfsgebouwen
  • 25 jaar : vervoermiddelen
  • 15 jaar: machines, apparaten en installaties;
  • 15 jaar: meubilair;
  • 7 jaar: Laad-infrastructuur;
  • 3 jaar: informatie en communicatie-technologie.

Activa met economisch nut en een verkrijgingprijs van minder dan € 250.000 worden niet geactiveerd, uitgezonderd gronden en terreinen. Deze laatst genoemden worden altijd geactiveerd.

De materiële vaste activa in de openbare ruimte met maatschappelijk nut worden lineair afgeschreven in maximaal:

  • 15 jaar wegen
  • 15 jaar infra-projecten.

Afschrijvingen geschieden onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar.
Op geactiveerde investeringen van vóór 2017 in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut kan extra worden afgeschreven.
Een actief dat buiten gebruik wordt gesteld, wordt op het moment van buitengebruikstelling voor de resterende boekwaarde afgeschreven.

Financiële vaste activa

De financiële vaste activa zijn gewaardeerd tegen de oorspronkelijke verkrijgingsprijs (de inkoopprijs en de bijkomende kosten), de jaarlijkse aflossingen, afschrijvingslasten en afwaarderingen wegens duurzame waardeverminderingen.
Duurzame waardeverminderingen van vaste activa worden onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar in aanmerking genomen. Zo nodig is een voorziening voor verwachte oninbaarheid op de boekwaarde in mindering gebracht.

De kapitaalverstrekkingen aan de deelnemingen zijn gewaardeerd tegen verkrijgingsprijs. Indien de waarde van de aandelen onverhoopt structureel mocht dalen tot onder de verkrijgingsprijs vindt afwaardering plaats.
Uitzondering hierop zijn de deelnemingen NV BNG, NV Waterschapsbank, Enexis Holding NV, Publiek belang elektriciteitsproductie NV,NV Brabant Water, NV Delta Nutsbedrijf, NV Eindhoven Airport, BV TOM en CV TOM. De kapitaalverstrekking aan deze deelnemingen is op € 0 gewaardeerd.

Verstrekte leningen zijn opgenomen tegen nominale waarde. Zo nodig is een voorziening voor verwachte oninbaarheid in mindering gebracht.

Vlottende activa

De voorraden worden gewaardeerd tegen verkrijgingsprijs of lagere marktwaarde.

De onderhanden werken grondexploitatie zijn opgenomen tegen de verkrijgings- of vervaardigingsprijs, verminderd met de opbrengst wegens verkopen. Indien de boekwaarde de marktwaarde van de grond overschrijdt, wordt een afwaardering naar de lagere marktwaarde verantwoord/wordt een voorziening voor het verwachte negatieve resultaat getroffen.

De overige uitzettingen met een rentetypische looptijd korter dan één jaar (obligaties) worden gewaardeerd tegen nominale waarde of duurzaam lagere waarde. De nominale waarde van de beleggingsportefeuille wordt bepaald door de aflossingsbedragen van de obligaties zoals deze na afloop van betreffende looptijd van de effecten plaatsvinden.

De vorderingen worden gewaardeerd tegen de nominale waarde. De voorziening wordt op peil gehouden door een jaarlijkse schatting van oninbaarheid.

De liquide middelen worden tegen nominale waarde opgenomen.

De overlopende activa zijn gewaardeerd tegen nominale waarde.
Zo nodig is een voorziening voor verwachte oninbaarheid in mindering gebracht

Vaste passiva

De reserves zijn gewaardeerd tegen de nominale waarde. Toevoegingen en onttrekkingen vinden plaats op basis van besluiten van Provinciale Staten en geschieden altijd in het kader van resultaatbestemming.

De voorzieningen zijn met uitzondering van de voorziening APPA (Algemene Pensioenwet Politieke Ambtsdragers) en de risicovoorziening algemeen, gewaardeerd op het nominale bedrag van de daaraan ten grondslag liggende verplichtingen c.q. de voorziene verliezen.
De voorziening APPA en risicovoorziening algemeen zijn opgenomen tegen contante waarde.

De vaste schulden, schulden met een rentetypische looptijd van één jaar of langer, worden gewaardeerd tegen de nominale waarde minus de aflossingen.

Vlottende passiva

De vlottende passiva worden gewaardeerd tegen de nominale waarde.

Waarborgen en garanties

Voor zover leningen door de provincie gewaarborgd zijn, wordt hiervan in de begroting en jaarstukken in de bijlagen een specificatie opgenomen. Dat geldt ook voor de afgegeven garanties. (zie bijlagenbundel bijlage 13 a en b).

Autorisatieniveau begroting

Het BBV legt het autorisatieniveau van de begroting op het totaal van de lasten en baten per programma. Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben er in 2004 voor gekozen het autorisatieniveau niet te bepalen op programmaniveau maar op het totaal van de programmatische lasten en van de baten van de productgroepen die bij die begrotingsprogramma’s horen.

Basis

De begroting 2019 bestaat uit de oorspronkelijke ramingen van ongewijzigd beleid met daarbij de ramingen van de doorwerking van PS-besluiten en GS-besluiten t/m 21 augustus 2018.
Uitgangspunt voor de begroting en de meerjarenraming, is het financieel perspectief dat ten behoeve van de perspectiefnota (PS 20/18) is opgesteld, met daaraan toegevoegd de effecten van de bestuursrapportage (PS 44/18).

Algemene dekkingsmiddelen - Provinciefonds
De opgenomen uitkering is gebaseerd op de meicirculaire 2018 van het provinciefonds, waarbij het vermelde accres 2019 vanuit voorzichtigheidsoogpunt nog niet volledig is geraamd.

Algemene dekkingsmiddelen - Opcenten motorrijtuigenbelasting
De geraamde opcenten zijn gebaseerd op het meest recent houderschapsbestand van de belastingdienst en een gelijkblijvend opcententarief van 76,1, zoals besloten in het bestuursakkoord 2015-2019. Het opcententarief wordt dus niet geïndexeerd.
Het opcententarief voor het jaar 2019 wordt gelijktijdig met de begroting door PS vastgesteld.

Indexering
De systematiek in de begroting was er tot en met begrotingsjaar 2015 op gericht dat de indexatie van de inkomsten (vooral uit de opcentenheffing op de motorrijtuigenbelasting) voldoende ruimte bood om aan de uitgavenkant de loon- en prijsgevoelige uitgaven ook te indexeren. Omdat bij het bestuursakkoord 2015-2019 besloten is de MRB de komende jaren niet te indexeren, is er feitelijk geen ruimte om de uitgaven jaarlijks te indexeren. Om die reden wordt gedurende deze bestuursperiode de jaarlijkse loon- en prijsbijstelling, die was geraamd op 2% per jaar voor het loondeel en 1% voor het prijsdeel, achterwege gelaten. De in de begroting opgenomen meerjarenraming 2020 en verder is gebaseerd op het doortrekken van structurele middelen vanuit 2019 en derhalve zijn de bedragen vanaf 2020 niet geïndexeerd. Voor het indexeren van de begroting vanaf begrotingsjaar 2020 is een stelpost beschikbaar van ca € 4 mln. Het indexeren van de uitgavenkant van de begroting vanaf begrotingsjaar 2020 moet opnieuw worden bezien.

Rente

Op de reserves wordt geen rente bijgeschreven.
De provincie hanteert een gesloten rentesysteem waarbij het saldo van de rentekosten en rente-inkomsten wordt opgevangen binnen de Dividend- en rentereserve.
De rentelasten van investeringen maken deel uit van het gesloten rentesysteem dat de provincie hanteert en komen in de begroting tot uitdrukking in het onderdeel algemeen financieel beleid.

Salariskosten

De structurele salariskosten zijn gebaseerd op de toegestane formatiesterkte op basis van een 36-urige werkweek.
Op 22 mei 2017 hebben IPO-bestuur en bonden ingestemd met een CAO voor provincies die loopt van 1 januari 2017 t/m 31 december 2018.

Toerekening organisatiekosten
De personeelskosten en de kosten van de ondersteunende activiteiten van de bedrijfsvoering worden tot de organisatiekosten gerekend. Definitieve toewijzing van capaciteit aan de opgaven voor 2019 moet nog plaatsvinden. Vooruitlopend daarop is in de begroting een inschatting gemaakt van de verwachte directe inzet van personeel op programmaniveau. De hiermee samenhangende organisatiekosten zijn op basis van deze geraamde directe inzet van fte’s aan de begrotingsprogramma’s toegerekend. De niet direct toe te rekenen kosten worden in lijn met de gewijzigde regelgeving van het BBV als onderdeel van de overhead in de begroting opgenomen bij het onderdeel algemeen financieel beleid.

Investeringen

In paragraaf 8 van de begroting zijn de investeringen van de investeringsagenda opgenomen.
Daarnaast kent de provincie nog een regulier investeringsschema aan provinciale investeringen die geactiveerd worden en over meerdere jaren worden afgeschreven, voornamelijk provinciale wegen. De specificatie van deze reguliere investeringen is opgenomen in bijlage 17 van de bijlagenbundel.

Van de geactiveerde investeringen uit het reguliere investeringsschema zijn de geraamde kosten van afschrijvingen in de begroting opgenomen. Alle vervangingsinvesteringen van de provincie maken deel uit van het reguliere investeringsschema.

De afschrijvingslasten voor de investeringen in de wegen-infrastructuur zijn onderdeel van programma 5 Mobiliteit. De afschrijvingslasten van het provinciehuis en ICT-automatisering vormen onderdeel van de paragraaf bedrijfsvoering en worden onder de kosten van overhead in de begroting opgenomen.

Onderhoud kapitaalgoederen

De in de begroting opgenomen lasten voor onderhoud van wegen, vaarwegen en provinciale gebouwen zijn gebaseerd op de vigerende onderhoudsplannen.
Er is in de begroting geen sprake van achterstallig onderhoud.

Reserves

Reserves worden ingesteld, opgeheven en samengevoegd bij PS-besluit.
Voor elke nieuw in te stellen bestemmingsreserve wordt aan PS een instellingsbesluit voorgelegd met de volgende gegevens:

  • Doelstelling en gebruik;
  • Toegestane minimum en maximumstand;
  • Toevoegingen en onttrekkingen;
  • Bepalingen omtrent opheffing/looptijd reserve;
  • Eventuele rentetoevoeging.

Het college biedt PS één keer per vier jaar een nota reserves aan. Deze nota wordt door PS vastgesteld en behandelt:

  • de vorming en de besteding van de reserves;
  • de eventuele rentetoevoeging aan de reserve(s);
  • de bepalingen omtrent de opheffing/looptijd van de reserves.

Indien een bestemmingsreserve voor een bepaald doel rekening houdend met de bepalingen voor opheffing/de aangegeven maximale looptijd niet heeft geleid tot de realisering van dat doel, valt de bestemmingsreserve vrij en wordt deze aan de algemene reserve toegevoegd.

Mutaties in reserves
Het eigen vermogen van de provincie bestaat uit de Algemene reserve en uit de bestemmingsreserves.
Op blz. 173/174 zijn de geraamde toevoegingen en onttrekkingen aan de reserves opgenomen. De ramingen zijn gebaseerd op de instellingsbesluiten van de reserves zoals die door PS zijn vastgesteld. PS besluiten over de mutaties in de reserves en kunnen ook een andere bestemming aan de gelden in de reserves geven.

Vennootschapsbelasting

De vennootschapsbelastingplicht voor overheidsondernemingen is per 1 januari 2016 ingevoerd
De voorlopige inschatting is dat de af te dragen VPB in de begroting 2019 niet materieel van aard is.

I Financiële positie: Overzicht van lasten en baten

Autorisatie en overzicht van lasten en baten

In het overzicht van lasten en baten worden de lasten, de baten en het saldo van de begroting conform artikel 17 van het Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten (BBV) gerecapituleerd.
De door PS te autoriseren begrotingsbedragen zijn (in overeenstemming met de BBV-regelgeving) in één overzicht van lasten en baten opgenomen. De lasten en baten in dit overzicht sluiten aan bij de overzichten van lasten en baten zoals die bij elke productgroep in de begrotingsprogramma’s zijn opgenomen.

Een meerjarig overzicht van de lasten en baten in de begroting per programma c.q. productgroep is opgenomen in de bijlagenbundel-bijlage 1.

Een meerjarig gedetailleerd overzicht ingedeeld naar de vanaf begroting 2017 voorgeschreven taakvelden is opgenomen in de door GS vast te stellen “Uitvoeringsinformatie 2019”. Zie bijlagenbundel bijlage 4.

Overzicht van lasten en baten begroting 2019 (BBV art.17) Bedragen x € 1.000
Lasten Baten Saldo
01 Programma Bestuur
01.01 Provinciebestuur 9.959 2 -9.957
01.02 Bestuurlijke samenwerking 3.104 -3.104
01.03 Interbestuurlijk toezicht 78 -78
Toegerekende organisatiekosten 6.673 -6.673
Totaal programma 19.813 2 -19.811
02 Programma Ruimte
02.01 Ruimtelijke ontwikkeling van het mozaïek 28.251 10.449 -17.802
02.02 Agrofood 10.631 -10,631
Toegerekende organisatiekosten 10.257 -10.257
Totaal programma 49.140 10.449 -38.691
03 Programma Natuur, water en milieu
03.01 Water 29.192 3.800 -25.392
03.02 Milieu 38.920 2.163 -36.757
03.03 Natuur en Landschap 72.858 3.211 -69.648
03.04 Natuurnetwerk Brabant 1.100 -1.100
Toegerekende organisatiekosten 14.853 -14.853
Totaal programma 156.923 9.174 -147.749
04 Programma Economie
04.01 Algemeen economisch beleid 42.802 18.123 -24.679
04.02 Economisch programma Brabant 7.715 -7.715
04.04 Duurzame energie en energietransitie 4.087 181 -3.906
Toegerekende organisatiekosten 7.496 -7.496
Totaal programma 62.099 18.304 -43.796
05 Programma Mobiliteit
05.01 Mobiliteit 109.670 29.206 -80.465
05.02 Openbaar vervoer 49.457 872 -48.585
05.03 Infrastructuur/provinciale wegen 87.750 17.547 -70.203
Toegerekende organisatiekosten 15.871 -15.871
Totaal programma 262.748 47.625 -215.123
06 Programma Cultuur en samenleving
06.01 Cultuur 24.430 48 -24.382
06.02 Erfgoed 19.762 679 -19.083
06.03 Sociale veerkracht 5.717 84 -5.633
Toegerekende organisatiekosten 3.756 -3.756
Totaal programma 57.563 811 -56.752
Algemeen financieel beleid
31.02 Algemene dekkingsmiddelen
- Heffing opcenten motorrijtuigenbelasting 257.000 257.000
- Algemene uitkeringen / decentralisatie-uitkeringen 252.136 252.136
- Dividenden 31.031 31.031
- Financieringsfunctie 10.499 66.272 55.773
- Overige algemene dekkingsmiddelen 10 10
Totaal 31.02 10.499 606.448 595.949
31.03 Overhead, VPB en stelposten
- Geraamde kosten van overhead 58.035 -58.035
- Geraamde bedrag van de heffing van de vennootschapsbelasting 0
- Stelposten (exclusief onvoorzien) 49.572 -49.572
- Onvoorzien 1.308 -1.308
Totaal 31.03 108.916 -108.915
Totaal algemeen financieel beleid 119.415 606.448 487.034
Totaal lasten en baten 727.700 692.813
Totaal saldo van baten en lasten -34.887
Toevoegingen aan reserves 327.091 -327.091
Onttrekkingen aan reserves 361.978 361.978
Geraamd resultaat 0

De toevoegingen en onttrekkingen aan de reserves vinden plaats overeenkomstig de  door PS vastgestelde instellingsbesluiten van de reserves.
De onttrekkingen aan de reserves vinden plaats ter dekking van de uitgaven die bij de  verschillende programma’s in de begroting zijn geraamd.

Toevoegingen en onttrekkingen aan reserves Bedragen x € 1.000
Storting Onttrekking
Programma 2 Ruimte
- Reserve grondportefeuille de Kempen 50
- Reserve investeringsagenda 3.855
- Reserve ontwikkelbedrijf 2.761
Programma 3 Natuur, water en milieu
- Reserve natuurbeheer en ontwikkeling 47.207
- Reserve DU bodem 9.142
- Reserve Investeringsagenda 8.861
- Reserve PMWP 24.365
- Reserve natuur en landschapsbeleid 13.470
Programma 4 Economie
- Reserve Europese programma’s 11.764
- Reserve Investeringsagenda 7.477
Programma 5 Mobiliteit
- Reserve DU verkeer en vervoer/spaar- & investeringsfonds 85.867
Programma 6 Cultuur en samenleving
- Reserve instandhouding onroerend erfgoed 3.100
- Reserve Investeringsagenda 10.216
Algemeen financieel beleid
Algemene reserve
- Alg.reserve component Overheveling 3.204
- Algemene reserve doorgeschoven ruimte 42.347 87.967
- Algemene reserve voorfinanciering 1.500
- Algemene reserve BA middelen 300
- Risicoreserve 245 229
Reserve Essent
- Immunisatieportefeuille 9.358 9.358
- Investeringsagenda 5.244 3.948
- Balansverkorting 30.000
- Dividend en rentereserve 5.947 31.643
Res.Co-financiering Europese programma's 2.390
Res.instandhouding onroerend erfgoed 2.291
Reserve RLG 17.315
Reserve Ontwikkelbedrijf 4.122
Reserve DU Natuur 63.976
Reserve DU bodem 6.169
Reserve PMWP 13.295
Reserve Spaar- & Investeringsfonds/DU verkeer en vervoer 118.828
Reserve persoonlijk ontwikkelbudget 860 400
327.091 361.978
Totaal lasten + stortingen in reserves (a) 1.054.790
Totaal baten + onttrekkingen aan reserves (b) 1.054.790
Geraamd resultaat (b-/- a) 0

II Uiteenzetting van de financiële positie

Inleiding

De belangrijkste verschillen tussen de begroting 2019 en de begroting 2018 zijn per productgroep toegelicht in de uitwerking van de programma’s van de begroting.

Een gezonde financiële positie van de provincie komt in de begroting en meerjarenraming tot uitdrukking in een adequaat weerstandsvermogen en in een sluitende begroting.

Weerstandsvermogen

Voor een toelichting op het weerstandsvermogen wordt verwezen naar de paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing. De beschikbare weerstandscapaciteit van de provincie valt lager uit dan de benodigde capaciteit. De verhouding tussen de beschikbare en de benodigde weerstandscapaciteit blijft binnen de voorgestelde bandbreedte.

Sluitende begroting en structureel evenwicht

Uit de regel “Geraamd resultaat” in onderstaande tabel blijkt dat de begroting precies in evenwicht is. De lasten + de toevoegingen aan de reserves zijn gelijk aan de baten + de onttrekkingen aan de reserves. Daarmee is sprake van een sluitende begroting.

Structureel evenwicht
Om vast te stellen of er naast een sluitende begroting voor het jaar 2019 ook sprake is van een structureel evenwicht, schrijft het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV) voor, dat een limitatief overzicht in de begroting wordt opgenomen van de incidentele lasten en incidentele baten. Dit limitatief overzicht van de incidentele lasten en baten zoals bedoeld in BBV artikel 19 is in bijlage 3 opgenomen.

Op basis van dit limitatieve overzicht zijn in onderstaande tabel de incidentele en structurele componenten van de lasten en baten inzichtelijk gemaakt.
Uit de tabel blijkt dat de begroting 2019 structureel evenwicht kent, de structurele baten van de jaren 2019 tot en met 2022 zijn hoger dan de structurele lasten.

In onderstaande grafiek is het begrotingsevenwicht in beeld gebracht. Daarbij zijn de structurele en de incidentele elementen inzichtelijk gemaakt.

N.B. Het BBV schrijft voor dat incidentele lasten en baten, lasten en baten zijn die niet langer dan drie jaar in de begroting voorkomen.
Dit BBV-voorschrift vereist verder dat wordt aangegeven welke toevoegingen en onttrekkingen aan reserves als structureel zijn te beschouwen. In het BBV wordt er in principe van uitgegaan dat alle toevoegingen en onttrekkingen aan de reserves incidenteel van aard zijn, maar afwijkingen op deze regel zijn mogelijk.

De toevoegingen en onttrekkingen aan de reserves in de begroting 2019 en de meerjarenraming 2020-2022 worden door de provincie als incidenteel beschouwd.
NB een overzicht van beoogde structurele toevoegingen en onttrekkingen aan reserves blijft daarom achterwege.

 

Arbeidskosten gerelateerde verplichtingen

Inleiding

In het Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten (BBV) is bepaald dat de arbeidskosten gerelateerde verplichtingen van een jaarlijks vergelijkbaar volume onderdeel vormen van de uiteenzetting over de financiële positie in de begroting.
Deze verplichtingen zijn ook in de meerjarenraming opgenomen.
Bedragen zijn exclusief indexering (prijspeil 2018).

Ambtelijk apparaat

Vakantiegeld

Met ingang van 2015 is in de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies (CAP) is het vakantiegeld onderdeel geworden van het Individueel Keuze-Budget, dat binnen het kalenderjaar volledig moet zijn opgenomen. Daarmee is er ultimo van het boekjaar geen verplichting meer van opgebouwd vakantiegeld.

Wachtgelden en aanvullende uitkeringen aan vml. personeel (op de eigen payroll)

Van de vroegere wachtgelduitkeringen aan personeel eindigt de laatste wachtgeld-uitkering in 2017 als gevolg van het bereiken van de pensioengerechtigde/AOW-leeftijd. In 2018 komen deze dus niet meer voor.

Inkomensvoorziening vml. personeel via uitkeringsinstantie / detacheringsorganisatie (werkloosheid, gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, suppletie en inkomensgarantie)

De Provincie is eigenrisicodrager voor de WW- en de WGA-uitkeringen o.g.v. de Wet Inkomen en Arbeid. Dat geldt uiteraard ook voor het bovenwettelijk deel van de WW. De uitkeringsinstanties die deze voorzieningen uitvoeren declareren de kosten maandelijks bij de provincie.
Voor 2018 wordt rekening gehouden met een totaal volume aan uitkeringslasten van ca. € 315.000, alsmede met de uitvoeringskosten die de uitkeringsinstantie in rekening brengt van ca. € 1000.
Deze verplichtingen zijn meerjarig als volgt weer te geven:

Bedragen x €.1.000 2019 2020 2021 2022
uitkeringen 300 300 300 300
uitvoeringskosten 1 1 1 1

Bestuur

Verplichtingen inzake pensioenen van (voormalig) gedeputeerden (o.g.v. de Wet APPA)
Voor deze verplichtingen is een permanente voorziening beschikbaar. Deze verplichtingen worden hier niet meer opgenomen.

Verplichtingen inzake wachtgelden van (voormalige) statenleden
De vroegere wachtgeldregeling voor Statenleden is inmiddels beëindigd. O.g.v. de overgangsregeling konden alleen Statenleden die bij de afgelopen verkiezingen niet terugkeerden als Statenlid, nog gebruik maken van die wachtgeldregeling. Die verplichtingen zijn in 2017 geëindigd.

Geprognosticeerde balans

Geprognosticeerde balans

De laatste financiële balans van de provincie Noord-Brabant is opgenomen in de jaarrekening 2017. Onderstaand is die balans verkort weergegeven met daarbij de geprognosticeerde cijfers per 31 dec 2018 t/m 31 dec 2022.
Voor wat betreft de vaste activa en de lange passiva zijn deze geprognosticeerde cijfers gebaseerd op de in de BBV voorgeschreven verloopoverzichten.

Een gespecificeerd overzicht van het verloop van de boekwaarde van de vaste activa gedurende de periode 2018-2022, inclusief de daarbij gehanteerde afschrijvingsmethodiek, is opgenomen in de bijlagen 7 t/m 9.

Verreweg het grootste deel van de vaste activa betreft de financiële vaste activa bestaande uit:

  • aangeschafte obligaties (voornamelijk uit de opbrengst verkoop Essent);
  • de balanswaarde van de deelnemingen (Bijlagenbundel-bijlage 9a);
  • de verstrekte geldleningen (bijlagenbundel-bijlage 9c);
  • de uitzettingen langer dan 1 jaar (bijlagenbundel- bijlage 9d)

Een gespecificeerd overzicht van het verloop van de passiva is opgenomen in de bijlagenbundel in bijlage 10 reserves, bijlage 11 voorzieningen en bijlage 12 opgenomen geldleningen.

Voor de vlottende activa en de korte passiva kent het BBV ten tijde van de begroting geen regelgeving. Op advies van het Ministerie van BZK is voor deze geprognosticeerde cijfers het gemiddelde van de laatste drie jaarrekeningen aangehouden.

Verleende garanties en waarborgen

Verleende garanties en waarborgen

Buiten de balans worden in de jaarrekening de borg- en garantstellingen toegelicht. Hoewel het BBV geen voorschriften kent om deze ook in de begroting op te nemen wordt onderstaand toch een uiteenzetting hiervan gegeven met het oog op en juist beeld van de financiële positie.
De gewaarborgde geldleningen en de door de provincie afgegeven garanties zijn opgenomen in de bijlage 14.

* Het beleid van de provincie is er op gericht om de gewaarborgde geldleningen aan zorginstellingen onder te brengen bij het waarborgfonds voor de zorgsector (WFZ). Zie bijlage 13a Gewaarborgde geldleningen. In 2017 zijn de laatste gewaarborgde geldleningen naar het WFZ overgegaan.

** De provincie Noord-Brabant heeft een aandeel van 13,1% in de gemeenschappelijk (met andere provincies) gewaarborgde geldleningen aan het nationaal groenfonds. Het aandeel van Noord-Brabant is in bovenstaande tabel vermeld. De specificatie is opgenomen in bijlage 13a Gemeenschappelijk gewaarborgde geldleningen.

*** De hier opgenomen bedragen betreffen de door de provincie afgegeven garanties waarop de reeds gerealiseerde aanspraken in mindering zijn gebracht. De specificatie hiervan is opgenomen in bijlage 13b Garantieverplichtingen.

II Kengetallen financiële positie

Inleiding

Het besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten schrijft voor dat in de begroting en jaarstukken een reeks van verplichte financiële kengetallen moet worden opgenomen. Het opnemen van de kengetallen in de begroting past in het streven naar meer transparantie. Tevens wordt beoogd provinciale staten in staat te stellen gemakkelijker inzicht te krijgen in de financiële positie met het oog op hun kaderstellende en controlerende rol.
Daarnaast wordt met de invoering van de kengetallen een verbetering van de onderlinge vergelijkbaarheid en de signaalfunctie beoogd.

De voorgeschreven kengetallen betreffen:
1a Netto schuldquote*
1b Netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen*
2 Solvabiliteitsratio*
3 Grondexploitatie*
4 Structurele exploitatieruimte
5 Belastingcapaciteit

* Het BBV kent geen regels voor de presentatie van vlottende activa en korte passiva ten tijde van de begroting. De balanswaarde van de vlottende activa en korte passiva per 31 december 2018 en per 31 december 2019 t/m 31 december 2022 kan op basis van de huidige regelgeving niet eenduidig worden bepaald. Op advies van het ministerie van BZK is voor de waarden van de vlottende activa en korte passiva het gemiddelde genomen van de balanswaarde in de jaren 2015 t/m 2017.
Een nadere uitwerking van de kengetallen is opgenomen in de uitwerking van de paragraaf weerstandsvermogen (bijlagenbundel-bijlage 15).

Een benchmark van de kengetallen financiële positie van Nood-Brabant met de andere provincies is opgenomen in de bijlagenbundel-bijlage 16.

Kengetallen financiële positie

Ad 1a) Netto schuldquote
De netto schuld weerspiegelt het niveau van de schuldenlast van de provincie ten opzichte van de eigen middelen. De netto schuldquote geeft een indicatie van de druk van de rentelasten en de aflossingen op de exploitatie.

De schuldquote komt voor Noord-Brabant gunstig uit. Vanwege de aanzienlijke omvang van het eigen vermogen is de netto schuld negatief.

Ad 1b) Netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen
Om inzicht te verkrijgen in hoeverre sprake is van doorlenen wordt de netto schuldquote zowel in- als exclusief doorgeleende gelden weergegeven (netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen). Op die manier wordt duidelijk in beeld gebracht wat het aandeel van de verstrekte leningen is en wat dit betekent voor de schuldenlast.

Het verschil tussen 1a de netto schuldquote en 1b de gecorrigeerde netto schuldquote wordt veroorzaakt door het effect van de door de provincie verstrekte leningen (zie bijlage 9c Verstrekte geldleningen).

Ad 2) Solvabiliteitsratio
Dit kengetal geeft inzicht in de mate waarin de provincie in staat is aan haar financiële verplichtingen te voldoen. Onder de solvabiliteitsratio wordt verstaan het eigen vermogen (= reserves) als percentage van het balanstotaal.

Met een solvabiliteitspercentage van 78,1% in 2019 komt de provincie uit op een zeer gezonde vermogenspositie.

Ad 3) Grondexploitatie
Voor de berekening van dit kengetal worden de niet in exploitatie genomen gronden en de bouwgrond in exploitatie bij elkaar opgeteld en gedeeld door de totale baten uit de programmabegroting of jaarstukken en uitgedrukt in een percentage.

Ad 4) Structurele exploitatieruimte
De structurele exploitatieruimte wordt bepaald door het saldo van de structurele baten en lasten gedeeld door de totale baten en uitgedrukt in een percentage.

Kanttekening hierbij is wel dat Noord-Brabant alle mutaties in de reserves als incidenteel aanmerkt. Los van de regelgeving van het BBV hanteert BZK als toezichthouder de regel dat onttrekkingen aan reserves - die bedoeld zijn om afschrijvingslasten van investeringen te dekken - als structureel kunnen worden aangemerkt. Noord-Brabant heeft dat soort onttrekkingen wel, maar presenteert ze niet als structurele component. Als Noord-Brabant dat wel zou doen zou de structurele exploitatieruimte iets hoger uitkomen.

Als de structurele baten hoger zijn dan de structurele lasten bevordert dat de wendbaarheid (flexibiliteit) van de begroting.

Ad 5) Belastingcapaciteit
De belastingcapaciteit van provincies wordt berekend door het aantal opcenten in jaar t te vergelijken met het gemiddelde van het aantal opcenten van alle provincies in jaar t-1 en uit te drukken in een percentage.
Bij het bestuursakkoord “2015-2019- Beweging in Brabant” is besloten dat de provincie gedurende de looptijd van het bestuursakkoord 2015 t/m 2019 vasthoudt aan het opcententarief van 76,1.

N.B. De ingezette beweging om tot uniforme kengetallen te komen is een positieve ontwikkeling, maar daarbij worden wel de volgende kanttekeningen geplaatst:

  • Het BBV bevat geen nadere regels over de normering van de kengetallen m.b.t. de financiële positie. Normering wordt overgelaten aan provinciale staten en gemeenteraden. Verder verwacht het ministerie van BZK een normerende werking door publicatie van ranglijsten en de bepaling van signaalwaarden.
  • Daarbij geldt wel dat de interpretatieruimte in het BBV dusdanig groot is dat begrotingen/jaarrekeningen van provincies onderling en van gemeenten onderling zich op basis van dit soort kengetallen moeilijk laten vergelijken zolang het gemodificeerd stelsel van lasten en baten - dat ten grondslag ligt aan het BBV - onvoldoende houvast biedt voor een uniforme en eenduidige uitleg.