Meer
Publicatiedatum: 25-09-2017

Inhoud

Programma onderdelen

Paragrafen: bedrijfsvoering en overige

1. Bedrijfsvoering

Algemeen beeld van de paragraaf

We werken aan een opgavegestuurde netwerkorganisatie die denkt en handelt vanuit de opgaven van Brabant, op basis van duidelijke rollen en toegevoegde waarde van de provincie als bestuurslaag tussen rijk en gemeenten, midden in de samenleving. Dat doen we resultaatgericht, integraal en in samenwerking met onze partners.

Wat wil de provincie bereiken?

Programma ‘Beweging in de organisatie’
Om de doelstelling in de organisatieontwikkeling te realiseren is het meerjarig traject ‘Beweging in de organisatie’ in gang gezet. In dit programma is aandacht voor wat we doen, hoe we dat anders doen en wat dat vraagt van onze medewerkers en de ondersteunende organisatie. In 2017 heeft het programma bijgedragen aan het verder bouwen aan het opgavegestuurd werken. Daarnaast is ook gewerkt aan de bijbehorende wijziging van de topstructuur en is met de vakbonden een totaalpakket mobiliteit en vitaliteit overeengekomen waarmee we talent van alle leeftijden aan ons binden en uitstroom organiseren om nieuw talent aan te kunnen trekken.

Opgavegestuurd werken
In 2018 wordt voor de gewenste beweging nog meer ingezet op het in samenhang agenderen, programmeren en acteren vanuit één gemeenschappelijk verhaal waarin de opgaven centraal staan. Het ‘Leren door doen’ staat hierbij centraal. Zo start een leerlijn die teams ondersteunt in hun vernieuwende manier van samenwerken met partners buiten: resultaatgericht, integraal en vernieuwend.

Professionals met ruimte
Beweging in de organisatie betekent ook iets voor de provinciale medewerkers. Eind 2018 zijn stappen gezet richting een netwerk voor Brabant waar medewerkers van (overheids)organisaties nog beter uitwisselbaar zijn om samen te werken aan de opgaven van Brabant. Ook hebben we onze contacten met het onderwijs geïntensiveerd en dragen studenten nadrukkelijk bij aan de opgaven van Brabant, onder andere door de studentchallenges die wij organiseren.
We blijven sturen op de kwaliteit en de inzet van talenten van medewerkers op de juiste plek in de organisatie door middel van strategisch personeelsbeleid (zowel kwalitatief als kwantitatief). Ook blijven we werken aan een goed samenspel tussen de aansturing van programma’s (programmamanagers) en de ontwikkeling en coaching van onze medewerkers (door de H-managers; leidinggevenden). De focus ligt daarbij op flexibel inzetbare medewerkers zodat er ruimte is om in te kunnen spelen op veranderende opgaven en taken. We creëren ruimte voor instroom van medewerkers met frisse inzichten en competenties die nu en in de toekomst nodig zijn. Als maatschappelijk betrokken organisatie zorgen we ervoor dat er binnen onze organisatie plek is voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt en kansen voor studenten en scholieren om hun eerste werkervaringen op te doen.

Een organisatie die ondersteunt
Het op een vernieuwende wijze samenwerken met buiten vraagt ook een andere ondersteuning vanuit de organisatie. Extern spelen allerlei ontwikkelingen (het werk verandert, de digitale mogelijkheden nemen sterk toe) die vergen dat we onze interne dienstverlening continu verbeteren.
Om het mogelijk te maken dat onze professionals op een goede, makkelijke en moderne wijze hun werk in het netwerk kunnen uitvoeren, zorgen we voor processen, instrumenten en regelgeving die het samenwerken in het netwerk ondersteunen. Hiervoor worden in 2018 ondersteunende processen en software geïmplementeerd, zoals de verdere implementatie van Office365. Daarom vervolgen we in 2018 de aanpak vanuit de Lean-managementfilosofie om het beste uit onze medewerkers en processen te halen en werken we naar een kostenefficiënte bedrijfsvoering met kwalitatief hoogwaardige dienstverlening. Daarnaast werken we aan de doorontwikkeling naar een brede inkoopfunctie, doorontwikkeling en vereenvoudiging SAP Finance, digitalisering van P&C-cyclus en –producten, de voorbereidingen op de wet Normalisatie rechtspositie ambtenaren en komen we tot een regie-organisatie ICT.

Organisatiekostenbudget
Het organisatiekostenbudget (OKB) is het budget dat beschikbaar is om personele capaciteit te betalen en om de provinciale organisatie te laten functioneren. In de meerjarige ontwikkeling van het OKB (zie “wat mag het kosten”) zijn de taakstellingen op de organisatie vanuit het bestuursakkoord verwerkt. Het OKB vormt daarmee het taakstellend budget om de reguliere provinciale taken en de ambities uit het bestuursakkoord te realiseren. Een verdere toelichting op de meerjarenontwikkeling van het OKB en de spelregels betreffende het OKB is opgenomen als bijlage bij het voorstel tot vaststelling van de begroting (PS 66/17).

Wat gaat de provincie daarvoor doen?

Wat mag het kosten?

Toelichting op de verschillen tussen Begroting 2018 en 2017

Het totale organisatiekostenbudget 2018 neemt met € 1,8 mln af ten opzichte van de begroting van 2017. Deze afname resulteert uit het realiseren van de taakstelling uit het Bestuursakkoord ‘Beweging in Brabant’. Het beschikbare budget voor arbeidscapaciteit neemt met € 2,4 mln af. De geraamde afschrijvingslasten voor 2018 zijn t.o.v. 2017 toegenomen met € 0,7 mln door de investeringen die afgelopen jaren zijn gedaan.

Vanuit de vitaliseringsgelden is € 13 mln gereserveerd voor de realisatie van de doelstellingen van het totaalpakket maatregelen. Op moment dat er duidelijkheid is over de deelname aan en inzet van het totaalpakket, zullen de gereserveerde middelen in de exploitatie worden verwerkt.

2. Provinciale heffingen

2. Provinciale heffingen

 

 

Provinciale heffingen

De provincie kent verschillende bronnen van inkomsten. Eén van die bronnen betreft de provinciale heffingen die bestaan uit
- de heffing opcenten op de motorrijtuigenbelasting;
- de Grondwaterheffing en de Nazorgheffing in het kader van de Leemtewet;
- diverse leges.
De opcentenheffing op de motorrijtuigenbelasting genereert de hoogste inkomst (€ 249,5 mln in 2018).
De provincie kent geen kwijtscheldingsbeleid voor provinciale heffingen.

Opcenten motorrijtuigenbelasting

Op grond van artikel 222 van de Provinciewet worden provinciale opcenten geheven. Door het Rijk wordt elk jaar het maximumniveau van de opcentenheffing vastgesteld. De datum waarop provincies hun opcenten kunnen wijzigen is met ingang van 1 januari van enig jaar.

In de raming voor 2018 en verder is gelet op de afspraken in het bestuursakkoord 20156-2019 geen rekening gehouden met indexering.

Vanaf 1 januari 2014 zijn de categorie zeer zuinige auto’s en een gedeelte van de oldtimers weer onder de opcentenheffing komen te vallen. Op basis van de belastingcapaciteit per 1-1-2017 (omvang wagenpark in aantallen en gewicht) wordt in 2017 en 2018 rekening gehouden met een opbrengst van € 249,5 miljoen.

Provinciale lastendruk m.b.t. opcenten motorrijtuigenbelasting

Het door het Rijk vastgestelde maximale opcententarief is per 1 januari 2016 wettelijk bepaald op 111 opcenten Het maximale tarief 2018 is rekening houdend met de indexering bepaald op.111,8.

In de heffingsverordening opcenten MRB is voor 2017 het tarief vastgesteld op 76,1 opcenten (PS 80/16). Conform de afspraken bij het bestuursakkoord wordt dit tarief niet gewijzigd.

 In de kolom hieronder is een vergelijking opgenomen van de vastgestelde en voorgenomen opcententarieven van alle provincies.

 

 

Vastgesteld

Voorgenomen

Onbenutte belastingcapaciteit

 

 

tarief per

tarief per

uitgedrukt in percentages

 

 

per 1 jan 2017

per 1 jan 2018

per 1 januari 2018

1

Drenthe

92,0

92,0

17,7%

2

Zuid-Holland

91,4

91,4

18,2%

3

Groningen

88,6

89,3

20,1%

4

Gelderland

89,2

89,2

20,2%

5

Zeeland

82,3

82,3

26,4%

6

Overijssel

79,9

79,9

28,5%

7

Flevoland

78,2

79,0

29,3%

8

Limburg

77,9

77,9

30,3%

9

Noord-Brabant

76,1

76,1

31,9%

10

Utrecht

72,6

72,6

35,1%

11

Friesland

69,6

70,0

37,4%

12

Noord-Holland

67,9

67,9

39,3%

 

 

 

 

 

 

Gemiddeld tarief

80,5

80,6

 

 

Maximaal tarief

111,0

111,8

 



In de rangorde van opcentenheffing van hoog naar laag komt de provincie Noord-Brabant uit op een 9ee plaats. In 2017 blijft de lastendruk m.b.t. de opcenten op de motorrijtuigenbelasting in relatieve zin onder het landelijk gemiddelde. Naar verwachting geldt dit ook voor 2018.

Onbenutte belastingcapaciteit

  • De onbenutte belastingcapaciteit is het verschil tussen de theoretische opbrengst op basis van het wettelijk vastgestelde maximumtarief en de opbrengst gebaseerd op het tarief van de provincie.
  • De onbenutte belastingcapaciteit bedraagt rekening houdend met het maximale tarief van 111,8 opcenten ruim € 117 miljoen.
  • Er is een relatie tussen de opcentenheffing (omvang wagenpark in aantallen en gewicht) en de algemene uitkering uit het Provinciefonds. In het verdeelmodel van het fonds telt de belastingcapaciteit (tegen een algemeen rekentarief) mee als een (negatieve) inkomstenmaatstaf. Anders gezegd: een relatief grotere belastingcapaciteit (zoals in Noord-Brabant) leidt tot een naar verhouding lagere provinciefondsuitkering.

Grondwaterheffing en Nazorgheffing in kader van leemtewet

Grondwaterheffing
De grondwaterheffing wordt geheven over de hoeveelheid onttrokken grondwater. De bestedingsmogelijkheden van de heffing zijn limitatief in de Grondwaterwet opgenomen, namelijk kosten van onderzoek, metingen en schadevergoedingen in verband met de onttrekking van grondwater. De financiële verantwoording verloopt via de voorziening grondwaterheffing. Voor 2018 zijn de inkomsten grondwaterheffing geraamd op € 3,8 miljoen. De heffing vindt plaats op grond van de Grondwaterheffingsverordening die voor het laatst is gewijzigd op 9 december 2011 (PS 44/11). De baten uit de grondwaterheffing zijn in de begroting 2018 opgenomen bij productgroep 03.01 Water.

Nazorgheffing in kader Leemtewet
Op grond van de Wet milieubeheer is de provincie verantwoordelijk voor de nazorg van alle stortplaatsen waar na de peildatum 1 september 1996 nog afval wordt gestort. Om het eeuwigdurend milieuhygiënisch beheer door de Provincie van deze stortplaatsen te verzekeren is, conform in de wettelijke regeling is bepaald, een Nazorgfonds (een aparte rechtspersoon) ingesteld.
De exploitanten van de stortplaatsen moeten een nazorgplan opstellen en voorleggen aan de provincie. Op basis van de nazorgplannen wordt een doelvermogen bepaald. Om het doelvermogen op te bouwen wordt aan de stortplaatsbeheerders een heffing opgelegd die in het fonds wordt gestort. Hiermee is in april 2000 een start gemaakt.
De heffing vindt plaats op grond van de vastgestelde verordening Nazorgheffing Noord-Brabant die voor het laatst is gewijzigd op 25 februari 2011 (Statenvoorstel 86/11).
Op grond van de Wet milieubeheer is de opbrengst van de nazorgheffing uitsluitend bestemd voor de uitvoering van de nazorg van gesloten stortplaatsen.
De Provincie fungeert als ontvanger voor het Nazorgfonds. De gelden worden belegd in externe fondsen, conform het vastgestelde beleggingsstatuut. De beleggingsresultaten worden verrekend met de te betalen heffingen, zodanig dat voldoende vermogen wordt opgebouwd om de zorg op de stortplaatsen uit te kunnen voeren. Het Nazorgfonds heeft een eigen begroting die door het Algemeen bestuur van het fonds wordt vastgesteld.
Naar verwachting zullen in 2017 de uitkomsten bekend worden van een ALM-studie (Asset-Liability management) die in 2016 is opgestart. De ALM-studie moet meer inzicht geven in de ontwikkelingen van de verplichtingen voor de nazorg in relatie tot de aanwezige bezittingen in het Nazorgfonds.

Op dit moment zijn er in Brabant negen (baggerspecie)stortplaatsen waarop de wettelijke regeling van toepassing is:
1. De Kragge, Bergen op Zoom
2. RAZOB, Nuenen
3. Spinder, Tilburg
4. Meerendonk, ‘s-Hertogenbosch
5. Zevenbergen
6. Haps
7. Vlagheide, Schijndel
8. Nyrstar, Budel
9. Baggerdepot Dintelsas

De baten uit de nazorgheffing zijn in de begroting opgenomen bij productgroep 03.02 Milieu. In 2014 is een definitieve afrekening gemaakt voor de stortplaatsen Nyrstar en Dintelsas, die inmiddels gesloten zijn en waarvoor de provincie de nazorg uitvoert. De toekomstige bijdragen van de stortplaatsen van Deponie Zuid BV, te weten de locaties Haps, Tilburg en Bergen op Zoom zijn contant gemaakt, aan de provincie overgemaakt en ten gunste gebracht van het Nazorgfonds. Per saldo gaat dit om een bijdrage van circa € 5,5 miljoen, waardoor de bijdragen vanaf 2015 op € 0 uitkomen. Voor de goede orde: het betreft hier geen definitieve afrekening voor deze drie stortplaatsen. Voor deze stortplaatsen wordt ieder jaar bekeken of de eerder betaalde bijdragen voldoende zijn. Afhankelijk van de situatie vindt er dan een bijstorting in of teruggave uit het Nazorgfonds plaats.
Voor wat betreft de stortplaatsen RAZOB (Nuenen), Meerendonk (‘s-Hertogenbosch), Vlagheide (Schijndel) en Zevenbergen zijn de nazorgheffingen gestort in het Nazorgfonds en zal bij sluiting, op basis van een geactualiseerd nazorgplan, een definitieve afrekening worden opgemaakt.

Leges zijn vergoedingen door derden voor het verlenen van individuele diensten door de provincie aan particulieren en bedrijven. Deze diensten betreffen vooral de verlening van vergunningen en ontheffingen. De tarieven zijn maximaal kostendekkend en staan vermeld in de tarieventabel behorend bij de legesverordening Provincie Noord-Brabant.

De provincie Noord-Brabant heeft in 2013 de uitvoering van vergunningverlening, toezicht en handhaving overgedragen aan de drie omgevingsdiensten. Met de omgevingsdiensten zijn afspraken gemaakt over de uit te voeren werkzaamheden in het VTH-domein. Op basis van deze opdracht ontvangen zij een jaarlijkse bijdrage. De kosten die hierin begrepen zijn voor de verwerking van de verschillende vergunning-, melding- en ontheffingsprocedures vormen de basis voor de legesopbrengsten, zoals opgenomen in de tabel. De omgevingsdiensten brengen all-in tarieven in rekening, loon en materiële kosten worden derhalve niet gesplitst. Vanuit de provincie zelf worden hier geen extra (overhead)kosten aan toegerekend.

 

Leges Waterwet (grondwateronttrekking)

 

Onderdeel

Aantal

Tarief oud

Tarief nieuw

Mutatie 

Mutatie %

Opbrengst

 Onttrekking:

 

 

 

 

 

 

4.1a t/m 200.000 m3

9

€ 2.699

€ 2.766 

€ 67 

3%

€ 22.132

4.1a1 t/m 500.000 m3

11

€ 4.724

€ 4.755 

€ 31 

1%

€ 52.303

4.1a2 meer dan 500.000 m3

7

€ 8.773

€ 8.818 

€ 45 

1%

€ 61.726

 

26

 

 

 

 

 

drinkwater & industriële toepassingen

 

 

 

 

 

4.1b t/m 500.000 m3

0

€ 3.711

€ 3.890 

€ 179 

5%

€ 0

4.1b1 t/m 1.000.000 m3

2

€ 7.423

€ 7.781 

€ 358 

5%

€ 15.561

4.1b2 meer dan 1.000.000 m3

1

€ 25.309

€ 26.935 

€ 626 

3%

€ 25.935

 

3

 

 

 

 

€ 177.657

De legestarieven Waterwet nemen iets toe vanwege stijging in de tarieven van de omgevingsdiensten.
De legesopbrengsten nemen af ten opzichte van 2017 omdat er minder aanvragen worden verwacht dan in 2017.

Leges Ontgrondingenwet

Onderdeel

Aantal

Tarief oud

Tarief nieuw

Mutatie 

Mutatie %

Opbrengst

Ontgrondingen:

 

 

 

 

 

 

5.5.1a  tot 15.000 m3

0

€ 3.470

€ 3.553 

€ 83 

2%

€ 0

5.5.1b  15.001 m3 t/m 25.000 m3

4

€ 5.401

€ 5.610 

€ 209 

4€

€ 22.440

5.5.1c  25.001 m3 tot 50.000 m3

6

€ 10.802

€ 11.220 

€ 418 

4%

€ 67.320

5.5.1d 50.001 m3 tot 100.000 m3

3

€ 21.604

€ 22.440 

€ 836 

4%

€ 67.320

5.5.1e 100.001 m3 tot 500.000 m3

1

€ 32.407

€ 33.660 

€ 1.253 

4%

€ 33.660

5.5.1f  500.001 m3 en meer

1

€ 54.011

€ 54.230 

€ 219 

1%

€ 54.230

5.5.2 wijzigen vergunning

3

€ 3.470

€ 3.553 

€ 83 

2%

€ 10.659

5.5.3 wijzigen vergunning met extra hoeveelheid specie

0

 

 

 

 

 

5.5.4 intrekken of verlengen vergunning

2

€ 3.470

€ 3.553 

€ 83 

2%

€ 7.106

5.5.5 machtiging ingevolge artikel 12

 2

€ 3.470

€ 3.553 

€ 83 

2%

€ 7.106

5.5.6 cultuurtechnische verbetering zonder specieafvoer

2

€ 3.470

€ 3.553 

€ 83 

2%

€ 7.106

5.5.7 natuurprojecten zonder specieafvoer

 1

€ 3.470

€ 3.553 

€ 83 

2%

€ 3.553

 

25

 

 

 

 

€ 280.500

Leges Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

Onderdeel

Aantal

Tarief oud

Tarief nieuw

Mutatie

Mutatie %

Opbrengst       

Bouwkosten:

 

 

 

 

 

 

5.1.1.1a    lager dan € 20.000

64

€ 1.890

€ 1.904

€ 14

1%

€ 121.837

5.1.1.1b    tussen €20.000 en € 50.000

48

€ 2.405

€ 2.423

€ 18

1%

€ 103.838

5.1.1.1c    tussen €50.000 en € 100.000

35

€ 2.921

€ 2.942

€ 22

1%

€ 93.887

5.1.1.1d    tussen €100.000 en € 400.000

30

€ 4.810

€ 4.846

€ 36

1%

€ 116.818

5.1.1.1e    tussen €400.000 en € 1.000.000

18

€ 9.191

€ 9.259

€ 68

1%

€ 126.942

5.1.1.1f     tussen € 1 mln. en € 5 mln.

11

€ 18.468

€ 18.604

€ 136

1%

€ 153.248

5.1.1.1g    tussen € 5 mln. en € 25 mln.

2

€ 34.359

€ 34.613

€ 254

1%

€ 69.225

5.1.1.1h    meer dan € 25 mln.

0

€ 58.410

€ 58.842

€ 431

1%

€ 0

5.1.1.2      beoordelen bodemrapport

5

€ 172

€ 173

€ 1

1%

€ 865

5.1.1.3      beoordelen advies agrarische adviescommissie

0

€ 595

€ 595

€ 0

0%

€ 0

5.1.1.4      toetsing ontheffing ihkv exploitatieplan

0

€ 344

€ 346

€ 2

1%

€ 0

5.1.2 a-g   binnenplanse ontheffing (bestemmingsplan)

11

€ 515

€ 519

€ 4

1%

€ 5.711

5.1.3 a/c  slopen / wijzigen beschermd monument

0

€ 3.000

€ 3.000

€ 0

0%

€ 0

5.1.3 b/d  slopen beschermd stads- & dorpsgezicht

0

€ 1.374

€ 1.385

€ 11

1%

€ 0

5.1.4         slopen

8

€ 1.374

€ 1.385

€ 11

1%

€ 11.076

5.1.5         kappen

8

€ 429

€ 433

€ 4

1%

€ 3.476

5.1.6 a-b   handelsreclame

9

€ 515

€ 519

€ 4

1%

€ 4.673

5.1.7        omgevingsvergunning aanhaken op Vwb, N2000

10

€ 2.405

€ 2.423

€ 18

1%

€ 24.229

5.1.8        omgevingsvergunning aanhaken op Wnb, FF-activiteiten

1

€ 429

€ 433

€ 4

1%

€ 433

5.1.9/10  andere en overige activiteiten

2

€ 601

€ 606

€ 5

1%

€ 1.211

 

262

 

 

 

 

€ 837.455

De legestarieven Wabo blijven nagenoeg gelijk aan die van vorig jaar.
De legesopbrengsten nemen ten opzichte van 2017 iets toe wegens een lichte toename in het verwachte aantal aanvragen.

Leges Natuurbeschermingswet 2017

Onderdeel

Aantal

Tarief oud

Tarief nieuw

Mutatie

Mutatie %

Opbrengst   

             

6.1.1     vergunningverlening gebiedsbescherming art. 2.7

 

€ 3.002

 

 

 

 

6.1.2     ontheffingverlening beheer- en schadebestrijding art 3.3/4/8/9/10

 

€ 1.185

 

 

 

 

6.1.3.a  ontheffingverlening onderzoek/onderwijs art. 3.3/4/8/9/10

 

€ 100

 

 

 

 

6.1.3.b  ontheffingverlening ruimtelijke ingrepen art. 3.3/4/8/9/10

 

€ 3.397

 

 

 

 

6.1.4.a  aanvraag compensatie herplantplicht art 4.3

 

€ 593

 

 

 

 

6.1.4.b  ontheffingverlening herplantplicht art 4.3

 

€ 593

 

 

 

 

6.1.4.c  aanvraag tot vrijstelling melding / herplantplicht art 4.2/3

 

€ 593

 

 

 

 

             

In 2017 trad de nieuw Wet Natuurbescherming in werking. Dit leidde, vanwege een bevoegdheidsverschuiving van het Rijk naar provincies, tot een uitgebreider provinciaal takenpakket. De toegezegde herijking van de aannames die vorig jaar werden gedaan heeft vertraging opgelopen. Ten tijde van het opstellen van deze begroting zijn er nog geen voldoende onderbouwde gegevens beschikbaar. Deze volgen later dit jaar.  De legestarieventabel 2018 inclusief de tarieven ingevolge Natuurbeschermingswet zal in december ter besluitvorming aan uw Staten worden voorgelegd.

Vergunningen/ontheffingen wegenverordening

De leges die in rekening worden gebracht voor het behandelen van aanvragen van vergunningen en ontheffingen op grond van de Verordening wegen Noord-Brabant en de wegenverkeerswetgeving zijn berekend op basis van de werkelijke hoeveelheid ambtelijke uren - en daaraan gekoppelde uurtarieven – die nodig zijn om een aanvraag te behandelen en een zo nauwkeurig mogelijke inschatting van de te verwachten aanvragen. Met ingang van 2018 is op onderdelen een beperkte vereenvoudiging in de tarieven doorgevoerd. Het uitgangspunt is dat maximaal kostendekkende tarieven worden gehanteerd. Het tarief voor behandeling van ontheffing aanvragen voor exceptionele transporten wordt jaarlijks vastgesteld door de RDW.

Product

Verwacht aantal

Tarief oud €

Tarief nieuw €

Mutatie €

Mutatie %

Opbrengst €

Ontheffing wedstrijd voertuigen meer gemeenten art. 148/10 WVW 1994

25

240

240

0

0

6.000

Verklaring geen bezwaar wedstrijd in één gemeente art. 148/10 WVW 1994

10

240

240

0

0

2.400

Ontheffing voertuig of -combinatie art. 9.1 RV, m.u.v. H5, afd. 7, 8, 10 en 11 RV (exceptionele transporten)

2.500

16

16

0

0

40.000

Ontheffing voertuig of -combinatie art. 9.1, H5, afd. 7, 8, 10 en 11

5

240

240

0

0

1.200

Ontheffing art. 87 RVV 1990

30

285/405

300

15/-105

5/-26

9.000

Vergunning art. 4, eerste lid, Verordening wegen

           

-  werk andere wegbeheerders

30

30

350

0

0

10.500

-  verkeersmaatregelen op de weg voor werken of activiteiten buiten de weg

100

265

110

-155

-58

11.000

-  kabels of leidingen

150

457

457

0

0

68.550

-  borden (bewegwijzering, stroken-borden, reclame, objecten, terreinen)

40

240

240

0

0

9.600

-  kunstobject binnen de bebouwde kom

3

240

240

0

0

720

Vergunning art. 5, eerste en tweede lid, Verordening wegen:

           

-  evenement (niet optocht)

20

110

110

0

0

2.200

-  evenement

15

50

50

0

0

750

-  voorwerpen i.v.m. particuliere bouw- of onderhoudswerken buiten de weg

10

240

240

0

0

2.400

-  overige activiteiten (wedstrijden zonder voertuigen, voorwerpen, stoffen)

30

240

240

0

0

7200

Aanvraag niet nadrukkelijk benoemd

35

34

34

0

0

1.190

Totaal

3.003

       

172.710

Vergunningen/ontheffingen wegenverordening
De leges die in rekening worden gebracht voor het behandelen van aanvragen van vergunningen en ontheffingen op grond van de Verordening wegen Noord-Brabant en de wegenverkeerswetgeving zijn berekend op basis van de werkelijke hoeveelheid ambtelijke uren - en daaraan gekoppelde uurtarieven – die nodig zijn om een aanvraag te behandelen en een zo nauwkeurig mogelijke inschatting van de te verwachten aanvragen. Met ingang van 2018 is op onderdelen een beperkte vereenvoudiging in de tarieven doorgevoerd. Het uitgangspunt is dat maximaal kostendekkende tarieven worden gehanteerd. Het tarief voor behandeling van ontheffing aanvragen voor exceptionele transporten wordt jaarlijks vastgesteld door de RDW.


Het totaal aantal voor 2018 geraamde legesvergunningen is lager dan de raming in de begroting 2017 (3.125) maar hoger dan gerealiseerd in 2016 (2.542). We verwachten dat het voorzichtige economische herstel zich o.a. vertaalt in het aantal vergunningen voor het veranderen van wegen. Desondanks wordt de raming uit begroting 2017 naar beneden bijgesteld om een realistisch beeld te geven over het aantal vergunningen en ontheffingen.
De Dienst Wegverkeer heeft o.a. de wettelijke taak om aanvragen voor het kunnen uitvoeren van exceptionele transporten te beoordelen. De provincie en de Dienst Wegverkeer (RDW) hebben hun samenwerking in 2017 op dit gebied geïntensiveerd. Zij hebben samen de beslisruimte voor de RDW om exceptionele transporten toe te staan op provinciale wegen in Noord-Brabant uitgebreid. Dit vergroot de efficiency in werkwijzen. Van de leges die de RDW in rekening brengt bij de ontheffinghouders, draagt zij jaarlijks een deel af aan de provincie, een jaar na realisatie.

3. Weerstandsvermogen en risicobeheersing

Inleiding

Brabant is een ondernemende provincie. Om kansen te benutten zal de provincie een bepaalde mate van risicobereidheid moeten hebben. Anderzijds dienen overheden op een verantwoorde manier met de publieke middelen om te gaan en de risico’s goed te beheersen. Het gaat dus steeds om de juiste afweging tussen maatschappelijk rendement en risico en de daarbij behorende beheersmaatregelen. Risicomanagement is daarbij een belangrijk instrument. Niet alleen een instrument om risico’s te beheersen zodat de provinciale doelen gehaald worden, maar ook om de bestuurlijke afweging tussen strategische keuzes, risicoprofiel, risicobereidheid en het beschikbare weerstandsvermogen te ondersteunen. De provincie deed en doet al veel aan risicomanagement. Maar het overheidslandschap wijzigt en de samenleving verandert daarom is besloten om een extra impuls te geven aan de doorontwikkeling en actualisatie van het beleid voor risicomanagement. In 2014 hebben GS daartoe een beleidsnota risicomanagement en weerstandsvermogen vastgesteld.

Wat is weerstandsvermogen?
Weerstandsvermogen is een maatstaf om te beoordelen of de provincie in staat is om nadelige gevolgen van risico’s op te vangen zonder dat daarbij de continuïteit in de uitvoering van taken in gevaar komt. De term weerstandsvermogen verwijst niet naar een exact bedrag, maar vertegenwoordigt de verhouding tussen de beschikbare weerstandscapaciteit en de benodigde weerstandscapaciteit. De resultaten van het risicomanagementproces geven inzicht in de onderkende restrisico’s waarvoor geen (dekkings-)maatregelen zijn getroffen en die van materiële betekenis kunnen zijn op de financiële positie van de provincie. Het weerstandsvermogen geeft antwoord op de vraag in hoeverre een provincie in staat is om de restrisico’s op te vangen.

In het BBV (Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten) wordt het weerstandsvermogen gedefinieerd als de verhouding tussen:
a. de weerstandscapaciteit, zijnde de middelen en voorzieningen waarover de provincie beschikt om niet begrote kosten te dekken;
b. alle risico’s waarvoor geen (dekkings-)maatregelen zijn getroffen en die van materiële betekenis kunnen zijn in relatie tot de financiële positie.

In de paragraaf weerstandsvermogen wordt inzicht gegeven in de verhouding tussen de weerstandscapaciteit en de risico’s.

Wat wil de provincie bereiken?

Belangrijkste procesontwikkelingen
Vanaf de begroting 2015 kent de paragraaf weerstandsvermogen een andere opzet. In de paragraaf worden de belangrijkst risico’s gepresenteerd die financieel afgedekt zijn. Daarnaast wordt ook het weerstandsvermogen uitgedrukt in de vorm van een ratio. Deze ontwikkelingen volgen logisch uit de toezegging n.a.v. de begroting 2014 om risicomanagement te optimaliseren en het beleid vast te leggen in een nota risicomanagement. De nota risicomanagement en weerstandsvermogen is 4 juli 2014 aan uw staten voorgelegd. Hiermee is een eerste stap gezet voor het optimaliseren van risicomanagement. Risicomanagement is een uitvoerende taak van GS. Hiertoe worden de risico’s twee keer per jaar opgehaald vanuit de organisatie om op basis daarvan tot de toprisico’s te komen. Indien risico’s financiële gevolgen hebben die niet binnen het budget van het project of programma passen dan is afdekking (in de risicoreserve of afzonderlijke reserves) aan de orde en worden u Staten betrokken in de besluitvorming en krijgen de risico’s een vertaling in de paragraaf weerstandvermogen. Het beleid voor risicomanagement en weerstandsvermogen wordt in 2018 geactualiseerd.

Beleidsdoelstelling
Risicomanagement helpt bestuur, management en medewerkers bij het realiseren van provinciale doelen, door kansen (of mogelijkheden) te benutten en risico’s te beheersen.
Risicomanagement biedt geen 100% garantie dat gebeurtenissen met een negatief gevolg niet meer zullen optreden, of dat alle kansen worden benut. Het geeft wel de zekerheid dat de provincie vooraf de benutting van kansen en de beheersing van risico’s zorgvuldig heeft afgewogen. Voor het monitoren van risico’s is de ratio weerstandsvermogen een belangrijke indicator. Een stabiel meerjarig beeld van deze indicator geeft aan dat risicomanagement zorgvuldig plaatsvindt en tot stand komt volgens een gestructureerd risicomanagementsysteem. Er wordt geen absolute norm gesteld voor de bepaling van de ratio. De provincie is zelf verantwoordelijk voor het formuleren van de beleidslijn en normering. Het hanteren van een bandbreedte voorkomt dat elk nieuw risico of wijziging in bestaand risico leidt tot het treffen van financiële maatregelen.

De bandbreedte voor de ratio weerstandsvermogen als indicator is 0,75 tot 1,25. Onder de 0,75 zijn maatregelen nodig de beschikbare weerstandscapaciteit aan te vullen.
Boven de 1,25 kan besloten worden de niet benodigde weerstandscapaciteit terug te laten vloeien naar de algemene middelen. Besluitvorming over het aanvullen of afromen van de weerstandscapaciteit vindt plaats bij de integrale afweegmomenten

Wat gaat de provincie daarvoor doen?

Risicomanagement is een doorlopend proces. In de paragraaf weerstandsvermogen wordt bij de jaarstukken en de begroting gerapporteerd over de belangrijkste uitkomsten van het risicomanagementproces en ontwikkelingen. We brengen in beeld wat de belangrijkste restrisico’s zijn, wat het beschikbare weerstandscapaciteit is en welke conclusie we kunnen trekken op basis van de ratio weerstandsvermogen. We richten ons in deze paragraaf hoofdzakelijk op de uitgavenkant van de begroting. Ontwikkelingen m.b.t. de inkomsten van het Rijk en het verloop van de belastinginkomsten komen aan bod in de budgettaire nota’s. De expliciete risico’s verbonden aan de inkomstenkant voor het lopende jaar, zullen betrokken worden in het proces van risicomanagement door GS en daar waar nodig een vertaling krijgen in de paragraaf weerstandsvermogen.

Inventarisatie weerstandscapaciteit:
De weerstandscapaciteit bestaat uit de middelen en mogelijkheden waarover de provincie beschikt of kan beschikken om niet begrote kosten (restrisico’s) te dekken. De mogelijkheden om tegenvallers op te kunnen vangen, kunnen worden gekwalificeerd als:
o incidenteel (middelen die slechts éénmalig ingezet kunnen worden) en;
o structureel (elk jaar kan deze capaciteit opnieuw worden ingezet).

Voor het begrotingsjaar 2018 is de weerstandscapaciteit € 168,8 mln. en kunnen binnen deze middelen restrisico’s opgevangen worden, zonder dat hiervoor beleidswijzigingen noodzakelijk zijn.

Bedragen x € mln.

Incidentele weerstandscapaciteit

Structurele weerstandscapaciteit

Totaal op jaarbasis

theoretische

ruimte

Risicoreserve

Reserve ontwikkelbedrijf

  • stimulering woningbouw
  • ontwikkelbedrijf

€ 107,7*

 

€ 8,5

€ 51,3**

 

€ 167,5

 

Post onvoorzien

Onbenutte belastingcapaciteit***

 

€ 1,3

€ 1,3

 

€ 117,1

Totaal

 

 

€ 168,8

€ 117,1

*De stand van de risicoreserve (volgens bijlage 4) is € 5 mln. hoger i.v.m. toekomstige risico’s waarvoor de storting reeds is verwerkt in de stand
** inclusief de gevormde voorzieningen (zie bijlagenbundel bijlage 11).
*** De onbenutte belastingcapaciteit geeft een theoretische ruimte van € 117,1 mln. Dit levert een theoretische ruimte op vanaf jaar t+1

Inventarisatie risico’s

De totstandkoming van de belangrijkste risico’s is een resultante van de risicobeheersing zoals deze tot nu toe heeft plaatsgevonden en gaat uit van de restrisico’s welke zijn afgedekt in de risicoreserve aangevuld met een aantal specifieke risico’s afgedekt uit de reserve ontwikkelbedrijf (incl. de hieruit getroffen voorzieningen).
In deze paragraaf volstaan we met het benoemen van de belangrijkste restrisico’s afgedekt in de risicoreserve en reserve ontwikkelbedrijf (inclusief voorzieningen).
In onderstaande tabel benoemen we de individuele risico’s met een totaal tot ca 80% van de risico’s. In de bijlagenbundel-bijlage 15 bij de begroting is een totaaloverzicht opgenomen.

 

Onderwerp

Restrisico begroting           2018           (x € 1 mln.)

Restrisico jaarrekening 2016              (x € 1 mln.)

Toelichting

 

1

 

Deelnemingen

 

€ 54,8

 

€ 55,6

Het restrisico is gebaseerd op individuele risico-inschatting. Het restrisico is bepaald op 100% van de balanswaarde (incl. voorziening grondbedrijf), met uitzondering van de ORR.

2

Leningen

€ 46,7

€ 38,8

Elke lening is apart beoordeeld op risico. Het restrisico is de som van de afzonderlijke risicobeoordelingen van de leningen.

3

Garanties

€ 24,1

€ 22,9

Het restrisico is de uitkomst van individuele inschatting van risico en afdekking

4

Maatregelen woningbouw

€ 8,5

€ 8,8

De risico’s betreffen resterende risico’s van de maatregelen woningbouw, bestaande uit Brabantse investeringsfondsen en startersmaatregelen

5

Logistiek Park Moerdijk (LPM)

€ 8,7

€ 8,7

Risico op de ontwikkeling van Logistiek Park Moerdijk (LPM)

6

Juridische risico’s

€ 7,9

€ 7,9

Juridische en procesrisico’s zijn inherent aan beleidsuitvoering en bedrijfsvoering. De inschatting van het restrisico is vooralsnog een becijferd risico van 3%  van de netto structurele exploitatieomvang

7

PPS A-59

€ 5,7

€ 5,7

Restant bedrag voor de afdekking van risico’s in het project. Betreft een bestaand risico, maar is overgebracht naar de risico reserve i.v.m. nieuwe regelgeving

8

Landbouw ontwikkelingsgebieden (LOG)

€ 2,5

€ 2,5

Het restrisico op schadeclaims door de inperking van ontwikkelmogelijkheden van de landbouw ontwikkelingsgebieden.

 

Subtotaal

€   158,9

€ 150,9

   98,0  %  (jr 2016 83,7% )

Overige risico’s

€       3,2

€   29,3

     2,0 %   (jr 2016 16,3% )

Totaal risico’s

€ 162,10

€ 180,2

    100 %

De belangrijkste mutaties in de restrisico’s:

Deelnemingen:

  • Verlaging van het restrisico betreft het treffen van een voorziening ten last van de risicoreserve. De voorzieningen vallen buiten de telling van de restrisico’s.

Leningen/overige risico’s:

  • Toename van het restrisico leningen betreft voor  €10,5 mln. een verschuiving van overige risico’s naar leningen.
  • Daarnaast zijn er nieuw leningen geraamd met een omvang van € 2,9 mln.
  • Overige mutaties betreffen verlagingen van het risico door aflossingen of het treffen van een voorziening ten laste van de risicoreserve. De voorzieningen vallen buiten de telling van de restrisico’s.

 Garanties:

  • Het verschil betreft een aanpassing van de risico-inschatting en bijbehorende afdekking. Er zijn geen nieuwe garanties afgegeven ten opzichte van de stand bij de jaarrekening 2016.

Ratio weerstandsvermogen
De benodigde weerstandscapaciteit 2018 is een uitkomst van het hele proces van risico inventarisatie conform het hierboven beschreven proces, waarbij het totaal van de restrisico’s de omvang van de benodigde weerstandscapaciteit bepaald. Het benodigde weerstandvermogen voor 2018 is berekend op € 162,1 mln.

Ratio weerstandsvermogen = Beschikbare weerstandscapaciteit = 168,8 = 1,04
Benodigde weerstandscapaciteit 162,1

De ratio weerstandsvermogen uitgedrukt in een verhoudingsgetal komt hiermee voor de begroting 2018 op: 1,04

Conclusie
Op basis van de ratio weerstandsvermogen kan worden geconcludeerd dat de risico’s kunnen worden opgevangen binnen de beschikbare weerstandscapaciteit.

In de bijlagenbundel bij de begroting zijn in bijlage 15 opgenomen:
- Het totaaloverzicht van de risico-inventarisatie en risico-afdekking
- De kengetallen m.b.t. de uiteenzetting van de financiële positie

Conclusie

Op basis van de ratio weerstandsvermogen kan worden geconcludeerd dat de risico’s kunnen worden opgevangen binnen de beschikbare weerstandscapaciteit.

 

In de bijlagenbundel bij de begroting zijn in bijlage 15 opgenomen:

  • Het totaaloverzicht van de risico-inventarisatie en risico-afdekking
  • De kengetallen m.b.t. de uiteenzetting van de financiële positie

 

 

 

4. Onderhoud kapitaalgoederen

Onderhoud wegen

Wat wil de provincie bereiken?
Het provinciale (fiets) wegennet bestaat uit 550 kilometer hoofdrijbaan en 520 kilometer fietspaden. Langs onze wegen ligt circa 1.100 hectare berm met ongeveer 52.000 bomen. Tevens behoren tot deze provinciale wegen 595 kunstwerken (waarvan 150 bruggen en viaducten en tunnels), 115 rotondes, 80 verkeersregel-installaties en staan er ruim 7.100 provinciale lichtmasten langs onze wegen. We zorgen voor een goed functionerende provinciaal wegennet als onderdeel van het totale Brabantse wegennet vanuit de kernwaarden veiligheid, bereikbaarheid en leefbaarheid. Om dat te bereiken voert de provincie beheer en onderhoud uit.

Wat gaat de provincie daarvoor doen?
De provinciale infrastructuur wordt gewaarborgd door alle onderdelen en objecten van die infrastructuur op goede wijze in stand te houden. In stand houden is het dagelijks beheer en onderhoud (exploitatie), groot onderhoud en vervanging (investering). In deze paragraaf beperken wij ons tot de toelichting op het dagelijks beheer en onderhoud. Vervanging in de vorm van investeringen worden in het programma provinciale wegen geprogrammeerd. Investeringen in de provinciale infrastructuur worden verantwoord via het programma Mobiliteit.

Het onderhoud wordt uitgevoerd door middel van een Tweetal meerjarige prestatiecontracten met aannemers. Deze contracten noemen we het elektronisch prestatiecontract (EPC) en het onderhoudsprestatiecontract (OPC). In het nieuwe OPC contract wordt het OPC en SRV ondergebracht. We streven er naar dat de overlast door het beheer en onderhoud voor de weggebruiker zo beperkt mogelijk wordt gehouden. Tegelijkertijd zetten we de beschikbare middelen zo efficiënt en effectief mogelijk in. Door in de meerjarenplanning het onderhoud afhankelijk te stellen van de toestand buiten wordt de kwaliteit van het wegennet in stand gehouden en wordt achterstallig onderhoud voorkomen.
De instandhouding van de provinciale wegenstructuur is opgenomen in de door PS in 2008 vastgestelde en in 2014 geactualiseerde nota ‘Wegen voor Bereikbaarheid’. Hierin is opgenomen dat wij op basis van belang gestuurd onderhoud onze wegen in stand houden. In 2013 is het instandhoudingsplan Civiele Kunstwerken door GS vastgesteld. Dit plan heeft een doorlooptijd van 5 jaar en is gericht op het huidig functioneren van de weg en haar kunstwerken.
Voor het dagelijks beheer en onderhoud is in 2013, bij de start van de prestatie-contracten, gekozen voor basiskwaliteit voor het gehele areaal, behalve voor de afwatering. In het kader van de verkeersveiligheid is besloten hiervoor het kwaliteitsniveau ’hoog’ te nemen. In 2014 is voor het onderhoud van fietspaden het kwaliteitsniveau opgeschaald naar ‘hoog’.
De keuze voor belang gestuurd onderhoud betekent dat het provinciaal wegenareaal wordt opgedeeld in meerdere categorieën. Aan iedere categorie kan een set van beheer en onderhoudsmaatregelen worden gekoppeld die passen bij het bijbehorende kwaliteitsniveau.
Eind 2017 is door PS de Kwaliteitsnota Onderhoud Provinciale Infrastructuur vastgesteld, waarmee we ons ambitieniveau meerjarig bepalen ten aanzien van prijs/kwaliteit van onderhoud van onze provinciale wegen.

Wat mag het kosten?

Onderhoud provinciale gebouwen en installaties

Onderhoud vaarwegen

Wat wil de provincie bereiken?

De uitvoering van de (beheer) maatregelen aan provinciale vaarwegen zoals de Mark, de Dintel, de Roosendaalsche en Steenbergsche Vliet, de Roode Vaart en het Mark Vlietkanaal is gemandateerd aan het Waterschap Brabantse Delta. De onderhoudstoestand van deze vaarwegen is op orde, maar behoeft  de komende jaren aandacht om de basis op orde te houden.

 Wat gaat de provincie daarvoor doen?

De provincie voert zelf geen beleidsprestaties i.c. werkzaamheden uit aan de vaarwegen. De provincie draagt 50% bij in de kosten van onderhoud en 100% in de kosten van het vaarwegverkeer. De juridische basis van de mandatering is gebaseerd op de financiële overeenkomst inzake het vaarwegbeheer provincie Noord-Brabant en waterschap Brabantse Delta. Via onderhoudsprogramma’s voor baggeren, kunstwerken en bermbeheer worden de vaarwegen bevaarbaar gehouden. Het waterschap actualiseert periodiek de programma’s en brengt in beeld welke maatregelen en investeringen nodig zijn om de onderhoudstoestand op orde te houden. In het beheer en onderhoud van de West-Brabantse kanalen worden knelpunten geconstateerd. Oorzaak, aard, omvang en de consequenties hiervan worden momenteel in beeld gebracht en zullen naar verwachting eind 2017 een volledig beeld geven van de situatie. We komen hierop in het kader van de BURAP 2018 bij u op terug.

 Wat mag het kosten?

5. Treasury

Wat willen we bereiken

De treasuryfunctie omvat alle activiteiten die zich richten op het sturen en beheersen van, het verantwoorden over en het toezicht houden op de financiële vermogenswaarden, de financiële stromen, de financiële posities en de daaraan verbonden risico’s.
De uitvoering van het treasurybeleid wordt, naast de door de rijksoverheid vastgestelde wet– en regelgeving, zoals Provinciewet, Wet financiering decentrale overheden (Wet Fido), ministeriële regelingen, zoals Regeling uitzettingen en derivaten decentrale overheden (Ruddo), Regeling Schatkistbankieren en het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV), bepaald door de Financiële beleids- en beheersverordening provincie Noord–Brabant, de Verordening treasury Noord–Brabant, de hierop gebaseerde uitvoeringsregels voor GS in het Treasury Statuut en het beleggingsmandaat.

De financiële resultaten van treasury komen in de begroting tot uitdrukking bij het algemeen financieel beleid in het onderdeel algemene dekkingsmiddelen.
Bij alle voorbereidingen en besluiten rond treasury worden Gedeputeerde Staten ondersteund door een adviescommissie: Het Treasury Committee (TC). In het Treasury Committee heeft – naast twee GS–leden en ambtelijke vertegenwoordigers – ook een partner van bureau Zanders zitting. Bovendien wordt het TC geadviseerd door de accountant.

De doelstellingen van treasury richten zich op:
o toegang tot vermogensmarkten;
o beheersing van risico’s;
o minimaliseren van kosten;
o optimaliseren van rendementen en;
o inzicht bieden in de ontwikkeling EMU-saldo

Wat gaan we daarvoor doen: Treasury beheer

Toegang tot Vermogensmarkten
Door Verplicht Schatkistbankieren voor de provincie is het belang van de toegang tot vermogensmarkten weliswaar veranderd, maar nog steeds essentieel voor het uitzetten van middelen aan decentrale overheden en voor het beheer van de obligatieportefeuilles.
In 2016 is voor het eerst de rendementsdoelstelling van € 122,5 niet gehaald. Door een incidentele meevaller (vrijval van Escrow € 26,9 mln.) en de structurele vrijval van financieringslasten (2016: € 12,2 mln.) is er in totaal € 34 miljoen toegevoegd aan de dividend – en rentereserve en is € 2,6 mln. aan de algemene middelen toegevoegd. In 2017 zal het verwachte rendement ongeveer gelijk zijn aan het rendement van 2016: € 120 miljoen. Vanwege de vrijval van de structurele financieringslasten (2017: € 15,4 mln.) wordt er per saldo € 12,8 mln. toegevoegd aan de dividend- en rentereserve. Nadat eind 2016 de procedure voor de aanbesteding van het vermogensbeheer is afgerond, is in 2017 gestart met de optimalisatie van de beleggingsportefeuilles. Dit heeft voor 2017 geleid tot een verbetering van het rendement van ruim € 4 mln. Ook in 2018 is de verwachting dat het rendement verbetert met ruim €4 miljoen. Sinds de aanpassing van de Verordening treasury in juni 2017 is het mogelijk om te beleggen (binnen de wettelijke voorwaarden) in obligaties met een AA-minus rating. Hierdoor is de verwachting dat het rendement verder verbetert. De winst en dividenduitkering van Enexis zullen vanaf 2018 mogelijk lager uitvallen dan geraamd (€ 30,8 mln.).

Beheersing van de risico’s
Het Treasury Statuut geeft de risico’s aan die intern beheerst moeten worden: markt– (waaronder rente– en valutarisico), krediet– en liquiditeitsrisico’s. Voor elk risico geven we aan hoe de provincie hiermee omgaat.

Wettelijke verplichtingen

(wet Fido)

Wat is het

Consequentie 2018

Kasgeldlimiet – kortlopende schulden

De kasgeldlimiet bepaalt het bedrag dat de provincie maximaal als gemiddelde netto–vlottende schuld per kwartaal mag hebben. Voor de provincies is dat vastgesteld op 7,0% van de jaarlijkse begroting. Dat is ongeveer € xx miljoen.

De afgelopen jaren hebben wij ruimschoots voldaan aan deze limiet en dat zal in 2018 ook het geval zijn.

Renterisiconorm – langlopende schulden

Het renterisico op langlopende schulden mag de wettelijke renterisiconorm niet overschrijden. De grondslag van de renterisiconorm is het begrotingstotaal en vastgesteld op 20%. Dat is ongeveer € xx miljoen.

 

 

Deze norm is in 2018 niet relevant voor de provincie aangezien er geen opgenomen geldleningen zijn.

Overige risico’s

Wat is het

Consequentie voor 2018

Valutarisico

Ontstaat door schommelingen in wisselkoersen.

Geen, omdat er alleen middelen worden uitgezet en belegd in euro’s.

Kredietrisico’s

Risico op terugbetaling van beleggingen en/of rentebetalingen. Dit risico wordt beperkt door alleen te beleggen in vastrentende waarden van financiële ondernemingen en landen met minimaal AA-minus–rating.

In juni 2017 is de ratingseis verlaagd naar minimaal AA-minus. Hierdoor voldoen alle beleggingen in de beleggingsportefeuilles aan de ratingeisen. Ook in 2018 zullen de beleggingen continu worden gemonitord en waar nodig wordt actie ondernomen om de risico’s te mitigeren.

In 2018 zullen ook beleggingen worden gedaan met een maatschappelijk doel in het kader van “Vermogen voor Brabant”.

Liquiditeitsrisico’s

Het kunnen voldoen van de facturen en andere betalingsverplichtingen

De aanwezige liquide middelen worden afgestemd op de verwachte ontvangsten en uitgaven met diverse liquiditeitsplanningen. In verband met de huidige en verwachte lage rendementen via Verplicht Schatkistbankieren geldt dat wij in 2018 de buffer liquide middelen zo klein mogelijk willen houden, maar wel aan onze verplichtingen kunnen blijven voldoen.

 

Renterisico

Het risico op wijziging (verhoging) van de variabele rente die betaald moet worden.

Het renterisico voor het project PPS A59 is volledig afgedekt door middel van een renteswap. De looptijd van de renteswap is van 1 januari 2006 tot 1 januari 2021. Het project PPS-A59 waarin de provincie samenwerkt met het consortium Poort van Den Bosch heeft tot doel het aanleggen en beheren van een deel van de autosnelweg A59. Het gebruik van een renteswap ter beperking van financiële risico’s past binnen de voorwaarden van het Treasurystatuut. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft met deze werkwijze ingestemd.

Jaarlijks wordt de marktontwikkeling gemonitord.

Minimaliseren van de kosten
Voor het beheer van de obligatieportefeuilles is sinds eind 2016 één vermogensbeheerder en al geruime tijd geleden een bewaarbank aangesteld. De beleggingen zijn gesplitst in een immunisatieportefeuille en een investeringsagendaportefeuille. De boekwaarden van beide portefeuilles bedragen begin 2018 naar schatting respectievelijk € 2,3 miljard en € 480 miljoen. Aan het beheer en bewaren van dit vermogen zijn kosten verbonden, ongeveer € 250.000 per jaar. Vanwege de uitkomsten van de aanbestedingsprocedure die eind 2016 heeft plaatsgevonden, zijn de kosten van het beheer en bewaren ongeveer gehalveerd. Ook door verkoop en vrijval van obligaties zullen deze kosten in de komende jaren geleidelijk afnemen. Het is wettelijk namelijk niet meer toegestaan om te beleggen in obligaties of om de bestaande obligaties te switchen naar een langere looptijd.

Optimaliseren van de rendementen
De opbrengsten uit de beleggingen van de immunisatieportefeuille betreffen een structurele (eeuwigdurende) inkomstenstroom van minimaal € 122,5 miljoen ter dekking van de uitgaven in de begroting en meerjarenraming. De middelen in de investeringsagenda zijn belegd op basis van het uitgangspunt dat deze in een periode van 15 jaar worden ingezet. Op basis van de lange termijn liquiditeitsprognose wordt een beleggingsmix (beleggingscategorieën in hoofdlijnen) opgesteld. Uitgangspunt is minimalisatie van de risico’s door voldoende kwaliteit en spreiding van partijen en door looptijden af te stemmen op de liquiditeitsbehoefte. Dit alles binnen de kaders van de wet Fido en de Ruddo en onze eigen Verordening treasury. Conform de wet Fido is de provincie verplicht haar overtollige middelen onder te brengen bij de “Schatkist” (Verplicht Schatkistbankieren). Dat wil zeggen dat het agentschap van het ministerie van Financiën de gelden bewaart, maar dat de provincie de volledige zeggenschap behoudt. De provincie krijgt hierover een lage rentevergoeding. Maar het voordeel is dat we geen rente betalen (minimaal 0%). De korte termijn rendementen (euribor tot en met 12 maanden is negatief) zijn zo laag, dat het uitlenen van kasgeld niet aantrekkelijk is. Mocht in 2018 de korte termijn rente (tot één jaar) stijgen dan zullen wij direct overtollige middelen via kasgeldleningen (aan gemeenten en andere openbare lichamen) uitzetten.

Eind 2014 is ook gestart met het omzetten van de langlopende beleggingen uit de immunisatieportefeuille naar langlopende leningen aan decentrale overheden. Dit noemen wij de transitie van de immunisatieportefeuille. Bij de omzetting realiseren wij een koerswinst, waardoor het volume van de beleggingen toeneemt. Hiermee vergroten we de kans om ook in tijden dat de rentestand laag is toch de doelstelling van de structurele inkomstenstroom te halen. In 2015 is ongeveer € 500 miljoen geleend aan de decentrale overheden (gemeenten en waterschappen). In 2016 hebben we een pas op de plaats gemaakt. De rente is zo laag dat de eventuele koerswinsten niet gebruikt kunnen worden voor de verhoging van het volume, maar achter de hand moet worden gehouden voor de dekking van € 122,5 miljoen. Vanaf 2017 zullen wij dit samen met onze vermogensbeheerder en onze treasury adviseur, bureau Zanders verder invulling geven.

De huidige inkomstenstroom is als volgt geprognosticeerd:

Het verwachte tekort op de begrote inkomsten van € 122,5 miljoen vanaf 2020 kan opgevangen worden door de dividend – en rentereserve die gevoed wordt met incidentele en meeropbrengsten.
Naast de transitie van de immunisatieportefeuille gaan we onze beleggingen inzetten tegen een vergelijkbaar of hoger financieel rendement, maar met een maatschappelijk rendement, of ‘Vermogen voor Brabant’. De voorwaarde hiervoor is dat deze beleggingen bijdragen aan inhoudelijke thema’s zoals opgenomen in het bestuursakkoord en altijd zijn gekoppeld aan een subsidiebeschikking. Dit houdt in dat er een nieuwe beleggingsstrategie is geformuleerd, waarbij aan alle volgende criteria moet zijn voldaan. De beleggingen zijn:
o risicomijdend;
o met een maatschappelijk rendement;
o staatssteunproof;
o het rendement is hoger dan bij schatkistbankieren;
o voldoende risicospreiding;
o gemaximeerd tot 25% van de totale portefeuille;
o betrokkenheid PS bij ieder voorstel via de “wensen en bedenkingen”–procedure.

In de afgelopen jaren zijn – nadat door PS geen wensen en bedenkingen zijn geuit – leningen verstrekt aan de Nederlandse Waterschapsbank (NWB Bank), BNG Bank de Efteling, Safariresort de Beekse Bergen en aan het ministerie van Defensie ten behoeve van het motorenonderhoud van de F–35. Het totaal komt daarmee op ongeveer € 277 miljoen. Vanaf 2018 zal uit de “overtollige liquide middelen” € 60 miljoen beschikbaar worden gesteld voor het MKB – plus fonds, in samenwerking met Europese Investeringsfonds/Europese Investeringsbank (EIF/EIB) en ministerie van Economische Zaken / Invest–NL.

EMU–saldo
Het EMU–saldo voor 2018 bedraagt op basis van de begrotingscijfers 2018 -/-€ 204,6 miljoen (zie bijlagenbundel –bijlage 14). Bij de begroting 2017 was de inschatting (o.b.v. de meerjarenraming) dat het EMU–saldo in 2018 € 107,9 miljoen (positief) zou bedragen.
De omslag in het EMU-saldo 2018 van + € 107,9 mln naar -/- € 204,6 mln houdt vooral verband met wijzigingen in de exploitatiecijfers en mutaties in de investeringen (regel 1 en regel 4 in de bijlage 14). In de exploitatiesfeer zijn het doorschuiven van de voor 2017 geraamde lasten voor PHS naar 2018 en de toevoeging van de lasten aan de begroting 2018 voor de challenge variant Eindhoven en voor Oost-Brabant SRE de belangrijkste oorzaken. Voor de investeringen geldt dat t.o.v. de inschatting van vorig jaar de planning van de wegeninvesteringen in o.a. N279 en N69 is gewijzigd waarmee een negatief effect op het EMU-saldo ontstaat.

NB In relatie tot de jaren 2016 en eerder zorgt ook de omzetting door het rijk van specifieke uitkeringen zoals BDU-verkeer en vervoer en de specifieke uitkering natuur naar decentralisatie-uitkeringen/algemene uitkering van het provinciefonds voor een negatief effect op het emu-saldo.

Renteschema
De commissie BBV adviseert het onderstaand renteschema in de paragraaf financiering van de begroting en jaarstukken op te nemen. Hiermee wordt inzicht gegeven in de rentelasten externe financiering, het renteresultaat en de wijze van rentetoerekening

6. Verbonden partijen

Algemeen beeld

Visie en beleid ten aanzien van verbonden partijen

Verbonden partijen zijn privaatrechtelijke of publiekrechtelijke organisaties waarin de provincie een bestuurlijk en een financieel belang heeft.
Onder bestuurlijk belang wordt verstaan: een zetel in het bestuur of het hebben van stemrecht. Met een financieel belang wordt bedoeld dat de provincie middelen ter beschikking heeft gesteld die ze kwijt is in geval van faillissement van de verbonden partij en/of als financiële problemen bij de verbonden partijen kunnen worden verhaald op de provincie.

De provincie Noord-Brabant kan besluiten om een bestuurlijk en financieel belang te houden in organisaties die een bijdrage leveren aan het publiek belang.

Het beleid ten aanzien van verbonden partijen is uitgewerkt in de Nota Samenwerkingsrelaties en Verbonden Partijen die op 3 februari 2017 is vastgesteld (PS 86/16). Hierin is het beleid met betrekking tot verbonden partijen geactualiseerd en is toegelicht op welke wijze de provincie de publieke belangen in deze verbonden partijen wil behartigen. Hierin staan ook de overwegingen genoemd om een bestuurlijk en financieel belang aan te gaan, te wijzigen of te beëindigen. In de nota is vastgelegd om vierjaarlijks de gehele deelnemingenportefeuille te evalueren. De evaluatie van de deelnemingenportefeuille, op basis van de nota samenwerkingsrelaties en verbonden partijen is tevens vastgesteld op 3 februari 2017 (PS 86/16).

Op 2 juni 2006 zijn door Provinciale Staten afspraken over de benoeming van commissarissen op voordracht van de provincie vastgesteld.(PS 36/06).

Financiën verbonden partijen
Het financiële risico van de verbonden partijen is gelijk aan de omvang van het provinciaal aandeel in de deelneming (zie ook de paragraaf weerstandsvermogen), danwel gelijk aan de (jaarlijkse) bijdrage die de verbonden partij van de provincie ontvangt.
De provincie zal naar verwachting in 2018 over het jaar 2017 dividend ontvangen uit de volgende verbonden partijen: Eindhoven Airport NV en Enexis Holding NV. Het ontvangen dividend wordt als algemeen dekkingsmiddel in de begroting opgenomen.

Hieronder zijn de meest belangwekkende ontwikkelingen bij de verbonden partijen opgenomen. Voor de overige informatie wordt verwezen naar de bijlage: Uitwerking paragraaf verbonden partijen (bijlagenbundel bijlage 9b).

Havenbedrijf Moerdijk
In oktober 2016 is met Havenbedrijf Rotterdam (HbR) een traject gestart om via een Joint Fact Finding de mogelijkheden voor samenwerking tussen Havenbedrijf Moerdijk (HbM) en Havenbedrijf Rotterdam (HbR) nader te verkennen. De afspraken zijn vastgelegd in Memoranda of Understanding (MoU). De verkenning (Joint Fact Finding) heeft als doel om de gedeelde belangen ingeval van samenwerking te identificeren en te bewerken en om een gedeeld beeld op te stellen over de inhoud en organisatievorm van de toekomstige samenwerking. Op basis en afhankelijk van de uitkomsten van de verkenning nemen partijen, de directie, bestuurders en aandeelhouders (GS en PS) van de havenbedrijven nadere besluiten over het vervolg van het proces.

Brabantse Ontwikkelings maatschappij (BOM Holding BV)
De BOM heeft als doel het stimuleren en begeleiden van samenwerkingsverbanden om innovaties om te zetten in producten of diensten. Daarnaast begeleidt BOM buitenlandse bedrijven naar en in Brabant, investeert zij in kansrijke, innovatieve ondernemingen en ontwikkelt zij bestaande en nieuwe duurzame werklocaties. Ook is een aantal fondsen bij de BOM ondergebracht, namelijk: het Innovatiefonds Brabant, het Energiefonds Brabant, het Breedbandfonds Brabant, het Biobased Brabant Fonds en het Cleantech fonds. De BOM draagt bij aan het innovatieve deel van de Brabante economie. Zij doet dat door innovatieve MKB-bedrijven te ondersteunen met kennis, toegang tot markten en risicodragend kapitaal.

Busines Park Aviolanda (BPA)
Naar verwachting stelt BPA eind 2017 een nieuw ondernemingsplan vast waarin de nieuwe koers van de onderneming wordt geconcretiseerd. Daarin staan business development en de ontwikkeling van het bedrijvencluster aerospace & maintenance centraal, in plaats van grondexploitatie en vastgoedontwikkeling. Vermoedelijk komt hierbij een behoefte aan extra eigen en vreemd vermogen naar boven.

OLSP Holding BV (Pivot Park)
De governance van Pivot Park voldoet aan de gestelde voorwaarden. Afgelopen jaren is merkbaarder geworden dat het gesplitste eigenaarschap van enerzijds het vastgoed en anderzijds de parkorganisatie coördinatieproblemen oplevert. Gedeputeerde Staten hebben in december 2016 besloten om de aandelen van Pivot Park over te nemen van de BOM. Met dit besluit hebben Provinciale Staten op 20 januari 2017 ingestemd (dossier 92/16). Als uitwerking van het statenvoorstel is in juli 2017 een tijdelijke samenwerkingsovereenkomst ondertekend door Pivot Park, OLSP Vastgoed BV, gemeente Oss en provincie met de ambitie om Pivot Park te laten uitgroeien tot een open innovatieve campus. In 2018 zal een definitieve samenwerkingsovereenkomst 2018-2026 worden vastgesteld, waarin een herijking van de governance is opgenomen.

In de bijlagen van de jaarstukken is de ‘Uitwerking Paragraaf Verbonden Partijen’ opgenomen. In deze bijlage is meer uitgebreide informatie opgenomen per verbonden partij over beleid, governance en financiën. Tevens wordt in deze bijlage nader ingegaan op het Innovatiefonds, Energiefonds, Breedbandfonds, Brabant C fonds, Groen Ontwikkelfonds en Leisure ontwikkelfonds. Specifieke informatie over het Groen Ontwikkelfonds Brabant is ook opgenomen in hoofdstuk 3 onder productgroep 03.04 en Brabant C fonds is ook opgenomen in hoofdstuk 6 onder productgroep 06.01

1 Gemeenschappelijke regelingen

 1 Gemeenschappelijke regelingen (GR)

Portefeuille 

Vestigingsplaats

1.1

Havenschap Moerdijk

Aandeel 50%

Pauli / Van Merrienboer

Moerdijk

1.2

Parkschap Nationaal Park de Biesbosch

Deelname per 1-1-2018 beëindigd

   

1.3

Zuidelijke Rekenkamer

Aandeel 50%

Van der Maat

Eindhoven

1.4

Kleinschalig collectief vervoer Brabant Noord-oost

Aandeel 6,25%

Van der Maat

Oss

1.5

Omgevingsdienst Midden- en West Brabant

Aandeel 43%

Van den Hout

Tilburg

1.6

Omgevingsdienst Zuid-Oost Brabant

Aandeel 44%

Van den Hout

Eindhoven

1.7

Omgevingsdienst Brabant Noord

Aandeel 34%

Van den Hout

’s-Hertogenbosch

2 Vennootschappen en coöperaties

2 Vennootschappen en coöperaties

Vestigings-

Aandelen-

Nominale

Agio

Gestort

Balans-

 Portefeuille

Bestuurlijk belang

 

 

 

plaats

kapitaal

waarde

 

 

waarde

 

 

 

2.1

Enexis NV

‘s-Hertogenbosch

30,80%

46.144

 

46.144

0

Spierings

Stemrecht / voordrachtsrecht  lidmaatschap RvC/lid AHC

 

2.2

CBL Vennootschap BV

‘s-Hertogenbosch

30,80%

6

 

6

6

Pauli

Stemrecht / lid AHC

 

2.3

Vordering op Enexis BV

‘s-Hertogenbosch

30,80%

6

 

6

6

Pauli

Stemrecht / lid AHC

 

2.4

Verkoop Vennootschap BV

‘s-Hertogenbosch

30,80%

6

 

6

6

Pauli

Stemrecht / lid AHC

 

2.5

CSV Amsterdam BV

‘s-Hertogenbosch

30,80%

6

 

6

6

Pauli

Stemrecht / lid AHC

 

2.6

Publiek Belang Elektriciteitsproductie BV

‘s-Hertogenbosch

30,80%

PM

 

PM

0

Pauli

Stemrecht / lid AHC

 

2.7

Brabant Water NV

‘s-Hertogenbosch

31,60%

88

 

88

0

Pauli

Stemrecht / voordrachtsrecht lidmaatschap RvC/lid AHC

 

2.8

Eindhoven Airport NV

Eindhoven

24,50%

1.112

 

556

0

Van der Maat

Stemrecht / voordrachtsrecht lidmaatschap RvC

 

2.9

BOM Holding BV

Tilburg

100,00%

1

41.773

41.774

41.774

Van Merrienboer / Pauli

Stemrecht / voordrachtsrecht lidmaatschap RvC

 

2.10a

Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor Ruimte, BV ORR

‘s-Hertogenbosch

100,00%

30

89

119

111

Pauli

Stemrecht / voordrachtsrecht lidmaatschap RvC

 

2.10b

CV ORR I

‘s-Hertogenbosch

99,00%

743

8.958

9.700

9.498

Pauli

Stemrecht / Commanditair vennoot

 

2.10c

CV ORR II

‘s-Hertogenbosch

99,00%

743

 

743

0

Pauli

Stemrecht / Commanditair vennoot

 

2.11a

Tuinbouw Ontwikkelingsmaatschappij, BV TOM

‘s-Hertogenbosch

50,00%

9

 

9

0

Van Merrienboer

Stemrecht / voordrachtsrecht lidmaatschap RvC

 

2.11b

CV TOM

‘s-Hertogenbosch

49,75%

448

 

448

0

Van Merrienboer

Stemrecht /Commanditaire vennoot

 

2.12

Business Park Aviolanda BV

Woensdrecht

60,00%

11

6.477

6.488

6.488

Pauli

Stemrecht / voordrachtsrecht lidmaatschap RvC

 

2.13

Nederlandse Waterschapsbank NV

Den Haag

0,12%

22

 

8

0

Van Merrienboer

Stemrecht

 

2.14

NV Bank voor Nederlandse Gemeenten

Den Haag

0,07%

100

 

100

0

Van Merrienboer

Stemrecht

 

2.15

PZEM NV

Middelburg

0,05%

4

 

4

0

Van Merrienboer

Stemrecht

 

2.16a

OLSP Holding BV

Oss

100,00%

18

 

18

18

Pauli

Stemrecht

 

2.16b

OLSP Vastgoed BV

Oss

71,00%

20

4.480

4.500

4.500

Van Merrienboer

Stemrecht

 

2.17

Green Chemistry Campus BV

Bergen op Zoom

60,00%

11

       2.209

2.309

2.299

Pauli

Stemrecht / voordrachtsrecht lidmaatschap RvC

 

2.18

Groen Ontwikkelfonds Brabant BV

’s-Hertogenbosch

100%

1

 

1

0

Pauli/
Van den Hout

Stemrecht

 

 

 

 

Totaal

49.529

63.986

113.033

64.693

 

 

 

 

In mindering gebrachte voorziening

         

7.113

   

 

 

Balanswaarde

         

57.580

   

 

3 Verenigingen en stichtingen

 3 Verenigingen en stichtingen

Portefeuille 

Vestigingsplaats

3.1

Interprovinciaal overleg IPO (vereniging)

Aandeel %

Pauli

Den Haag

3.2

INPA Huis van de Nederlandse Provincies (vereniging)

Aandeel 8,33%

Van de Donk

Brussel

3.3

Stichting Brabant C Fonds

Aandeel 100%

Swinkels

’s-Hertogenbosch

3.4

Brabantse Investeringsfondsen Nieuwbouwwoningen (BIFN) (Stichting)

Aandeel 50%

Van Merrienboer

’s-Hertogenbosch

3.5

Stichting Beheer Museum Kwartier

Aandeel 75%

Swinkels

’s-Hertogenbosch

3.6

Stichting Monumentenfonds Brabant

Aandeel 100%

Pauli

’s-Hertogenbosch

3.7

Stichting Leisure Ontwikkelfonds Brabant

Aandeel 50%

Pauli

Oisterwijk

4 Overige verbonden partijen

 4 Overige verbonden partijen

 

Portefeuille 

Vestigingsplaats

4.1

Fonds Nazorg Gesloten Stortplaatsen

Zie toelichting  

Merrienboer/Hout

‘s-Hertogenbosch

5 Investeringsfondsen voor Brabant

5 Investeringsfondsen voor Brabant

Fondsomvang in €

(Bedragen x 1 mln)

Looptijd

Revolverendheid

Multiplier

Portefeuille 

5.1

Innovatiefonds Brabant

125

2037

Nominaal

≥ 3

Pauli

5.2

Energiefonds Brabant

60

2037

Nominaal

≥ 4

Spierings

5.3

Breedbandfonds Brabant

50

2037

Nominaal

≥ 2

Pauli

5.4

Brabant C fonds

25

2018

Zoveel als mogelijk

≥ 3

Swinkels

5.5

Groen Ontwikkelfonds voor Brabantse Natuur

240

2029

Niet of nauwelijks

≥ 2

Van den Hout

5.6

Leisure Ontwikkel Fonds Brabant

5

2027

Beperkt (33-66%)

≥ 2

Pauli

Stoplichtenmodel

Stoplichtenmodel Verbonden Partijen


Toelichting op stoplichtenmodel:
- Groen -> Er zijn geen noemenswaardige aandachtspunten of risico’s op het gebied van beleid, governance of financiën bij de betreffende Verbonden Partij.
- Oranje -> Er zijn aandachtspunten of risico’s bij de Verbonden Partij die om aandacht of inzet vragen, maar dit heeft geen hoge urgentie en de risico’s zijn beperkt. Dit kan bijvoorbeeld gaan om wisselingen in bestuur, statuten die herzien (moeten) worden of om licht tegenvallende resultaten.
- Rood: Er zijn grote aandachtspunten bij de Verbonden Partij die soms directe actie vereisen, bijvoorbeeld omdat financiële risico’s niet zijn afgedekt, het bestuur of toezichthouder niet functioneert, of er geen publiek belang (meer) is. Er kunnen ook tegenvallende resultaten zijn.
- Indien een Verbonden Partij oranje of rood scoort, wordt dit onderaan de tabel toegelicht.

Stoplichtenmodel Deelnemingen

 

 

Beleid

Governance

Financiën

Aandeel-

houderschap

WNT

 

Gemeenschappelijke Regelingen

 

 

 

 

 

1.1

Havenschap Moerdijk

 

 

 

Actief

Voldoet

1.2

Parkschap Nationaal Park de Biesbosch

Deelname Per 1-1-2018 beëindigd

 

 

1.3

Zuidelijke Rekenkamer

 

 

 

Monitorend

Voldoet

1.4

Kleinschalig Collectief Vervoer Noordoost-Brabant

 

 

 

Monitorend

Voldoet

1.5

Omgevingsdienst Midden-en West-Brabant

 

 

 

Actief

Voldoet

1.6

Omgevingsdienst Zuidoost Brabant

 

 

 

Actief

Voldoet

1.7

Omgevingsdienst Brabant Noord

 

 

 

Actief

Voldoet

 

 

 

 

 

 

 

 

Vennootschappen en coöperaties

 

 

 

 

 

2.1

Enexis NV

 

 

 

Actief

Overgangsregime

2.2

CBL Vennootschap BV

 

 

 

Actief

NVT

2.3

Vordering op Enexis BV

 

 

 

Actief

NVT

2.4

Verkoop Vennootschap BV

 

 

 

Actief

NVT

2.5

CSV Amsterdam BV

 

 

 

Actief

NVT

2.6

Publiek Belang Elektriciteitsproductie BV

 

 

 

Actief

NVT

2.7

Brabant Water NV

 

 

 

Actief

Overgangsregime

2.8

Eindhoven Airport NV

 

 

 

Actief

NVT

2.9

BOM Holding BV

 

 

 

Actief

Overgangsregime

2.10

Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor Ruimte (ORR)

 

 

 

Actief

NVT

2.11

Tuinbouw Ontwikkelingsmaatschappij (TOM)

 

 

 

Actief

Voldoet

2.12

Businesspark Aviolanda (BPA)

 

 

 

Actief

NVT

2.13

Nederlandse Waterschapsbank NV

 

 

 

Monitorend

NVT

2.14

Bank Nederlandse Gemeenten NV (BNG)

 

 

 

Monitorend

NVT

2.15

PZEM NV

 

 

 

Monitorend

Voldoet

2.16

Oss Life Science Park holding en Vastgoed

 

 

 

Actief

Voldoet

2.17

Green Chemistry Campus BV

 

 

 

Actief

Voldoet

2.18

Groen Ontwikkelfonds Brabant BV

 

 

 

Actief

Voldoet

 

 

 

 

 

 

 

 

Verenigingen en Stichtingen

 

 

 

 

 

3.1

Interprovinciaal Overleg (IPO)

 

 

 

Monitorend

Voldoet

3.2

INPA Huis van de Nederlandse Provincies

 

 

 

Monitorend

Voldoet

3.3

Stichting Brabant C Fonds

 

 

 

Actief

Voldoet

3.4

Brabantse Investeringsfondsen Nieuwbouwwoningen (BIFN)

 

 

 

Actief

NVT

3.5

Stichting Beheer Museumkwartier

 

 

 

Actief

Voldoet

3.6

Stichting Monumentenfonds Brabant

 

 

 

Actief

Voldoet

3.7

Stichting Leisure Ontwikkelfonds Noord-Brabant

 

 

 

Actief

Voldoet

 

 

 

 

 

 

 

 

Overige Verbonden Partijen

 

 

 

 

 

4.1

Fonds Nazorg Gesloten Stortplaatsen

 

 

 

Actief

Voldoet

 Overzicht stand van zaken deelnemingen
Toelichting bij oranje en rode scores:

Bij de toetsing die voor het invullen van dit schema is uitgevoerd wordt altijd uitgegaan van de meest actuele wet- en regelgeving. In de afgelopen periode, sinds de vaststelling van de Nota Samenwerkingsrelaties en Verbonden Partijen, is de BBV aangepast, de WNT-2 van kracht geworden (het maximumsalaris van een topbestuurder is per 1 januari 2015 verlaagd van 130% naar 100% van een ministersalaris) Uitgangspunt is dat alle partijen voldoen aan de WNT, uiteraard met inbegrip van de overgangsperiode.

- 1.7 ODBN financiën: De ODBN beschikt over nog steeds een gezonde financiële positie. De dienst kent naast een groot aantal bestemmingsreserves een algemene reserve die (zeer) beperkt is qua omvang. Dit zet het weerstandsvermogen onder druk (de bestemmingsreserves zijn immers niet vrij aanwendbaar en tellen daardoor niet mee in het weerstandsvermogen). De ODBN gaat in 2017 alle reserves en voorzieningen doorlichten. Mogelijk leidt dit tot een hogere algemene reserve en daardoor tot een beter weedstandsvermogen. De eerste bestuursrapportage van de ODBN bood een inkijk over de gang van zaken in het uitvoeringsjaar 2017. Daarbij valt het op dat de dienst moeite heeft om goed geschoold personeel aan te trekken. Dit heeft mogelijk gevolgen voor de uitvoering van het provinciaal programma.
- 2.1 Enexis governance: herbenoeming lid Raad van Commissarissen
- 2.7 Brabant Water beleid: Meerjarenbeleid is nog niet vastgesteld en zal in 2017 onderwerp van gesprek zijn. financiën: Geschil met de gemeente Tilburg en Goirle m.b.t. de overnamesom voor TWM ligt al enige tijd voor bij de rechter en uitkomst kan financieel substantiële gevolgen hebben voor Brabant Water N.V
- 2.10 RvR, financiën: De actuele grondexploitatie van de Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor Ruimte laat een negatief saldo zien. Dit ten gevolge van aanpassing van fiscale wetgeving en ongunstigere resultaten ten opzichte van eerdere prognoses. Ter verbetering van de financiële situatie zijn een aantal scenario’s onderzocht en is een voorstel uitgewerkt met beheersmaatregelen, die nog in 2017 worden doorgevoerd. Deze maatregelen zullen ervoor zorgen dat de ontwikkelingsmaatschappij voldoende buffers heeft om vanaf 2018 tot en met 2032 de businesscase tot een succes te maken. Met het doorvoeren van de beheersmaatregelen is het niet nodig om de risicoreservering aan te passen.
- 2.11 TOM financiën: Ondanks de positieve ontwikkelingen in de markt zal er aan het einde van de looptijd een verlies overblijven voor de aandeelhouders. Het provinciale aandeel in dit verlies is afgedekt.
- 2.12 BPA financiën: De doorontwikkeling van het businesspark vraag om uitbreiding van de clusterontwikkelingsactiviteiten en ontwikkeling van nieuw vastgoed. Hiervoor is inbreng van extra vermogen nodig, vermoedelijk zowel vreemd als eigen vermogen.
- 2.15 PZEM NV financiën: Het voornemen tot verkoop van de provinciale aandelen PZEM NV heeft tot dusverre geen resultaat opgeleverd. PZEM NV is zelf bezig met een strategische heroriëntering en PZEM NV heeft haar netwerkactiviteiten in 2017 afgesplitst. Hierdoor zal zij meer en meer afhankelijk worden van haar commerciële activiteiten, waarbij de energiepoot nog verlieslijdend is.
- 2.16 OLSP, financiën: De financiële positie van OLSP Vastgoed is verslechterd als gevolg van een afwaardering van het vastgoed. Het besluit van Provinciale Staten van 20 januari 2017 (dossier 92/16) om € 13,9 miljoen ter beschikking te stellen van de Pivot Park organisatie, waartoe OLSP Vastgoed behoort, maakt echter dat de financiële zorgen van OLSP Vastgoed voor de korte en middellange termijn zijn weggenomen.
- 2.17 GCC financiën: Vertragingen bij de governance hebben effect gehad op de bouw en ontsluiting van de campus. Hierdoor kan huurders nog niet alle gewenste faciliteiten worden geboden. Dit heeft effect op de inkomsten die de campus genereert, waardoor de financiële groei vertraging oploopt. Dit neemt niet weg dat het streven met het huidige verdienmodel is dat de GCC na Fase Twee onafhankelijk kan zijn van publieke middelen.
- 2.19 Havenbedrijf Moerdijk NV governance: In oktober 2016 is met Havenbedrijf Rotterdam (HbR) een traject gestart om via een Joint Fact Finding de mogelijkheden voor samenwerking tussen Havenbedrijf Moerdijk (HbM) en Havenbedrijf Rotterdam (HbR) nader te verkennen. De afspraken zijn vastgelegd in Memoranda of Understanding (MoU). De verkenning (Joint Fact Finding) heeft als doel om de gedeelde belangen ingeval van samenwerking te identificeren en te bewerken en om een gedeeld beeld op te stellen over de inhoud en organisatievorm van de toekomstige samenwerking. Op basis van de uitkomsten van de verkenning nemen partijen, de directie, bestuurders en aandeelhouders van de havenbedrijven nadere besluiten over het vervolg van het proces.
- 3.3 Stichting Brabant C Fonds beleid: Uit de evaluatie die eerder dit jaar is uitgevoerd komt naar voren dat Brabant C een waardevol instrument is binnen het provinciale cultuurbeleid dat op een vernieuwende wijze met oog voor duurzame verbetering van het cultuursysteem ondernemerschap stimuleert. Het fonds is goed uit de startblokken gekomen en het College wil met het fonds door. Wij zullen daarom via de Perspectiefnota 2018 een tweede tranche Brabant C voorstellen, want de huidige afspraken met Brabant C lopen t/m 2018. In Statenmededeling “Brabant C: businessplan 2018 – 2021 en de reactie van GS hierop” bent u hierover reeds geïnformeerd.
- 3.6 Stichting Monumentenfonds Brabant beleid en governance: De provincie houdt haar aandelen in de NV Monumentenfonds Brabant via de Stichting. Eind 2016 is er door de NV een toekomstverkenning opgesteld. In de eerste helft van 2017 leidt dit mogelijk tot een andere structuur waarbij de provincie Noord-Brabant rechtstreeks aandeelhouder wordt. In dat geval wordt een procedure voor wensen en bedenkingen gevolgd. Bij een daarop volgende besluitvorming door GS wordt de governance daar op aangepast.

Prestatie indicatoren Investeringsfondsen

 

Prestatie indicatoren Investeringsfondsen

Overzicht van KPI’s fondsen
Met betrekking tot het Innovatie-, Energie-, Breedband-, Groen Ontwikkel- en Brabant C Fonds zijn kritische prestatie indicatoren afgesproken. Drie verbonden partijen zijn belast met de uitvoering van de vijf fondsen. In deze paragraaf zijn de afgesproken KPI’s gegroepeerd opgenomen.


Vigerende beleidsnota met eindjaar looptijd

Volgende afweeg-moment

Prestaties met indicatoren

Normen

Voortgang / verwachting

Monitoring Fondsen

 

 

 

 

 

 

   

 

Innovatiefonds Brabant

PS  42/13 A

 

2021

Het Innovatiefonds heeft aan het eind van de looptijd dezelfde nominale waarde als bij aanvang (€ 125 mln.)

De verwachte eindwaarde van het fonds is na 24 jaar gelijk aan de initiële inleg.

De toekomstverwachtingen van de huidige portefeuille zijn positief. De gerealiseerde ontvangen kasstromen plus het verwacht rendement van de portefeuille zijn per saldo € 41 miljoen hoger dan de investeringen en gemaakte kosten.

 

 

 

Het innovatiefonds verleidt andere financiers om zoveel mogelijk geld beschikbaar te krijgen voor innovatieve MKB-bedrijven in Noord-Brabant

Met € 125 miljoen aan middelen mobiliseert het Innovatiefonds minimaal € 250 miljoen aan middelen van andere financiers. Dit komt neer op een multiplier van 3.

Bij de huidige investeringen is de multiplier 27 (37 bij directe investeringen, 41 bij fund tot fund en 4 bij fondsen in eigen beheer).

 

 

Bijdragen aan nieuwe oplossingen voor maatschappelijke opgaven middels innovaties in bijvoorbeeld duurzame agro-foodketens, gezond ouder worden, slimme mobiliteit en duurzame energie:

 

De totale investeringsportefeuille van het Innovatiefonds bestaat voor 40-50% uit bedrijven die zich richten op maatschappelijke opgaven. 

Bij de huidige investeringen is dit 51% en is dit licht gestegen ten opzichte van eind 2016 (49%) en voldoet daarmee aan de norm.

 

 

Het innovatiefonds versterkt de Brabantse economie en bevordert de werkgelegenheid door ondersteuning van innovatieve MKB bedrijven in de (cross-overs van) topclusters van Brabant: hightech systems & materialen, life sciences, biobased economy,agrofood, logistiek en maintenance en de hiermee samenhangende sectoren zoals de creatieve industrie en breedbanddiensten.

 

De totale investeringsportefeuille van het Innovatiefonds bestaat voor 50-60% uit bedrijven uit (cross-overs van) topclusters.

Bij de huidige investeringen is dit 98% en voldoet daarmee aan de norm.

 

 

Sluiten van de keten van financieringsmogelijkheden voor innovatieve MKB-bedrijven in de topclusters van Noord-Brabant. Met name in de (Pre-)Seed, Early stage en Growth fasen van bedrijfsontwikkeling is het marktfalen het meest prominent is.

De totale investeringsportefeuille van het Innovatiefonds Brabant bestaat voor minimaal 60% uit bedrijven in de (Pre-)Seed, Early Stage en Growth fasen van innovatieve MKB bedrijven en consortia.

Bij de huidige investeringen is dit meer dan 80% en voldoet daarmee aan de norm. (25 pre-seed, 13 early stage, 9 growth en 3 later stage participaties)

 

 

 

 

 

Energiefonds Brabant

PS  42/13 A

 

2021

De mate van uitputting van het fonds. Het nog beschikbare vrije fonds vermogen is voldoende groot om de nog te realiseren grootheden van de maatschappelijke opgave binnen de gestelde kaders te bewerkstelligen.

 

Percentage gerealiseerde maatschappelijk opgave ten opzichte van het procentuele gebruik van het fondsvermogen.
De initiële 60 mln. – totaal geïnvesteerd bedrag – totale kosten + cashflows uit investeringen = beschikbare middelen fonds

 

87 %

 

 

 

Herinvesteringen na exits

Uiteindelijk 2 tot 3 keer, eerste jaren geen

 

Herinvesteringen worden verwacht vanaf jaar 8

 

 

De minimale CO2 reductie per geïnvesteerde euro

Minimaal 30 kg CO2 besparing per 1 euro investering.

 

102 kg. Gerealiseerde CO2-emissie (per project gekapitaliseerd op het investeringsmoment)

 

 

De multiplier

 

>4 bij warehousefunctie

>2 bij projectontwikkelfunctie

7,5

2

 

 

De mate van revolverendheid

Na 24 jaar minimaal € 60 miljoen (nominaal revolverend)

Hierover kan nog niet worden gerapporteerd. Dit zal namelijk pas blijken wanneer de eerste exits plaatsvinden en de verwachting is dat de eerste exits pas in jaar 8 zullen plaatsvinden.

 

 

De gerealiseerde grootheden van de maatschappelijke opgave in aantallen en vermogen (CO2 reductie en ingezet fondsvermogen)

Lineair oplopend: ieder jaar 4% van de doelstelling.

 

-

 

 

De maxima van de gerealiseerde grootheden van de maatschappelijke opgave over het fondsvermogen.

  • maximaal 33% per technologie.
  • Maximaal 10 % per initiatiefnemer

Aantoonbare inspanning in financiering van minimaal 10% kleinschalige projecten.

 

Wind           5,8%

Besparing    1,0 %

WKO          1,5 %

Zon PV        1,6 %

 

 

65,9%

 

Breedbandfonds Brabant

PS  42/13 A

 

2021

De mate van revolverendheid.
De verwachte eindwaarde van het fonds (beschikbaar gestelde middelen plus rendement minus kosten en afschrijvingen).

De eindwaarde van het fonds is na 25 jaar groter of gelijk aan de initiële

inleg. (nominaal revolverend, inflatie buiten beschouwing gelaten)

 

Verwachte revolverendheid: 98,5 % / 100 % niet mogelijk nu er geen nieuwe financieringen verwacht worden waaraan fondskosten doorgerekend kunnen worden  .

 

 

Vergroten marktdynamiek

(Hebben marktpartijen / coöperaties met onze cofinanciering meer projecten / aansluitingen in witte gebieden gerealiseerd?)

Aantal projecten beschikt en in de pijplijn. Norm pilotfase is 5 tot 7 projecten beschikt.

Ultimo 2016 cumulatief 3 projecten gecommitteerd, een lening 4e gecommit-teerd project (€35 mln) is vervallen (MABIB-CIF  voert uit met eigen middelen). 12 aanvragen afgewezen/ingetrokken.

Het BBFB heeft een grote invloed gehad op marktdynamiek nu MABIB, Coöperatie MBG e.a. partijen aanleggen zonder fondsfinanciering

 

 

 

De multiplier.

    • Het totaal geïnvesteerd vermogen / provinciaal geïnvesteerd vermogen

De multiplier > 2.

Bij de huidige 3 projecten is deze 2,12. De verwachting is dat de multiplier >2 blijft.

 

 

Het gerealiseerde aantal aansluitingen als percentage van de totale opgave.
Het beoogde aantal aansluitingen (homes passed) huishoudens in het buitengebied met het beschikbare vermogen in de pilotfase en uitgaande van een multiplier van > 2.

 

Het beoogde aantal aansluitingen bedrijven (offices passed) met het beschikbare vermogen in de pilotfase en uitgaande van een multiplier van > 2.

 

Realisatie is afhankelijk v/d mix huishoudens / bedrijven en van de werkelijke kosten per aansluiting. Dus er zullen minder dan maximaal mogelijk aantal huishoudens en bedrijven worden aangesloten.

 

 

 

 

Spreiding van de uitrol in witte gebieden en bedrijventerreinen.

Jaar 3 is 20%, jaar 4 tot en met 7 is 15% per jaar en jaar 8 tot en m et 10 in totaal 20% van de opgave.

 

 

 

 

50.000 aansluitingen huishoudens buitengebied (eindnorm)

3.000 aansluitingen bedrijven (eindnorm)

 

 

Aantal gerealiseerde aansluitbare huizen (homes passed) en/of aangesloten bedrijfspanden per project als percentage van de totale opgave witte panden per gemeente

Weergave van projecten met bijbehorend aantal aansluitingen op een kaart van Brabant.

Cumulatief aantal aangelegde aansluitingen is nog niet door BFB gerapporteerd. De informatie is opgevraagd en zal in het BURAP medio 2017 worden gerapporteerd.

 

 

 

 

Het aantal cumulatief aangelegde door BFB gerapporteerde aansluitingen is 2613. Dit gaat om een voorlopig aantal aansluitingen omdat pas bij definitieve vaststelling van de subsidie het definitieve aantal aangesloten adressen bekend wordt gemaakt.

 

 

Van de drie gecommitteerde projecten is er één afgerond

(Fiber Buiten, Boxtel):318 aansluitingen buitengebied (0,6 % van opgave)

Aantal gerealiseerde aansluitingen nog niet door  BFB gerapporteerd.

 

Er zijn slechts 3 projecten gecommitteerd en daarmee is geen sprake van een goede spreiding. Er zijn buiten het fonds echter marktinitiatieven in een groot deel van Brabant .

 

Aantal initiatieven op bedrijventerreinen blijft achter.

In 2017 wordt een monitor ontwikkeld om voortgang private en burgerinitiatieven buiten het BFB te volgen.

 

 

 

 

 

 

 

 

Effectiviteit van het fonds:

Investeringskosten aansluiting / aantal aansluitingen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Totale fondsbeheerkosten / gerealiseerde aansluitingen (HP)

Investeringskosten aansluiting / aantal aansluitingen = € 4.075/2613 = € 1.560,-- per aansluiting. Dit betreft een voorlopig bedrag aangezien het om een voorlopig aantal door BFB gerapporteerde aansluitingen gaat. Bij definitieve vaststelling van de subsidie kan de effectiviteit van het fonds definitief bepaald worden.

Investeringskosten gecommitteerd:  €2,6 mln

Investeringskosten gerealiseerd:  €1,475 mln

Totaal: €4,075mln

 

 

Fondsbeheerkosten €1,118/2613 = € 428 per aansluiting. De fondskosten liggen relatief hoog door het wegvallen van subsidie aan Mabib/CIF eind 2016 waarvoor oprichtings- en investeringskosten zijn gemaakt maar niet worden terugverdiend door aansluitingen
Fondsbeheerkosten cumulatief: €1,118 mln.

 

 

 

 

 

Brabant C Fonds

PS 59/14

2021

Percentage gerealiseerde projecten van aantoonbare (inter)nationaal niveau (te meten in herkomst bezoekers, publieksoordeel, publicaties, nominaties)

 

Minimaal 60 %

Resultaten over deze nieuwe werkwijze  komen bij het jaarrekeningproces tot uitdrukking.

 

 

Percentage gerealiseerde projecten dat het cultuursysteem versterkt (te meten in duurzaamheid en publieksbeleving)

 

Minimaal 60 %

Resultaten over deze nieuwe werkwijze  komen bij het jaarrekeningproces tot uitdrukking

 

 

Percentage gerealiseerde projecten dat vernieuwend en innovatief is (te meten in associaties innovatief en onderscheidend)

gesprekspartners

Minimaal 50%

Resultaten over deze nieuwe werkwijze  komen bij het jaarrekeningproces tot uitdrukking

 

 

 

Het percentage gerealiseerde projecten waarin wordt samengewerkt met partijen buiten de culturele sector (te meten in gerealiseerde cross-overs en samenwerkingen)

 

 

Minimaal 70%

Resultaten over deze nieuwe werkwijze  komen bij het jaarrekeningproces tot uitdrukking

 

 

Het aandeel leningen van de jaarlijks uitgezette middelen stijgt van minimaal 15% in 2017 naar ten minste 32% eind 2021

 

Minimaal 15%

Resultaten over deze nieuwe werkwijze  komen bij het jaarrekeningproces tot uitdrukking

Groen Ontwikkelfonds voor Brabantse natuur

PS  42/13 A

 

2021

De omvang van categorie C is minstens even groot als de omvang van categorie A in de provinciale EHS.

 

Categorie C ≥ categorie A

0,68. Tot op heden zijn er door het GOB nog relatief weinig aanvragen in zowel categorie A (85% subsidie) als in categorie C (15% subsidie) ontvangen, hierdoor kan de KPI nog snel wijzigen                                .                                                       

 

 

 

 

 

 

 

De multiplier.

De multiplier ≥ 2 voor de provinciale EHS.

1,93 (inclusief EVZ). Doordat de aanvragen in categorie C waar een subsidiepercentage van 0-15% beschikbaar is nog wat achterblijven, blijft de multiplier iets achter op de norm                                                                              

 

 

 

 

 

 

 

De verhouding tussen de oppervlakte aan beschikbare ruilgrond en de oppervlakte aan gerealiseerde natuur in categorieën A, B en C in het rijksdeel van het NNB

De verhouding moet kleiner of gelijk aan 1 zijn.

Deze KPI is, in oppervlakte,  niet goed te berekenen.  Dit najaar zal bij de actualisatie van de businesscase GOB een aanpassing van oppervlakte naar middelen worden voorgesteld. M.i.v. van 2018 wordt hierover gerapporteerd.                          

 

 

De gerealiseerde grootheden van de maatschappelijke opgave in aantallen, vermogen en inbreng aan middelen en grond.

 

Jaar 1 +2 is 5%, jaar 3 en volgende zijn gemiddeld 7,5%.

Norm wordt nog niet gehaald. De verwachting is dat de inrichting voor 2027 gerealiseerd zal zijn.
Specificatie is in de bijlage 9b van de begroting onder 5.5 opgenomen.

                                                                                                        

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Leisure Ontwikkel Fonds

PS 45/16

2019

Er wordt gestart met een beperkt aantal prestatie indicatoren.

Mate van revolverendheid.

 

Op basis van de ervaring van de eerste twee jaar wordt een voorstel ontwikkeld voor een complete set aan prestatie indicatoren inclusief het maatschappelijke rendement, vast te stellen door de raad van deelnemers.

 

 

Er is op voorhand uitgegaan van een revolverendheid van 66%

 

Resultaten over deze kpi komen pas bij het jaarrekeningproces tot uitdrukking

7. Ontwikkelbedrijf en grondbeleid

Algemeen beeld van de paragraaf

Provinciaal grondbeleid
Het Provinciaal grondbeleid heeft als doel om tegen aanvaardbare prijzen (tijdig) gronden beschikbaar te krijgen voor realisering van door haar beoogde doelen. De Provincie voert grondbeleid uit door zowel regulerend optreden, participaties zoals deelnemingen in externe Ontwikkelmaatschappijen (zoals de ORR en TOM), maar ook door het zelf verwerven, ontwikkelen en verkopen van gronden. Waar wenselijk geacht gebeurt dit ook anticiperend. De verschillende vormen kennen verschillende voor- en nadelen en risicoprofielen. Per situatie wordt de afweging gemaakt over de toe te passen vorm en uitvoeringswijze.

Ontwikkelbedrijf
Het ontwikkelbedrijf draagt bij aan de realisatie van verschillende beleidsdoelstellingen. Bij de projecten van het ontwikkelbedrijf gaat het om het daadwerkelijk mogelijk maken van de beoogde (her)ontwikkeling. Om dit mogelijk te maken heeft het ontwikkelbedrijf verschillende instrumenten tot haar beschikking, waaronder: de aankoop van grond of gebouwen, de participatie in een project of deelneming en het verstrekken van een lening of garantstelling.

Op onderstaande kaart zijn de belangrijkste projecten in 2018 aangegeven.

Portefeuille Ontwikkelbedrijf
De resterende ruimte in het investeringskrediet van het Ontwikkelbedrijf bedraagt € 107 mln. Bij de inschatting van de resterende ruimte is rekening gehouden met de geraamde toekomstige inkomsten en uitgaven van alle projecten en zijn de afgegeven garantstellingen volledig meegenomen.

De risico's in de projecten worden afgedekt door de Risicoreserve van het ontwikkelbedrijf. De omvang van de risicoreserve bedraagt ultimo 2018
€ 53 mln. Dit is onderverdeeld in reserveringen voor bestaande projecten € 52,2 mln en een vrije ruimte van € 0,8 mln ( zie voor een nadere uitwerking paragraaf risicomanagement). Op dit moment is de vrije ruimte beperkt. De verwachting is dat de risicoreservering voor LPM in 2017/2018 vrij valt, waardoor de vrije ruimte evenredig wordt vergroot. Hierdoor ontstaat meer ruimte om risico’s af te dekken voor nieuwe projecten. De in het verleden gedane afwaarderingen van posities zijn ten laste gebracht van de risicoreserve (verlaging) en daarnaast worden bijvoorbeeld renteopbrengsten van een aantal leningen jaarlijks toegevoegd aan de risicoreserve (verhoging).

Projecten
De portefeuille van het ontwikkelbedrijf is divers en loopt uiteen van grondposities tot deelnemingen. Niet alle projecten vragen evenveel (bestuurlijke) aandacht. In veel gevallen zijn onze projectpartners de initiatiefnemers van de projecten. De rol van de provincie is dan meer op afstand. Bij een aantal projecten is de provincie zelf in de lead, te weten:
o Logistiek Park Moerdijk
o Pivot Park Oss
o KVL Oisterwijk
o Mariadal Roosendaal

Verkenningen
In 2017 is het Ontwikkelbedrijf met veel potentieel nieuwe projecten bezig geweest. Het zwaartepunt van deze verkenningen kennen hun oorsprong bij Cultureel Erfgoed en Economisch vestigingsklimaat.

Highlights verkenningen
o Van Gogh Brabant
o Markiezaat Terminal Bergen op Zoom
o Metalot (intake)

Voor een gedetailleerde toelichting op de projecten en verkenningen wordt verwezen naar het meerjarenperspectief van het Ontwikkelbedrijf.

Vooruitblik
Vooruitblik 2107 en verder
De tenderprocedures van KVL en Mariadal zijn in volle gang. Na de dialoogrondes worden de aanbiedingen beoordeeld op basis van prijs en kwaliteit. De voorlopige gunning van Maridal wordt eind 2017 verwacht, daarna zal nog een bestemmingsplanprocedure moeten worden doorlopen. Begin 2018 wordt de gunning van KVL verwacht.

Voor LPM verwachten we eind 2017 duidelijkheid van de Raad van State. Na een positieve uitspraak kan het Havenschap Moerdijk de ontwikkeling overnemen en kan het terrein in de markt worden gezet ten behoeve van de vestiging van grote logistieke bedrijven.

Bij Pivot Park wordt gewerkt een nieuwe governance, besluitvorming wordt eind 2017, begin 2018 verwacht.

Bij Energyweb XL verwachten we een verdergaande samenwerking met Enexis en afspraken met leveranciers en afnemers van restwarmte. In 2017 wordt oa met Shell, TOM en de tuinders van Nieuw Prinsenland gewerkt aan een definitieve businesscase. In december 2017 zal hierover meer duidelijkheid ontstaan.

Het ontwikkelbedrijf draagt bij aan beleidsontwikkeling van de thema’s leegstand en stedelijke herontwikkeling.

Belangrijkste ontwikkelingen 2018 overige beleidsvelden

Natuurnetwerk Brabant
Conform de doelstellingen zoals opgenomen in Brabant Uitnodigend Groen wordt t/m 2027 in totaal circa 15.000 ha natuurnetwerk en1.300 km Ecologische Verbindingszones gerealiseerd. Hiertoe worden in 2018 diverse gronden verworven en/of ingericht en verkocht vooral in de Westelijke Langstraat, De Peelvenen, Kempenland-West, Groote Heide-Leenderbos, De Maashorst en het Markdal.

Ruimte voor Ruimte
Middels de ontwikkeling van Ruimte voor Ruimte (RvR) kavels worden eerder verstrekte sloopvergoedingen i.h.k.v. reconstructie landelijk gebied terugverdiend. Ontwikkeling vindt grotendeels plaats via Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor Ruimte (ORR). De woningmarkt is herstellende en derhalve wordt ook verwacht dat de markt voor RvR kavels in 2018 verder aantrekt en aan - en verkoop van grondposities plaats zal vinden. Horizon strekt door tot circa 2030.

Verdere toelichting
Meer uitgebreide toelichting over bovenstaande onderwerpen is verder te vinden in:
o Meerjarenperspectief ontwikkelbedrijf (bijlage bij begroting)
o Bijlage deelnemingen (O.a. OLSP, TOM, ORR, BPA, LPM, GOB)
o Betreffende begrotingshoofdstukken:
? 02.01Ruimtelijke ontwikkeling (RvR) en 02.02 Agrofood (glastuinbouw)
? 03.04 GOB (Groen Ontwikkelfonds Brabant)
? 04.02 Economisch programma (bedrijventerreinen/campussen)
? 06.01 Cultuur en samenleving (erfgoed)

Risicomanagement grondportefeuille Ontwikkelbedrijf
Jaarlijks worden alle grondexploitaties geactualiseerd. Hierbij wordt conform richtlijnen prudent te werk gegaan. Dat betekent dat verliezen worden genomen zodra ze worden voorzien en winst pas wordt genomen als deze daadwerkelijk wordt gerealiseerd. Daarnaast wordt ook op basis van risicoanalyse een risicoreservering/voorziening opgenomen of bijgesteld. Onderzocht wordt of meer aangesloten kan worden bij de risicosystematiek van de algemene risicoreserve. Zie verder ook Paragraaf 3 Weerstandsvermogen en risicobeheersing.

Kortheidshalve wordt voor de opbouw van de boekwaarde verwezen naar het meerjarenperspectief van het Ontwikkelbedrijf.

Stand van de reserve en voorziening

Woningbouwstimuleringsmaatregelen
Een specifiek taak voor het ontwikkelbedrijf is het uitvoering geven aan de stimuleringsmaatregelen woningbouw die 2009 zijn vastgesteld. Van de resterende lopende maatregelen zijn de Brabantse Verkoop Garantie, renteloze leningen en garantstellingen aan producenten in 2018 afgerond. Starterleningen en de Investeringsfondsen zullen in 2018 verder worden afgebouwd. Een meer gedetailleerd inzicht in de voortgang van de afbouw van het totale pakket aan maatregelen is opgenomen in het eerder genoemde Meerjarenperspectief van het Ontwikkelbedrijf.

Financiën
Voor de uitvoering van de maatregelen is in 2009 door Provinciale Staten een revolverend investeringskrediet vastgesteld van € 250 mln met een reserve van € 45 mln voor afdekking van de risico’s.

Investeringskrediet

Risicoreserve woningbouwstimulering

Toelichting
In onderstaande tabel is een specificatie opgenomen van de storting en onttrekking van de risicoreserve. In 2018 zal voor de beheersvergoeding van de startersleningen € 0,1 mln worden onttrokken aan de reserve en is de stand van de reserve per ultimo 2018 € 8,5 mln.

Meerjarenperspectief Ontwikkelbedrijf
Voor een meer gedetailleerd inzicht in de activiteiten en resultaten van het ontwikkelbedrijf zie hiervoor de separate bijlage bij de begroting ‘Meerjarenperspectief Ontwikkelbedrijf’.

8. Investeringsagenda

Algemeen beeld van de paragraaf

De Investeringsagenda richt zich op het duurzaam versterken van de structuur van onze provincie op een aantal onderscheidende kwaliteiten.
We concentreren ons daarbij op het bijzondere leef- en vestigingsklimaat van Brabant vanuit de opvatting dat dit past bij het nieuwe profiel en de ambities van onze provincie. Voor de Investeringsagenda is in totaal een bedrag van maximaal € 1 miljard gereserveerd uit de middelen die beschikbaar zijn gekomen bij de verkoop van de aandelen Essent. Dit bedrag is op dit moment nog niet geheel beschikbaar. De komende jaren wordt door rentetoevoegingen dit bedrag bereikt.

Wat wil de provincie bereiken?

De Investeringsagenda is ingevuld via drie tranches:

  • de eerste tranche bestaat uit 5 investeringsvoorstellen voor een bedrag van oorspronkelijk € 278,9 mln;
  • in de tweede tranche zijn het Groen Ontwikkelfonds Brabant, het Innovatiefonds, het Energiefonds en het Breedbandfonds ingesteld tot een totaal bedrag van € 475 mln (PS 42/13);
  • in het Bestuursakkoord 2015 – 2019 ‘Brabant in Beweging’ is ook de derde tranche benoemd tot een bedrag van € 293 mln, waarvan €35 mln gedekt wordt door ambitiebijstellingen 1e tranche en een revolverende inzet economische structuurversterking.

Met het Bestuursakkoord en de bijgestelde ijkpunten is invulling gegeven aan het “rompbesluit” voor de derde tranche. De uitwerking van de individuele voorstellen zijn en/of worden zoveel mogelijk geclusterd per beleidsterrein/-thema aan u voorgelegd.

Wat gaat de provincie daarvoor doen?

Voor de inhoudelijke toelichting op de realisatie van de onderscheidene investeringsvoorstellen verwijzen wij naar de betreffende productgroepen.

In de eerste tranche Investeringsagenda zijn vijf voorstellen gehonoreerd. Deze voorstellen zijn ondergebracht binnen het begrotingsprogramma waar ze inhoudelijk de grootste relatie mee hebben c.q. aan de doelstellingen waarvan ze het meest bijdragen.
Het betreft de volgende investeringsvoorstellen:

a. Energietransitie (04.04)
Een kans voor innovatie en duurzaamheid. Hiervoor is door PS € 71,2 mln (PS 59/10) beschikbaar gesteld. De provincie investeert in drie clusters (solar, biobased economy en elektrisch rijden/slimme netwerken) om hier een internationale concurrentiepositie te verkrijgen. De beschikbare middelen zijn volledig toegekend en t/m 2017 vrijwel geheel gerealiseerd.

b. Landschappen van allure (03.03)
Mooie, groene landschappen. Met het investeringsproject 'Landschappen van allure' wil de provincie - samen met regionale partijen - drie gebieden (de Brabantse Wal, Het Groene Woud en de Maashorst ) ontwikkelen tot hoogwaardige landschappen. PS hebben hiervoor € 56,2 mln (PS 79/10) beschikbaar gesteld. De beschikbare middelen zijn volledig toegekend en t/m 2017 vrijwel geheel gerealiseerd.

c. Brabant C (06.01+ paragraaf verbonden partijen)
Het Brabant C Fonds versterkt en vergroot het kunst- en cultuuraanbod van Brabant. Provinciale Staten hebben hiervoor een bedrag van € 25 mln beschikbaar gesteld (PS 33/14). De beschikbare middelen zullen in 2018 volledig aan Brabant C beschikbaar gesteld worden.

d. Sportplan 2016 (06.04)
Sport draagt bij aan een bruisend leef- en vestigingsklimaat. PS hebben € 40 mln beschikbaar gesteld om de sportinfrastructuur te versterken (PS 77/10). We streven naar meer naam en faam als (top)sportprovincie, het vergroten van de economische spin-off van sport en meer kans om te gaan sporten voor Brabanders met een beperking, ouderen en de Brabantse jeugd (participatie). De beschikbare middelen zijn volledig gealloceerd. Middels besluit PS 30/16 zijn de restant beschikbare sportmiddelen van de 1e tranche ingezet t.b.v. Sportagenda 2016-2019 “Brabant Beweegt”

e. Grote erfgoedcomplexen (06.01)
Het op ambitieuze en ondernemende wijze samenwerken met partners aan het behoud van Brabantse erfgoedcomplexen. Het accent ligt op kloosters, kastelen, militaire complexen en industrieel erfgoed. PS hebben hiervoor een bedrag van € 61,5 mln beschikbaar gesteld waarvan € 2,5 mln t.b.v. apparaatskosten (PS 78/10). Bij het bestuursakkoord 2016-2019 is de ambitie met € 20 mln bijgesteld, zodat per saldo € 39 mln beschikbaar is. Hiervan is nog € 4,4 mln niet toegewezen en beschikbaar voor nieuwe projecten.

In de tweede tranche zijn vier fondsen ingesteld, die eveneens zijn ondergebracht in het begrotingsprogramma waaraan zij het meeste bijdragen.
Gedeputeerden Staten hebben deze investeringsfondsen van de provincie laten evalueren. Daaruit blijkt dat de fondsen in 2017 nog steeds bijdragen aan de uitvoering van het bestuursakkoord. De fondsen, voorzien in een maatschappelijke behoefte. De inrichting en uitvoering van de fondsen is efficiënt en effectief. Voor de toekomst worden goede resultaten verwacht.

f. Groen Ontwikkelfonds Brabant (03.04 + paragraaf verbonden partijen)
Om het volledige Natuur Netwerk Brabant en daaraan gekoppelde ecologische verbindingszones te realiseren is op 1 mei 2014 het GOB opgericht. De omvang van het fonds bedraagt € 240 mln en de looptijd is 15 jaar. De middelen zijn volledig gealloceerd.

g. Innovatiefonds Brabant (04.01+ paragraaf verbonden partijen)
Om innovaties en technologische groei te versterken participeert het fonds in innovatieve MKB-bedrijven en consortia van bedrijven en kennisinstellingen. De omvang van het fonds bedraagt € 125 mln en de looptijd is 24 jaar. Het fonds is sinds 2014 operationeel en ondergebracht bij de Brabantse Ontwikkelings Maatschappij (BOM). De middelen zijn volledig gecommitteerd in de vorm van leningen en daarmee dus ook toegewezen.

h. Energiefonds Brabant (04.01 + paragraaf verbonden partijen)
Het fonds heeft als doel om energiebesparing en opwekking van duurzame energie aan te jagen en te versnellen door bij te dragen aan financiering van bewezen duurzame energietechnieken. De omvang van het fonds bedraagt € 60 mln en de looptijd is 24 jaar. Het fonds is sinds 2014 operationeel en ondergebracht bij de (BOM). De middelen zijn volledig gecommitteerd in de vorm van leningen en daarmee dus ook gealloceerd.

i. Breedbandfonds Brabant (04.01+ paragraaf verbonden partijen)
Het fonds heeft als doel om de beschikbaarheid van breedbandaansluitingen te versnellen en om het gebruik daarvan in ‘witte’ (niet aangesloten) buitengebieden en bedrijventerreinen te bevorderen. De omvang van het fonds bedraagt € 50 mln, waarvan € 7,5 mln is bestemd voor de pilotfase. De looptijd is 25 jaar. Het fonds is ondergebracht bij de BOM. De middelen zijn volledig gecommitteerd in de vorm van leningen en daarmee dus ook gealloceerd. Voorlopig is het fonds “on hold”. In het 1e kwartaal van 2018 zal aan uw Staten een evaluatie van het Breedbandfonds Brabant en een voorstel over de toekomst van het Breedbandfonds Brabant worden voorgelegd.

In het bestuursakkoord Beweging in Brabant zijn in de derde tranche middelen gelabeld voor de onderwerpen/thema’s: transitie agrofood, energietransitie, energieneutrale woningen, ecologische structuurversterking, deltaprogramma, economische structuurversterking en cultuur en leefbaarheid.

j. Transitie Agrofood (02.02)
De beschikbare middelen zijn volledig gealloceerd op basis van het Uitvoeringsprogramma Agrofood en het aangenomen besluit op 7 juli 2017 ‘Versnelling transitie veehouderij (incl. Stalderingsloket)’.

k. Energietransitie en Energieneutrale woningen (04.04)
Circa twee/derde van de beschikbare middelen is gealloceerd op basis van het Uitvoeringsprogramma Energietransitie. Op basis van een tussenevaluatie in het vierde kwartaal van 2017 wordt een voorstel gedaan om de tot dan toe nog niet gealloceerde middel ad € 9,3 mln. in te vullen.

l. Ecologische structuurversterking
In de uitwerking van de bestuursopdracht Connecting Delta is € 7 mln bestemd voor ecologische structuurversterking in de Zuidwestelijke Delta. Op basis van de evaluatie van het BrUG en een herziening van de businesscase Natuurnetwerk Brabant, wordt in het najaar een voorstel gedaan voor nadere invulling van de nog niet gealloceerde middelen.

m. Deltaprogramma
De beschikbare middelen zijn volledig gealloceerd en in 2016 gerealiseerd.

n. Economische structuurversterking
Van de beschikbare middelen is bijna € 110 mln. (inclusief € 6,0 mln. risicoafdekking ten behoeve van de MKB+ faciliteit) gealloceerd. Voor de restant middelen vinden momenteel nadere verkenningen plaats hoe we gezamenlijk met onze partners tot goede proposities kunnen komen.

o. Cultuur en leefbaarheid
Op basis van het Uitvoeringsprogramma Cultuur, Erfgoed en de Sportagenda is € 15,5 mln gealloceerd. Voor het restant van € 3,7 mln wordt de verdere inzet uitgewerkt in een uitvoeringsprogramma voor versterking sociale veerkracht 2018-2019
In de navolgende tabel wordt voor ieder investeringsvoorstel aangegeven wat het oorspronkelijk vastgestelde krediet is, welke aanpassingen daar in de loop van de tijd op zijn geweest, hoeveel daarvan tot het voorgaande begrotingsjaar gerealiseerd is en wat er voor de komende jaren gepland is.

Investeringsvoorstel (bedragen x 1mln)

oorspr. bedrag

max
beschikbaar

Realisatie
 t/m 2016

Raming
 2017

Raming 2018

raming
2019 e.v.

 

Energietransitie 1)

€ 71,20

€ 59,20

€ 48,95

€ 0,17

€ 0,19

€ 0,66

 

Landschappen van allure 2)

€ 56,15

€ 53,90

€ 52,83

€ 0,05

€ 0,07

€ 0,03

 

Brabant C / BHC

€ 50,00

€ 35,00

€ 34,72

€ 0,00

€ 0,00

€ 0,00

 

Sportplan 2016

€ 40,00

€ 38,40

€ 31,33

€ 2,77

€ 2,15

€ 2,15

 

Grote erfgoedcomplexen

€ 61,50

€ 39,00

€ 16,50

€ 7,26

€ 3,76

€ 1,20

 

Appraatkosten 1e tranche

-

€ 7,44

€ 7,44

€ 0,00

€ 0,00

€ 0,00

 

Totaal 1e tranche

€ 278,85

€ 232,94

€ 191,77

€ 10,25

€ 6,17

€ 4,04

 

Groen Ontwikkelfonds Brabant 4)

€ 240,00

€ 235,00

€ 118,31

€ 35,94

€ 0,27

€ 1,32

 

Innovatiefonds Brabant 3)

€ 125,00

€ 150,70

€ 2,57

€ 0,00

€ 0,00

€ 0,00

 

Energiefonds Brabant 3)

€ 60,00

€ 60,00

€ 1,97

€ 0,83

€ 0,00

€ 0,00

 

Breedbandfonds Brabant 3)

€ 50,00

€ 50,00

€ 1,10

€ 0,00

€ 0,00

€ 0,00

 

Appraatkosten 2e tranche

€ 19,00

€ 24,00

€ 0,72

€ 0,24

€ 0,24

€ 0,96

 

Totaal 2e tranche

€ 494,00

€ 519,70

€ 124,68

€ 37,01

€ 0,51

€ 2,28

 

Transitie agrofood

€ 15,00

€ 14,40

€ 1,19

€ 4,75

€ 3,75

€ 2,75

 

Energietransitie

€ 20,00

€ 19,20

€ 0,46

€ 6,25

€ 3,00

€ 2,85

 

Energieneutrale woningen

€ 8,00

€ 7,70

€ 0,00

€ 0,00

€ 0,00

€ 0,00

 

Ecologische structuurversterking

€ 50,00

€ 48,00

€ 0,00

€ 0,00

€ 0,00

€ 0,00

 

Deltaprogramma

€ 30,00

€ 28,80

€ 28,80

€ 0,00

€ 0,00

€ 0,00

 

Econmische structuurversterking 5)

€ 150,00

€ 144,00

€ 82,00

€ 16,20

€ 3,75

€ 8,13

 

Cultuur en leefbaarheid

€ 20,00

€ 19,20

€ 0,70

€ 2,46

€ 5,93

€ 6,37

 

Appraatkosten 3e tranche

-

€ 11,70

€ 2,93

€ 2,93

€ 2,93

€ 2,93

 

Totaal 3e tranche

€ 293,00

€ 293,00

€ 116,07

€ 32,58

€ 19,35

€ 23,02

 

1) Exclusief Clean Tech fonds, deze is in 2013 betaald uit de algemene middelen. Restant € 9,4 miljoen is gealloceerd voor afdekking lening aan Biobasedfonds bij de BOM. 2) Restant van € 870.000 is gealloceerd voor dekking van leningen en garantstellingen. 3) Bedragen zijn volledig gecommitteerd in de vorm van leningen aan de desbetreffende fondsen daarmee dus ook gealloceerd. De bedragen die in de realisatie en ramingen zijn opgenomen hebben betrekking op de verliesvoorziening en dekking van de fondsmanagementkosten.  4) Het gedeelte dat nog niet is opgenomen in realisatie en raming is geïnvesteerd in grond en dus gealloceerd totdat de grond wordt verkocht of ingezet als ruilgrond. 5) Van de € 150 mln. betreft minimaal € 20 mln. revolverende inzet.

9. Europese programma's

Wat wil de provincie bereiken?

De Europese Commissie heeft doelen gesteld in de Europa 2020 strategie op gebied van slimme, duurzame en inclusieve groei en heeft hier middelen aan gekoppeld voor de periode 2014 -2020. Met behulp van Europese programma’s wil de provincie optimaal en op een strategische manier gebruik blijven maken van de kansen die Europa ons biedt om provinciale beleidsdoelen te bereiken.
De doelstellingen zoals aangegeven in o.m. het Economisch Programma en het bestuursakkoord komen overeen met de doelstellingen uit de Europa 2020 strategie.
Het zogenoemde multiplier effect van elke geïnvesteerde euro maken de Europese middelen tot belangrijke impulsgelden voor de provincie. De Europese middelen zijn een katalysator bij het stimuleren van vooral het bedrijfsleven en Triple Helix partners om te innoveren en innovatiekracht te verbinden met de maatschappelijke opgaven.

Wat gaat de provincie daarvoor doen?

De inzet van de provincie wordt weergegeven in onderstaande drie lijnen:

1. Subsidie instrumenten
Reguliere subsidie programma’s
Vormgeven en lanceren van succesvolle openstellingen (lage uitvoeringskosten, effectieve governance, betrouwbaar financieel systeem) binnen de drie reguliere majeure programma’s die aansluiten bij de doelstellingen van de Agenda van Brabant en de RIS3 gedurende het hele jaar 2017 en zijn afgestemd met het veld.

• Operationeel Programma Zuid (OPZuid)
Europa stelt € 114 mln. beschikbaar voor het OP Zuid programma. Dit is een gezamenlijk programma voor de drie zuidelijke provincies. De provincie treedt op als Management Autoriteit. Binnen het OP Zuid richten we ons op verbetering van het regionale concurrentievermogen en de werkgelegenheid door middel van de speerpunten innovatiebevorderingen op basis van de “Smart Specialisation Strategy” RIS3 en de overgang naar een koolstofarme economie.

• Plattelandsontwikkelingsprogramma 3 (POP3)
Vanuit Europa is er voor het POP3 een bedrag van € 55,41 miljoen beschikbaar voor de provincie Noord-Brabant. Dit programma richt zich op verduurzaming en innovatie van de landbouw en de daarmee verbonden thema’s zoals transitie agrofood, water, natuur, milieu en plattelandsontwikkeling. Innovatie vormt hier een rode draad in POP3, en wel vanuit de landbouw met slimme cross-overs naar andere sterke sectoren en samenhangende beleidsthema’s. Bovendien richten we ons bij de POP3-openstellingen op projecten die leiden tot innovatie binnen de agrarische sector. Met deze elementen wordt aangesloten op de thema’s van het nieuwe bestuursakkoord: Brabant Innoveert, Brabant Vergroent en Brabant Verduurzaamt. De provincie vervult een rol als gemandateerd management Autoriteit.

• Interreg
Interreg zet in op bevordering van samenwerking tussen regionale gebieden in verschillende landen. Interreg A is gericht op grensoverschrijdende samenwerking met België, Duitsland, Frankrijk en Engeland en verwacht wordt € 68 miljoen uit het Interreg A programma te genereren. De nadruk ligt hierbij op de thema’s innovatie en duurzaamheid en grensoverschrijdende arbeidsmarktbeleid. De Interreg-programma’s zijn een belangrijk instrument bij de verwezenlijking van de internationale ambities van Brabant.

Uitbreiding Europese financieringsbronnen
Naast het bovengenoemde programma waarin de provincie een duidelijk rol heeft toebedeeld wordt er ook ingezet op andere Europese programma’s en Europese financieringsfondsen die kunnen bijdragen aan de realisering van de Brabantse doelstellingen genoemd in het nieuwe bestuursakkoord. Hierbij kan gedacht worden aan het opzetten van nieuwe financieringsfondsen (zie onder EFSI) en het opwerken en aanjagen van Brabantse projecten binnen voor de provincie relevante Europese programma’s (Horizon 2020).

2. Bancaire instrumenten
Europees Fonds voor Strategische Investeringen (EFSI)

In het kader van de bestuursopdracht is de provincie bezig om een faciliteit voor snel groeiende innovatieve MKB in de topsectoren op te zetten, de zgn. MKB-plus faciliteit.
Deze is ontworpen om een investeringsvolume voor Brabant in de markt los te maken van € 600 mln. en maakt o.a. gebruik van het Europees Fonds voor Strategische Investeringen (EFSI). U heeft hierover al een Statenvoorstel ontvangen (49/17). Het doel is om deze faciliteit in 2018 te implementeren. Hiertoe zal aan u, t.z.t., een begrotingswijziging worden voorgelegd.

3. Beleidsinstrumenten
Vanguard initiatief
Het Vanguard Initiatief is een initiatief waarin 26 Europese regio’s samenwerken. Het initiatief is gericht op een revival van de Europese maakindustrie (Smart Industries). Brabant participeert in dit Europese Samenwerkingsproject en wil in 2018 twee innovatieve baanbrekende pilotprojecten een volgende ontwikkelstap laten maken.

Monitoring
We maken jaarlijks een analyse van waar de mogelijkheden voor nieuwe Europese financieringsinstrumenten liggen die tot meer Brabantse initiatieven voor subsidieaanvragen kunnen leiden, dan wel tot initiatieven die winnen aan slagingskans om in Brussel gehonoreerd te worden. Interne en externe partners worden hierin meegenomen.

Nieuwe programmaperiode 2020-2027
Voor de nieuwe Europese programmaperiode 2020-2027 wil de Europese Commissie meer synergie tussen de diverse Europese fondsen en dat deze gebundeld zijn in één strategie. In de aanloop naar de volgende programmaperiode staan de provincies dan ook aan de lat om samen met de steden en overige stakeholders hun strategieën in een integrale strategie per landsdeel te bundelen, uitmondend in een Regionale Investeringsstrategie (RIS). In 2018 wordt er gewerkt aan een gedragen strategie waarmee provincies, samen met gemeente, het Rijk en Triple Helices gestuurd kan worden op de allocatie van middelen.

Wat mag het kosten?

Het Europese beleid kent een cyclus van zeven jaar. De huidige programmaperiode loopt van 2014 tot en met 2020. De beschikbare EU-middelen zijn bekend inclusief de percentages waarin ze als cofinanciering kunnen bijdragen aan ons provinciaal beleid en de verwachte kosten die zijn gemoeid voor de uitvoering van de programma’s (zoals de afhandeling van de aanvragen en de monitoring). Bij de match van de provinciale cofinanciering aan de Europese middelen wordt het principe van  comply-or-explain toegepast.

D.w.z.:Bij elk nieuw project wordt de ‘financiële trap’ afgelopen: 1) Is een bijdrage noodzakelijk ?  2) Is het mogelijk revolverend te investeren ? 3) Kunnen Europese Programma’s of andere regelingen gebruikt worden ? 4) Is er nog incidentele ruimte in de exploitatiebegroting ?

 

Financiële inzet Europese programma’s 2014 -2020

Aanwezige dekking plausibel 2014

3e tranche investerings-agenda 2015

3e tranche investerings-agenda 2016

Op Zuid**

27 mln.

16,6 mln.

7 mln.

3,4 mln

POP3

30 mln.

18,4 mln.*

3 mln.

13,4 mln.

Interreg A**

34 mln.

0 mln.

5 mln

20,2 mln.

Uitvoering

12 mln.

16 mln.

0 mln.

0 mln.

Totaal

103 mln.

51 mln.

15 mln.

37 mln.

*Dit bedrag is toegezegd door beleidsdirecties, GOB en Waterschappen
** De genoemde financiële inzet voor deze programma’s is uitwisselbaar; beide programma’s focussen op dezelfde thema’s met name innovatie.