Meer
Publicatiedatum: 12-07-2019

Inhoud

Programma onderdelen

Paragrafen: bedrijfsvoering en overige

1. Bedrijfsvoering

Inleiding en doelstelling

In 2020 willen we als provincie een opgavegestuurde netwerkorganisatie zijn van professionals met ruimte en een organisatie die optimaal ondersteunt. We willen in staat zijn om mee te bewegen met de maatschappij en maatschappelijke vraagstukken op een passende wijze op te pakken. Deze ambitie betekent wat voor de manier waarop we binnen en buiten het provinciehuis werken.

We werken aan een organisatie die denkt en handelt vanuit de opgaven van Brabant, op basis van duidelijke rollen en de toegevoegde waarde van de provincie als bestuurslaag tussen rijk en gemeenten, midden in de samenleving. Dat doen we projectmatig, integraal en in samenwerking. Daarbij zijn we een lerende organisatie.

In 2017 zijn de geplande prestaties en activiteiten op het terrein van
organisatieontwikkeling en bedrijfsvoering voor het overgrote deel gerealiseerd. We liggen op schema in ons streven om aan het eind van deze bestuursperiode de provinciale organisatie te hebben doorontwikkeld tot een opgavegestuurde netwerkorganisatie.

Programma ‘Beweging in de organisatie’

Om stappen te zetten richting ons streefbeeld van een opgavegestuurde netwerk-organisatie, is een meerjarig traject ingezet dat zorgt voor beweging in de organisatie. Er zijn drie samenhangende pijlers waar we ons op richten:
Opgavegestuurd werken …
… door professionals met ruimte …
… met een organisatie die optimaal ondersteunt.

Opgavegestuurd werken in het netwerk

We hebben besloten tot een meer flexibele organisatie die zich kan aanpassen aan de veranderende vraag van de omgeving met een compactere ambtelijke top. Het nieuwe directieteam, bestaande uit de provinciesecretaris en directeuren, hebben we in 2017 geworven en is inmiddels aan de slag gegaan. Hiermee ontstaat een plattere organisatie waarin een managementlaag is verdwenen. Dit is mede mogelijk doordat we onze opgaven hebben georganiseerd in inhoudelijke programma’s en projecten, aangestuurd door programmamanagers.
Van onze medewerkers vragen wij hoge kwaliteit en verwachten we dat ze in de netwerksamenleving optimaal met ‘buiten’ kunnen samenwerken. Om hen daarbij te ondersteunen hebben we geïnvesteerd in ons management. De rol van H-managers (afdelingshoofden) is structureel ingebed in de organisatie. We verwachten van hen dat zij professionals de hoogwaardige ondersteuning en coaching bieden om optimaal te kunnen presteren voor Brabant. Ook zijn er pilots opgestart om teams op een vernieuwende manier samen te laten werken met buiten. Hierbij staat het realiseren van een goed en wendbaar samenspel zowel binnen als buiten de organisatie centraal.

Professionals met ruimte

We streven naar een personeelsbestand dat past bij de toekomstige opgaven: flexibel, vitaal en professioneel. We investeren in de mobiliteit en vitaliteit van de medewerkers door het totaalpakket vitalisering en mobiliteit, dat tot stand is gekomen met het Georganiseerd Overleg van vakbonden. In het totaalpakket is onder andere de levensfaseregeling opgenomen waarbij oudere medewerkers (60+) in deeltijd kunnen gaan werken plus een mobiliteitskader dat medewerkers ondersteunt bij het vinden van een toekomst buiten de provinciale organisatie als dit beter bij hen past. We hebben met het totaalpakket 34,5 fte vrijgespeeld met de levensfaseregeling en ruim 6 fte met het mobiliteitskader om nieuwe, bij voorkeur jongere medewerkers in te kunnen zetten, met competenties die we ook op langere termijn nodig hebben. We hebben de mobiliteit ook bevorderd door in te zetten op de flexibele inzetbaarheid van de zittende medewerkers. We stellen hen in staat hun kennis, ervaringen en kwaliteiten te ontwikkelen, en belonen hen naar gelang hun prestaties. Strategische personeelsplanning is verder doorontwikkeld om gericht te kunnen werken aan in-, door- en uitstroom. Managers kunnen nu een betere inschatting maken van de benodigde kennis en kwaliteiten die nodig zijn voor de bestuurlijke opgaven van nu en in de toekomst en dit met elkaar delen. Met medewerkers wordt het gesprek gevoerd over de ontwikkelingen in het werk en wat dit van hen vraagt, zodat ze ontwikkelstappen kunnen maken die passen bij henzelf en de behoeften binnen de organisatie.

De organisatie werkt ook samen met studenten aan oplossingen voor maatschappelijke vraagstukken, bijvoorbeeld met de Fontys Hogeschool op het gebied van data en de Avans Hogeschool op het gebied van HRM. Daarnaast zijn er een tweetal hackatons op het gebied van sociale veerkracht en mobiliteit georganiseerd.

Een organisatie die optimaal ondersteunt

Een organisatie die ondersteunt gaat over de middelen waarmee we onze professionals
ondersteunen om hun werk binnen en buiten goed te kunnen doen. De externe ontwikkelingen vragen dat we ons continu verbeteren, met passende huisvesting, ICT-oplossingen en een kostenefficiënte bedrijfsvoering met kwalitatief hoogwaardige dienstverlening.
We zijn gestart met het lean (slim en efficiënt) organiseren van de bedrijfsvoerings-processen. Hiervoor zijn een aantal medewerkers geschoold om de processen lean te kunnen inrichten en zijn we procesverbeteringstrajecten voor onze interne dienstverlening gestart, zoals voor het planning & control-proces en de facilitaire processen. Ook hebben we twee pilots uitgevoerd om vanuit klantperspectief de interne processen te verbeteren. Daarnaast hebben we voor een netwerkproof bedrijfsvoering de voorbereidingen getroffen voor de migratie van Office365.

Kwaliteit van onze dienstverlening

In het provinciale dienstverleningshandvest zijn normen ten aanzien van de kwaliteit van de provinciale dienstverlening vastgelegd. In het burgerjaarverslag (zie paragraaf 10) rapporteren wij hier jaarlijks over. Als organisatie hebben wij in 2017 onze ISO 14001-certificering voor facilitaire processen verlengd.
Wij zijn bezig met de doorontwikkeling van ons administratiesysteem naar SAP S4/HANA en ook de ontwikkeling van e-facturering wordt hierin meegenomen. In de tijdsplanning komen wij tegemoet aan de wettelijke termijn (april 2019) die is gesteld voor het mogelijk maken van e-facturering.
Om te borgen dat we als organisatie vanaf 25 mei 2018 compliant zijn met de nieuwe Europese wetgeving op het gebied van privacy (Algemene Verordening Gegevensbescherming), hebben we verschillende acties in gang gezet, zoals een inventarisatie van verbeterpunten en het opstellen van een functie voor de verplichte functionaris gegevensbescherming.

Om aan de steeds hogere eisen en randvoorwaarden te kunnen voldoen hebben we trends en ontwikkelingen in beeld gebracht rondom onze ICT-voorzieningen. Er ligt daarbij een steeds grotere nadruk op netwerkend (samen)werken en een toenemende behoefte en controle op informatieveiligheid. Deze ontwikkelingen maken deel uit van de uitwerking van de bestuursopdracht Digitalisering.
We hebben daarnaast ook de eerste verkennende stappen gezet richting de uitvoering op afstand van ICT-Beheer.

Als maatschappelijk betrokken organisatie zorgen we ervoor dat er binnen onze organisatie plek is voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Met de beschikbare plekken in de organisatie en onze deelname aan de Schoonmaak Coöperatie hebben we voldaan aan de gemaakte afspraken. Daarnaast bieden we binnen onze organisatie kansen voor studenten en scholieren om hun eerste werkervaringen op te doen.

De provincie werkt op verschillende manieren aan haar duurzaamheidsambities, o.a. via de Green Deal Circulair Inkopen, Green Deal Duurzaam GWW. Met een jaarlijks inkoopvolume van circa € 300 miljoen dragen wij substantieel bij aan deze duurzaamheidsdoelen. Bij de inkoop van diensten, werken en goederen houden we rekening met de sociale, ecologische en economische dimensies van duurzaamheid. Eind oktober 2017 heeft de commissaris van de Koning het verzoek tot deelname aan het manifest Maatschappelijk Verantwoord Inkopen ondertekend. Naar aanleiding hiervan stellen wij in 2018 een actieplan MVI op.

Organisatiekostenbudget

De ombuigingstaakstelling uit het bestuursakkoord is in de raming van het Organisatiekostenbudget (OKB) verwerkt. In 2017 hebben we de uitvoering van onze taken binnen het beschikbare budget gerealiseerd. We liggen op koers om de meerjarige taakstelling te realiseren.

Wat hebben we daarvoor gedaan?

Beleidsnota Prestaties met indicatoren Is de prestatie in 2017 gerealiseerd? 
 

Beweging in de organisatie genereren voor 20% van de medewerkers: instroom, doorstroom binnen Brabant en uitstroom.

Streefwaarde 20%

In 2017 hebben er 231 formele mobiliteitsbewegingen plaatsgevonden, dat is 19,2% van het huidige personeelsbestand.
De gerealiseerde herbezettingsruimte van ruim 40 fte door deelname aan de Levensfaseregeling en Mobiliteitskader zal grotendeels pas in 2018 worden ingevuld.

In het kader van mobiliteit van onze medewerkers in en buiten de organisatie hebben we ons digitaal aangesloten bij een netwerk van de 32 overheidspartners in Oost-Brabant en bij het werkgeversnetwerk De Nieuwe Arbeid.
Daarnaast ontwikkelen we momenteel ook instrumenten (waarvan sommige al beschikbaar zijn), die medewerkers in staat stellen om –vanuit hun huidige rechtspositie– tijdelijk buiten de provinciale organisatie te werken bij andere (Brabantse) overheden en zo nieuwe ervaringen op te doen. Tevens neemt de provincie op pilot-basis deel aan het zogeheten BRAM-concept (BRAbant Mobiel), samen met de gemeenten Eindhoven, Oss en Bergen op Zoom. Dit is een pool van jonge ambtenaren die op projectbasis opdrachten en klussen verrichten bij (overheids)organisaties in Brabant.

 

In 2017 maken we onder andere een start met het lean (slim en efficiënt) organiseren van de bedrijfsvoeringsprocessen.

Streefwaarde 25%

Tenminste 25% van de bedrijfsvoeringsprocessen zijn geraakt door lean.
Door het opleiden van management (de proceseigenaren) en medewerkers, alsmede door het initiëren en realiseren van een aantal concrete procesverbeteringstrajecten (o.a. facilitaire processen, planning&control, administratieve processen, inkoopproces) zijn we lean aan het uitrollen over de bedrijfsvoeringsorganisatie.
 

Tijdige afhandeling subsidies (indicator: % tijdig afgehandelde subsidies)

Streefwaarde 90%

In 2017 hebben we 89% van de subsidies binnen de termijn afgehandeld, een verbetering sinds 2016 (84%). We streven naar een verbetering van de afhandeling binnen de termijn van 95% in 2018.
 

Tijdige afhandeling facturen (indicator: % tijdig betaalde facturen)

Streefwaarde 93%

We hebben in 2017 ruim 93% van de facturen binnen de termijn betaald.

 

Wat heeft het gekost?

Toelichting afwijkingen organisatiekosten

Capaciteitsbudget
In 2017 is gestuurd op de realisatie van de provinciale taken binnen het beschikbare capaciteitsbudget. Binnen het capaciteitsbudget is hierdoor sprake van een onderschrijding van bijna € 2,5 mln.

Overige personeelskosten
Binnen de overige personeelskosten is sprake van een beperkte onderbesteding van bijna € 0,4 mln. De gerealiseerde kosten voor werving en selectie zijn lager uitgevallen dan begroot in verband met de focus op de interne mobiliteit. Ook de kosten voor vergaderfaciliteiten zijn lager uitgevallen dan begroot.

Overige bedrijfsvoeringskosten
In verband met de taakstelling op het organisatiekostenbudget hebben we scherp gestuurd op de bedrijfsvoeringskosten. Daarnaast heeft een aanzienlijk deel van de onderschrijding van de overige bedrijfsvoeringskosten betrekking op de verwerking van compensabele btw. Aangezien een deel van de compensabele btw niet direct is toe te rekenen aan specifieke beleidsvelden of budgetten, is compensatie van € 0,35 mln verwerkt in het budget voor financiën, planning en control.

Toelichting afwijkingen investeringen
Provinciehuis
In 2017 zijn in verband met de afronding van Huis van Brabant enkele grote projecten uitgevoerd, zoals de renovatie van de glazenwasbalkons en de liften. Een aantal andere werkzaamheden zullen we in 2018 uitvoeren.

ICT en automatisering
Vanuit effectiviteit is besloten om enkele investeringen door te schuiven naar 2018 en te combineren met andere aanpassingen of vervangingen.

Organisatiekosten
Bedragen x € 1.000 Begroting 2017 Jaarrek. 2017 Verschil
na wijziging realisatie begr-realisatie
Lasten
Capaciteitsbudget 98.224 95.741 2.483
Budget 'overige personeelskosten' 4.884 4.496 388
Budget 'overige bedrijfsvoeringskosten' 17.353 16.128 1.225
Vitale organisatie 150 110 40
120.612 116.475 4.137
0
Investeringen
Bedragen x € 1.000 Begroting 2017 Begroting 2017 Jaarrek. 2017 Verschil
oorspronkelijk na wijziging realisatie begr-realisatie
Provinciehuis (incl Gevelplaten en buitenterrein) 27 27 0 -27
ICT en automatisering 46 46 66 20

2. Provinciale heffingen

Inleiding

De provincie kent verschillende soorten inkomsten. Eén van die soorten betreft de inkomsten uit provinciale heffingen.
Tot de provinciale heffingen behoren:

  • opcenten motorrijtuigenbelasting;
  • grondwaterheffing;
  • nazorgheffing in kader Leemtewet;
  • leges.

De provincie kent geen kwijtscheldingsbeleid voor provinciale heffingen.

Opcenten motorrijtuigenbelasting

De opbrengst uit de opcenten motorrijtuigenbelasting vormt de belangrijkste bron van inkomsten voor de provincie. Op grond van artikel 222 van de Provinciewet worden provinciale opcenten geheven. De opbrengst wordt tot de algemene dekkingsmiddelen gerekend. Dit betekent dat aan de besteding geen voorwaarden zijn verbonden.

De raming en de realisatie van de opcenten wordt bepaald door de uitkomst van het aantal personenauto’s en motoren keer het tarief. Het tarief is een percentage waarmee de hoofdsom van de motorrijtuigenbelasting –die van rijkswege wordt geheven op personenauto’s en motoren – wordt vermeerderd. De meeropbrengst die dit oplevert is voor de provincie.
Naast het tarief hebben mutaties in het wagenpark effect op de totale opbrengst van de opcenten. De mutaties zijn te onderscheiden in volume-effect, gewichtseffect en effect van de milieubelasting van de auto.

Door het Rijk wordt elk jaar het maximumniveau van de opcentenheffing vastgesteld. De provincie bepaalt zelf in hoeverre zij de vrije capaciteit (verschil wettelijk maximum -/- provinciaal opcententarief) wil benutten. De datum waarop provincies hun opcenten kunnen wijzigen is met ingang van 1 januari van enig jaar.
Op basis van de belastingcapaciteit (omvang wagenpark in aantallen en gewicht) werd in 2017 (raming incl.begrotingswijzing) een opbrengst van € 249,5 miljoen verwacht. De gerealiseerde opbrengst opcenten motorrijtuigenbelasting bedroeg in 2017 € 250,7 miljoen (zie ook bij Algemeen financieel beleid).

Provinciale lastendruk m.b.t. opcenten motorrijtuigenbelasting

Het door het Rijk vastgestelde maximale opcententarief is per 1 januari 2016 wettelijk bepaald op 110,6 opcenten en wordt jaarlijks geïndexeerd.

In de heffingsverordening opcenten Motorrijtuigenbelasting is voor 2016 het tarief vastgesteld op 76,1 opcenten (PS 69/15). Conform de afspraken bij het bestuursakkoord wordt dit tarief niet gewijzigd.

In onderstaande tabel is een vergelijking opgenomen van de vastgestelde opcententarieven van alle provincies.

    Vastgesteld tarief per 1 januari 2017 Onbenutte belastingcapaciteit uitgedrukt in percentages per 1 januari 2017
1 Drenthe 92,0 17,1%
2 Zuid-Holland 91,4 17,7%
3 Gelderland 89,2 19,6%
4 Groningen 88,6 20,2%
5 Zeeland 82,3 25,9%
6 Overijssel 79,9 28,0%
7 Flevoland 78,2 29,5%
8 Limburg 77,9 29,8%
9 Noord-Brabant 76,1 31,4%
10 Utrecht 72,6 34,6%
11 Friesland 69,6 37,3%
12 Noord-Holland 67,9 38,8%
       
  Gemiddeld tarief 80,5  
  Maximaal tarief 111,0  

In de rangorde van opcentenheffing van hoog naar laag komt de provincie Noord-Brabant uit op een 9e plaats. In 2017 is de lastendruk m.b.t. de opcenten op de motorrijtuigenbelasting in relatieve zin onder het landelijk gemiddelde gebleven.

Onbenutte belastingcapaciteit

De onbenutte belastingcapaciteit is het verschil tussen de theoretische opbrengst op basis van het wettelijk vastgestelde maximumtarief en de opbrengst gebaseerd op het tarief van de provincie.
De onbenutte belastingcapaciteit bedraagt rekening houdend met het maximale tarief van 111,8 opcenten voor het jaar 2018 van ruim € 117 miljoen.

Er is een relatie tussen de opcentenheffing (omvang wagenpark in aantallen en gewicht) en de algemene uitkering uit het Provinciefonds. In het verdeelmodel van het fonds telt de belastingcapaciteit (tegen een algemeen rekentarief) mee als een (negatieve) inkomstenmaatstaf. Anders gezegd: een relatief grotere belastingcapaciteit (zoals in Noord-Brabant) leidt tot een naar verhouding lagere provinciefondsuitkering.

Grondwaterheffing en Nazorgheffing in kader van leemtewet

Grondwaterheffing
De grondwaterheffing wordt geheven over de hoeveelheid onttrokken grondwater. De bestedingsmogelijkheden van de heffing zijn limitatief in de Grondwaterwet opgenomen, namelijk kosten van onderzoek, metingen en schadevergoedingen in verband met de onttrekking van grondwater. De financiële verantwoording verloopt via de voorziening grondwaterheffing.

De baten uit de grondwaterheffing zijn in de jaarstukken opgenomen bij productgroep 03.01 Water.
De heffing vindt plaats op grond van de verordening grondwaterheffing Noord-Brabant die voor het laatst is gewijzigd op 9 december 2011 (PS 44/11). Deze wijziging was voorzien in het Provinciaal Waterplan.

De geraamde inkomsten grondwaterheffing zijn voor 2017 geraamd op: € 3,8 mln.
De daadwerkelijke inkomsten uit de grondwaterheffing komen uit op € 3,88 mln.

Nazorgheffing gesloten stortplaatsen
Op grond van de Wet milieubeheer is de provincie verantwoordelijk voor de nazorg van alle stortplaatsen waar na de peildatum 1 september 1996 nog afval wordt gestort. Om het eeuwigdurend milieuhygiënisch beheer door de Provincie van deze stortplaatsen te verzekeren is, conform in de wettelijke regeling is bepaald, een Nazorgfonds (een aparte rechtspersoon) ingesteld.
De exploitanten van de stortplaatsen moeten een nazorgplan opstellen en voorleggen aan de provincie. Op basis van de nazorgplannen wordt een doelvermogen bepaald. Om het doelvermogen op te bouwen wordt aan de stortplaatsbeheerders een heffing opgelegd die in het fonds wordt gestort. Hiermee is in april 2000 een start gemaakt.
De heffing vindt plaats op grond van de vastgestelde verordening Nazorgheffing Noord-Brabant die voor het laatst is gewijzigd op 25 februari 2011 (Statenvoorstel 86/11).
Op grond van de Wet milieubeheer is de opbrengst van de nazorgheffing uitsluitend bestemd voor de uitvoering van de nazorg van gesloten stortplaatsen.
De Provincie fungeert als ontvanger voor het Nazorgfonds. De gelden worden belegd in externe fondsen, conform het vastgestelde beleggingsstatuut. De beleggingsresultaten worden verrekend met de te betalen heffingen, zodanig dat voldoende vermogen wordt opgebouwd om de eeuwigdurende nazorg op de stortplaatsen uit te kunnen voeren. Het Nazorgfonds heeft een eigen begroting die door het Algemeen bestuur van het fonds wordt vastgesteld.
Naar verwachting zullen in 2018 de uitkomsten bekend worden van een ALM-studie (Asset-Liability management) die in 2016 is opgestart

Op dit moment zijn er in Brabant negen (baggerspecie)stortplaatsen waarop de wettelijke regeling van toepassing is:

  1. De Kragge, Bergen op Zoom
  2. RAZOB, Nuenen
  3. Spinder, Tilburg
  4. Meerendonk, ‘s-Hertogenbosch
  5. Zevenbergen
  6. Haps
  7. Vlagheide, Schijndel
  8. Nyrstar, Budel
  9. Baggerdepot Dintelsas

De baten uit de nazorgheffing zijn in de begroting opgenomen bij productgroep 03.02 Milieu. In 2014 is een definitieve afrekening gemaakt voor de stortplaatsen Nyrstar en Dintelsas, die inmiddels gesloten zijn en waarvoor de provincie de nazorg uitvoert. De toekomstige bijdragen van de stortplaatsen van Deponie Zuid BV, te weten de locaties Haps, Tilburg en Bergen op Zoom zijn contant gemaakt, aan de provincie overgemaakt en ten gunste gebracht van het Nazorgfonds. Per saldo gaat dit om een bijdrage van circa € 5,5 miljoen, waardoor de bijdragen vanaf 2015 op € 0 uitkomen. Voor de goede orde: het betreft hier geen definitieve afrekening voor deze drie stortplaatsen. Voor deze stortplaatsen wordt ieder jaar bekeken of de eerder betaalde bijdragen voldoende zijn. Afhankelijk van de situatie vindt er dan een bijstorting in of teruggave uit het Nazorgfonds plaats.
Voor wat betreft de stortplaatsen RAZOB (Nuenen), Meerendonk (‘s-Hertogenbosch), Vlagheide (Schijndel) en Zevenbergen zijn de nazorgheffingen gestort in het Nazorgfonds en zal bij sluiting, op basis van een geactualiseerd nazorgplan en heffing, een definitieve afrekening worden opgemaakt.

Overige heffingen
Productgroep Begroting 2017 Jaarrek. 2017
Bedragen x € 1.000 na wijziging realisatie
03.01 Grondwaterheffing 3.800 3.882
03.02 Nazorghef. Vergun.houders ivm. Leemtewet 0 0
3.800 3.882
0

Leges

Sinds 2013 heeft de provincie Noord-Brabant de uitvoering van vergunningverlening, toezicht en handhaving uitbesteed aan de drie omgevingsdiensten. Het verwerken van vergunningsaanvragen en meldingen Waterwet, Ontgrondingenwet, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en Natuurbeschermingswet maakt hier deel van uit.

Behalve op het terrein van verkeer en vervoer zijn alle legesplichtige activiteiten overgegaan naar de omgevingsdiensten. Hierbij is het principe van “beschikken op aanvraag” van toepassing. Gevolg hiervan is dat een raming in de begroting op voorhand onzeker is en dat pas achteraf duidelijk is hoeveel aanvragen daadwerkelijk in procedure zijn genomen.

De legesopbrengsten jaarrekening 2017 zijn als volgt te specificeren:

Legesopbrengsten
Productgroep Begroting 2017 Jaarrek. 2017
Bedragen x € 1.000 na wijziging realisatie
03.02 Grondwater-onttrekking 195 42
03.02 Ontgrondingenwet 364 183
03.02 Wet algemene bepaling omgevingsrecht 826 1.326
03.02 Natuurbeschermingswet 1.496 659
05.03 Vergunningen/ontheffingen wegenverordening 192 125
3.073 2.336
0

Leges Waterwet (grondwateronttrekking)

De realisatie blijft achter bij de raming. Dat geldt zowel voor het aantal afgegeven beschikkingen als voor de opbrengsten. Ondanks een toename van activiteiten in de bouwsector neemt het aantal procedures, anders dan werd verwacht, niet toe. Relatief veel van de in 2017 behandelde procedures betroffen wijzigingen op bestaande aanvragen.

Leges waterwet
Onderdeel (in aantallen) Geraamd Gerealiseerd
Onttrekking:
4.1a t/m 200.000 m3 16 1
4.1a1 t/m 500.000 m3 12 3
4.1a2 meer dan 500.000 m3 8 1
36 5
Drinkwater & industriële toepassingen:
4.1b t/m 500.000 m3 0 1
4.1b1 t/m 1.000.000 m3 0 0
4.1b2 meer dan 1.000.000 m3 1 0
1 1

Leges Ontgrondingenwet

Het aantal ontvangen aanvragen over 2017 ligt onder de prognose. Dit geldt voornamelijk voor de nieuwe aanvragen. De opbrengsten blijven eveneens achter bij de raming. De gevolgen van de aantrekkende economie, die al in 2017 werden verwacht, lijken in 2018 daadwerkelijk tot een stijging van het aantal aanvragen te komen.

Leges ontgrondingenwet
Onderdeel (in aantallen) Geraamd Gerealiseerd
Ontgrondingen:
5.5.1a tot 15.000 m3 2 3
5.5.1b 15.001 m3 t/m 25.000 m3 5 2
5.5.1c 25.001 m3 tot 50.000 m3 12 3
5.5.1d 50.001 m3 tot 100.000 m3 4 1
5.5.1e 100.001 m3 tot 500.000 m3 1 1
5.5.1f  500.001 m3 en meer 1 1
5.5.2 wijzigen of verlengen vergunning 6 10
5.5.3 wijzigen vergunning met extra hoeveelheid specie 2 0
5.5.4 intrekken vergunning 0 0
5.5.5 machtiging ingevolge artikel 12 0 0
5.5.6 cultuurtechnische verbetering zonder specieafvoer 1 0
5.5.7 natuurprojecten zonder specieafvoer 1 0
35 21

Leges Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

Het aantal gerealiseerde Wabo-aanvragen blijft, in beperkte mate, achter bij de raming.
De gerealiseerde opbrengsten zijn echter beduidend hoger dan de raming. Gevolg hiervan is dat de gemiddelde legesopbrengst per procedure hoger uitkomt dan was geraamd.

Leges Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
Onderdeel (in aantallen) Geraamd Gerealiseerd
Bouwkosten:
5.1.1 1a lager dan € 20.000 62 40
5.1.1 1b tussen €20.000 en € 50.000 47 47
5.1.1 1c tussen €50.000 en € 100.000 31 30
5.1.1 1d tussen €100.000 en € 400.000 29 26
5.1.1 1e tussen €400.000 en € 1.000.000 18 11
5.1.1 1f tussen € 1 mln. en € 5 mln. 12 13
5.1.1 1g tussen € 5 mln. en € 25 mln. 2 4
5.1.1 1h meer dan € 25 mln. 0 0
5.1.1.2 beoordelen bodemrapport 5 10
5.1.1.3 beoordelen advies agrarische adviescommissie 0 0
5.1.1.4 toetsen ontheffing ihkv exploitatieplan 0 3
5.1.2 a t/m g binnenplanse ontheffing (bestemmingsplannen) 11 13
5.1.3 a&c slopen en wijzigen beschermd monument 0 0
5.1.3 b&d slopen beschermd stads & dorpstoezicht 0 0
5.1.4 slopen 9 3
5.1.5 kappen 7 1
5.1.6 a& b handelsreclame 9 14
5.1.7 omgevingsvergunning aanhaken Wet natuurbeheer onderdeel gebiedsbescherming 10 2
5.1.8 omgevingsvergunning aanhaken Wet natuurbeheer onderdeel faunabeheer 1 0
5.1.9 en 5.1.10 andere/overige activiteiten 2 10
255 224

Leges Wet Natuurbescherming

In 2017 werd de nieuwe Wet natuurbescherming van kracht. Hierdoor werd het aantal procedures dat onder provinciale verantwoordelijkheid kwam uitgebreid. Op basis van beperkt bruikbare ervaringsgegevens van het RVO is een inschatting gemaakt van het aantal te behandelen procedures en van de legesopbrengsten die daarmee gepaard gaan.

Zowel het aantal procedures als de opbrengsten blijven fors achter bij de initiële raming. In beide gevallen komt de realisatie uit op circa 44% van de raming. De gemiddelde opbrengst sluit hierdoor goed aan op de raming.

Leges Wet Natuurbescherming
Onderdeel (in aantallen) Geraamd Gerealiseerd
6.1.1 vergunningverlening gebiedsbescherming art 2.7 396 184
6.1.3a ontheffingverlening soortenbescherming tbv onderwijs/onderzoek 23 6
6.1.3b ontheffingverlening soortenbescherming tbv ruimtelijke ingrepen 62 38
6.1.2 ontheffingverlening beheer- en schadebestrijding 50 15
6.4.1a ontheffingverlening compensatie herplantplicht art 4.3 23
6.4.1b ontheffingverlening ontheffing herplantplicht art 4.3 31 19
6.4.1c ontheffingverlening melding/herplantplicht art 4.3 5
590 262

Vergunningen/ontheffingen wegenverordening

De leges die in rekening worden gebracht voor het behandelen van aanvragen van vergunningen en ontheffingen op grond van de Verordening wegen Noord- Brabant en de wegenverkeerswetgeving zijn berekend op basis van de werkelijke hoeveelheid ambtelijke uren - en daaraan gekoppelde uurtarieven – die nodig zijn om een aanvraag te behandelen. Het uitgangspunt is dat kostendekkende tarieven worden gehanteerd.
In 2017 zijn de volgende aantallen gerealiseerd:

Het aantal verleende vergunning en ontheffingen in 2017 is vrijwel gelijk aan de geraamde aantallen en hoger dan in 2016 (2.542). De stijging is met name te verklaren door het aantrekken van de economie. Het aandeel van de ontheffingen voor exceptioneel vervoer via RDW is verder gestegen in verband met het uitbreiden van de bevoegdheden van het RDW via het vergroten van de beslisruimte inzake provinciale wegen. Het RDW voert deze uit en betaalt deze leges uit aan de provincie, een jaar na realisatie.

Wegenverkeerswet
art. 3.1/3.2 legesverordening
(in aantallen) Geraamd Gerealiseerd
art 1.1 vergunning/ontheffing in tarieventabel niet genoemd 0 0
3.1  Regeling voertuigen 2.568 2.739
- ontheffingen 68 32
- exceptioneel vervoer via RDW 2.500 2.707
3.2.1 t/m 3.2.5 Veranderen wegen, uitweg, etc 398 198
3.2.6 Gebruik wegen 58 31
3.2.7 Vermeerdering wegens gecombineerde vergunningen 0 44
3.024 3.012

Kostendekkendheid leges

Bij het opstellen van de begroting is een gedetailleerde opzet gemaakt over de te verwachten uitvoeringskosten vergunningverlening. Daarbij is tevens in beeld gebracht welk type procedures legesplichtig zijn en voor welke procedures dat niet geldt.

De volgende variabelen zijn van belang:

  1. Het benodigd aantal uren per procedure
  2. Het uurtarief dat hierbij van toepassing is
  3. Het verwacht aantal procedures ==> zegt niets over de “kostprijs” van een procedure, maar over het totaal van de geraamde legesopbrengsten

Aantal uren
De benodigde ureninzet wordt opgesteld in samenwerking met “inhoudelijke” experts van de omgevingsdiensten. Hierbij wordt gedoeld op experts op het gebied van de Waterwet, Ontgrondingenwet, Wabo en Wet natuurbescherming.
De uren die in beeld gebracht worden hebben enkel betrekking op uren van medewerkers van de Brabantse omgevingsdiensten, daar vindt immers de uitvoering plaats.
Het betreft enkel uren van medewerkers in het primaire proces. Er worden geen uren van provinciale medewerkers opgenomen in deze opzet.

Uurtarief
Bij de opzet die wordt gemaakt voor de begroting wordt gerekend met (gemiddelde) uurtarieven van de omgevingsdiensten. In deze tarieven zit een opslag voor de overhead van de omgevingsdiensten. Vanuit de provincie wordt hier geen verdere opslag aan toegevoegd.

3. Weerstandsvermogen en risicobeheersing

Inleiding

Brabant is een ondernemende provincie. Om kansen te benutten zal de provincie een bepaalde mate van risicobereidheid moeten hebben. Anderzijds dienen overheden op een verantwoorde manier met de publieke middelen om te gaan en de risico’s goed te beheersen. Het gaat dus steeds om de juiste afweging tussen maatschappelijk rendement en risico en de daarbij behorende beheersmaatregelen. Risicomanagement is daarbij een belangrijk instrument. Niet alleen een instrument om risico’s te beheersen zodat de provinciale doelen gehaald worden, maar ook om de bestuurlijke afweging tussen strategische keuzes, risicoprofiel, risicobereidheid en het beschikbare weerstandsvermogen te ondersteunen. De provincie deed en doet al veel aan risicomanagement. Maar het overheidslandschap wijzigt en de samenleving verandert daarom is besloten om een extra impuls te geven aan de doorontwikkeling en actualisatie van het beleid voor risicomanagement. In 2014 hebben GS daartoe een beleidsnota risicomanagement en weerstandsvermogen vastgesteld.

Wat is weerstandsvermogen?

Weerstandsvermogen is een maatstaf om te beoordelen of de provincie in staat is om nadelige gevolgen van risico’s op te vangen zonder dat daarbij de continuïteit in de uitvoering van taken in gevaar komt. De term weerstandsvermogen verwijst niet naar een exact bedrag, maar vertegenwoordigt een verhouding tussen de beschikbare weerstandscapaciteit en de benodigde weerstandscapaciteit. De resultaten van het risicomanagementproces geven inzicht in de onderkende restrisico’s waarvoor geen (dekkings-)maatregelen zijn getroffen en die van materiële betekenis kunnen zijn op de financiële positie van de provincie. Het weerstandsvermogen geeft antwoord op de vraag in hoeverre een provincie in staat is om de restrisico’s op te vangen.

In het BBV (Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten) wordt het weerstandsvermogen gedefinieerd als de verhouding tussen:

  • de weerstandscapaciteit, zijnde de middelen en voorzieningen waarover de provincie beschikt om niet begrote kosten te dekken;
  • alle risico’s waarvoor geen (dekkings-)maatregelen zijn getroffen en die van materiële betekenis kunnen zijn in relatie tot de financiële positie.

In de paragraaf weerstandsvermogen wordt inzicht gegeven in de verhouding tussen de weerstandscapaciteit en de risico’s.

Wat wil de provincie bereiken?

Belangrijkste procesontwikkelingen

Vanaf de begroting 2015 kent de paragraaf weerstandsvermogen een andere opzet. In de paragraaf worden de belangrijkst risico’s gepresenteerd die financieel afgedekt zijn in de risicoreserve. Daarnaast wordt ook het weerstandsvermogen uitgedrukt in de vorm van een ratio. Deze ontwikkelingen volgen logisch uit de toezegging n.a.v. de begroting 2014 om risicomanagement te optimaliseren en het beleid vast te leggen in een nota risicomanagement. De nota risicomanagement en weerstandsvermogen is 4 juli 2014 aan uw staten voorgelegd. Hiermee is een eerste stap gezet voor het optimaliseren van risicomanagement. Risicomanagement is een uitvoerende taak van GS. Hiertoe worden de risico’s twee keer per jaar opgehaald vanuit de organisatie om op basis daarvan tot de toprisico’s te komen. Indien risico’s financiële gevolgen hebben die niet binnen het budget van het project of programma passen dan is afdekking (in de risicoreserve of afzonderlijke reserves) aan de orde en worden u Staten betrokken in de besluitvorming en krijgen de risico’s een vertaling in de paragraaf weerstandvermogen. Het beleid voor risicomanagement en weerstandsvermogen wordt in 2018 geactualiseerd.

Beleidsdoelstelling

Risicomanagement helpt bestuur, management en medewerkers bij het realiseren van provinciale doelen, door kansen (of mogelijkheden) te benutten en risico’s te beheersen. Risicomanagement biedt geen 100% garantie dat gebeurtenissen met een negatief gevolg niet meer zullen optreden, of dat alle kansen worden benut. Het geeft wel de zekerheid dat de provincie vooraf de benutting van kansen en de beheersing van risico’s zorgvuldig heeft afgewogen. Voor het monitoren van risico’s is de ratio weerstandsvermogen een belangrijke indicator. Een stabiel meerjarig beeld van deze indicator geeft aan dat risicomanagement zorgvuldig plaatsvindt en tot stand komt volgens een gestructureerd risicomanagementsysteem. Er wordt geen absolute norm gesteld voor de bepaling van de ratio. De provincie is zelf verantwoordelijk voor het formuleren van de beleidslijn en normering. Het hanteren van een bandbreedte voorkomt dat elk nieuw risico of wijziging in bestaand risico leidt tot het treffen van financiële maatregelen.

De bandbreedte voor de ratio weerstandsvermogen als indicator is 0,75 tot 1,25. Onder de 0,75 zijn maatregelen nodig de beschikbare weerstandscapaciteit aan te vullen. Boven de 1,25 kan besloten worden de niet benodigde weerstandscapaciteit terug te laten vloeien naar de algemene middelen. Besluitvorming over het aanvullen of afromen van de weerstandscapaciteit vindt plaats bij de integrale afweegmomenten.

Wat gaat de provincie daarvoor doen?

Risicomanagement is een doorlopend proces. In de paragraaf weerstandsvermogen wordt bij de jaarstukken en de begroting gerapporteerd over de belangrijkste uitkomsten van het risicomanagementproces en ontwikkelingen. We brengen in beeld wat de belangrijkste restrisico’s zijn, wat het beschikbare weerstandscapaciteit is en welke conclusie we kunnen trekken op basis van de ratio weerstandsvermogen. We richten ons in deze paragraaf hoofdzakelijk op de uitgavenkant van de begroting. Ontwikkelingen m.b.t. de inkomsten van het Rijk en het verloop van de belastinginkomsten komen aan bod in de budgettaire nota’s. De expliciete risico’s verbonden aan de inkomstenkant voor het lopende jaar, zullen betrokken worden in het proces van risicomanagement door GS en daar waar nodig een vertaling krijgen in de paragraaf weerstandsvermogen.

Inventarisatie weerstandscapaciteit

De weerstandscapaciteit bestaat uit de middelen en mogelijkheden waarover de provincie beschikt of kan beschikken om niet begrote kosten (restrisico’s) te dekken. De mogelijkheden om tegenvallers op te kunnen vangen, kunnen worden gekwalificeerd als:

  • incidenteel (middelen die slechts éénmalig ingezet kunnen worden) en;
  • structureel (elk jaar kan deze capaciteit opnieuw worden ingezet).

Voor het jaar 2017 is de weerstandscapaciteit € 184,4 mln. en kunnen binnen deze middelen restrisico’s opgevangen worden, zonder dat hiervoor beleidswijzigingen noodzakelijk zijn.

Weerstandscapaciteit
Bedragen x € mln. Incidentele Structurele Totaal op Theoretische
weerstands- weerstands- jaarbasis ruimte
capaciteit capaciteit
Risicoreserve € 111,9* € 183,1
Reserve ontwikkelbedrijf
-        stimulering woningbouw € 4,7
-        ontwikkelbedrijf € 66,5**
Post onvoorzien € 1,3 € 1,3
Onbenutte belastingcapaciteit *** € 117
Totaal 184 117
* De stand van de risicoreserve (volgens bijlage 4) is € 5 mln. hoger i.v.m. toekomstige risico’s waarvoor de storting reeds is verwerkt in de stand
** inclusief de gevormde voorzieningen
*** De onbenutte belastingcapaciteit geeft een theoretische ruimte van ruim € 117 mln. Dit levert een theoretische ruimte op vanaf jaar t+1

Inventarisatie risico's

De totstandkoming van de belangrijkste risico’s is een resultante van de risicobeheersing zoals deze tot nu toe heeft plaatsgevonden en gaat uit van de restrisico’s welke zijn afgedekt in de risicoreserve aangevuld met een aantal specifieke risico’s afgedekt uit de reserve ontwikkelbedrijf (incl. de hieruit getroffen voorzieningen).

In deze paragraaf volstaan we met het benoemen van de belangrijkste aan restrisico’s afgedekt in de risicoreserve en reserve ontwikkelbedrijf (inclusief voorzieningen). We benoemen van de individuele risico’s met een totaal tot ca 80% van de risico’s. In de bijlage bij de jaarrekening is een totaaloverzicht opgenomen.

De belangrijkste mutaties in de restrisico’s stand jaarrekening 2017 t.o.v. begroting 2018:

Deelnemingen

  • Verlaging van het restrisico betreft de vermindering van de balanswaarde van € 10,4 mln. bij de BOM.
  • Verlaging van het restrisico door de toename van voorzieningen die op het restrisico in mindering worden gebracht voor ca. € 3,8 mln.
  • Een toename door de deelneming Monumentenfonds voor ruim € 2,0 mln.

Leningen/overige risico’s

  • Verlaging door omzetting van een lening monumentenfonds in een deelneming
  • Verstrekking van de lening aan Cleantechfonds loopt minder snel dan in de begroting 2018 was voorzien
  • Overige mutaties betreffen verlagingen van het risico door aflossingen of het treffen danwel een vrijval van een voorziening ten laste van de risicoreserve. De voorzieningen vallen buiten de telling van de restrisico’s.

Garanties

  • Toename van de garantstelling snelfietsroute Cuijk-Nijmegen met € 850.000
  • Verlaging van het risico woningbouwstimuleringsmaatregelen
  • Overige mutaties betreffen aanpassingen van de risico-inschatting en bijbehorende afdekking.

Juridische en bedrijfsvoeringrisico’s

Voor de bepaling van de 3% norm werd voorheen gekeken naar de gemiddelde structurele exploitatie omvang van het jaar t-2 tot en met jaar t+1. Door de verandering in financiering met name t.a.v. een aantal decentralisatie-uitkering geeft dit geen goed beeld meer van de structurele exploitatie lasten (gedekt door algemene middelen). Vanaf het verantwoordingsjaar 2017 wordt gekeken naar de structurele exploitatie omvang van de nog komende begrotingsjaren van de meerjarenraming. Dit betekent dat we voor de juridische en bedrijfsvoeringrisico’s een groter deel “afzonderen” voor de risico’s die t.l.v. risicoreserve komen.

Risico's
Onderwerp Restrisico Restrisico Toelichting
Bedragen x € 1 mln. jaarrekening 2017 begroting 2018
1 Deelnemingen 41,3 54,8 Het restrisico is gebaseerd op individuele risico-inschatting. Het restrisico is bepaald op 100% van de balanswaarde (incl. voorziening grondbedrijf), met uitzondering van de ORR.
2 Leningen 45,5 46,7 Elke lening is apart beoordeeld op risico. Het restrisico is de som van de afzonderlijke risicobeoordelingen van de leningen.
3 Garanties 26,1 24,1 Het restrisico is de uitkomst van individuele inschatting van risico en afdekking
4 Maatregelen woningbouw 4,7 8,5 De risico’s betreffen resterende risico’s van de maatregelen woningbouw, bestaande uit Brabantse investeringsfondsen en startersmaatregelen
5 Logistiek Park Moerdijk (LPM) 8,0 8,7 Risico op de ontwikkeling van Logistiek Park Moerdijk (LPM)
6 Juridische en bedrijfsvoeringsrisico’s 14,8 7,9 Juridische en procesrisico’s zijn inherent aan beleidsuitvoering en bedrijfsvoering. De inschatting van het restrisico is vooralsnog een becijferd risico van 3% van de netto structurele exploitatieomvang
7 PPS A-59 5,7 5,7 Restant bedrag voor de afdekking van risico’s in het project. Betreft een bestaand risico, maar is overgebracht naar de risico reserve i.v.m. nieuwe regelgeving
8 Landbouw ontwikkelingsgebieden (LOG) 2,0 2,5 Het restrisico op schadeclaims door de inperking van ontwikkelmogelijkheden van de landbouw ontwikkelingsgebieden.
Subtotaal 148,1 158,9 88,1% (begr. 2018 98,0 %)
Overige risico’s 20,0 3,2 11,9% (begr. 2018 2,0 %)
Totaal risico’s 168,1 162,1 100%

Ratio weerstandsvermogen

De benodigde weerstandscapaciteit 2017 is een uitkomst van het hele proces van risico inventarisatie conform het hierboven beschreven proces, waarbij het totaal van de restrisico’s de omvang van de benodigde weerstandscapaciteit bepaald. Het benodigde weerstandvermogen voor 2017 is berekend op € 168,1 mln.

Beschikbare weerstandscapaciteit  / Benodigde weerstandscapaciteit = Ratio weerstandsvermogen

   184,4 / 168,1  = 1,1

De ratio weerstandsvermogen uitgedrukt in een verhoudingsgetal komt hiermee voor de jaarrekening 2017 op: 1,1

Conclusie

Op basis van de ratio weerstandsvermogen kan worden geconcludeerd dat de risico’s kunnen worden opgevangen binnen de beschikbare weerstandscapaciteit.

Een nader gespecificeerd risicoprofiel waarin de specificatie van de restrisico’s en de afdekking van deze risico’s is aangegeven, is opgenomen in bijlage 14 van de bijlagenbundel.

De voorgeschreven kengetallen over de financiële positie zijn eveneens in deze bijlage opgenomen.

4. Onderhoud kapitaalgoederen

Onderhoud wegen

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Vanuit de wettelijke taak van het bevorderen van de regionale bereikbaarheid zijn we verantwoordelijk voor het in stand houden van de provinciale infrastructuur bestaande uit 560 km. hoofdrijbaan en 540 km. fietspaden. In en onder de provinciale wegen bevinden zich 487 kunstwerken (waarvan 150 bruggen en viaducten en tunnels), 115 rotondes en 80 verkeersregelinstallaties. Langs onze wegen ligt circa 1100 ha. berm met ongeveer 7.100 provinciale lichtmasten en 52.000 bomen. Voor een effectieve en efficiënte uitvoering van het dagelijkse beheer, waaronder bijvoorbeeld calamiteitenafhandeling en gladheidsbestrijding, hebben we verspreid over de provincie een aantal steunpunten.

Door het planmatig uitvoeren van groot onderhoud en dagelijks beheer in 2017 ligt de provinciale infrastructuur er gemiddeld goed bij en is er geen achterstallig onderhoud. Hierdoor kon op een veilige wijze gebruik gemaakt worden van het provinciale wegennet en was een vlotte doorstroming van het verkeer zoveel mogelijk gewaarborgd. Daarnaast heeft de provincie door gecombineerde werkzaamheden via beheer en onderhoud de veiligheid, bereikbaarheid en leefbaarheid van de provinciale wegen verder verbeterd o.a. via kleine reconstructies en het gebruik van stiller asfalt.

Het beleid voor de instandhouding van de provinciale wegenstructuur is opgenomen in nota ‘Wegen voor Bereikbaarheid’ uit 2008. Het beleid is in 2017 geactualiseerd en deze beleidsnota Kwaliteit Provinciale Infrastructuur is in 2018 verzonden aan de Staten. De nota vervangt daarmee ‘Wegen voor Bereikbaarheid’.
Met de ontwikkeling van een meerjarige kwaliteitsvisie voor de provinciale infrastructuur zijn we klaar voor de toekomst. Vooruitlopend op de omgevingsvisie geven we aan hoe we bij onderhoud van de provinciale infrastructuur omgaan met de provinciale ambities op het gebied van verkeerveiligheid, duurzaamheid, bereikbaarheid en leefbaarheid. We benutten daarin maximaal de beschikbare kennis en expertise uit de markt op het gebied van duurzaamheid en innovaties.

Wat hebben we daarvoor gedaan?

De instandhouding van de provinciale infrastructuur wordt gewaarborgd door alle onderdelen en objecten van die infrastructuur op een goede wijze in stand te houden. In stand houden is het dagelijks en klein onderhoud (jaarlijks), groot onderhoud (niet jaarlijks) en vervanging. In deze paragraaf beperken wij ons tot de toelichting op het dagelijks en klein onderhoud (exploitatie). Groot onderhoud en vervanging heeft betrekking op investeringen met een levensduur verlengend karakter en worden in het programma provinciale wegen en via het investeringsschema verantwoord (05.03).

Op basis van het vigerende beleid worden beheerplannen, onderhoudsplannen en onderhoudsbestekken voor het dagelijks en klein onderhoud opgesteld en uitgevoerd. Het dagelijks en klein onderhoud bestaat uit o.a. klein onderhoud aan de wegvakken, bermonderhoud, calamiteiten- en gladheidsbestrijding, en wordt uitgevoerd door middel van een drietal meerjarige prestatiecontracten met aannemers (elektronisch prestatiecontract (EPC), het onderhoudsprestatiecontract (OPC) en het service- en calamiteitencontract (SRV)). De partners hebben in een prestatiebestek met de provincie concrete afspraken gemaakt over de kwaliteitseisen die wij stellen aan de te leveren onderhoudsprestatie voor de provinciale weg. De provincie monitort de geleverde kwaliteit voor de drie contracten door maandelijks steekproefsgewijs de wegen te toetsen (Systeemgerichte ContractBeheersing (SCB)).
Ook voor de gladheidsbestrijding zijn diverse contracten gesloten met marktpartijen (o.a. zout, materieel en inzet transportmiddelen). Deze contracten zijn in samenwerking met RWS opgesteld en worden gezamenlijk beheerd.

De werkwijze met prestatiecontracten blijkt succesvol. Om die reden wordt het nieuwe OPC 0.2 (onderhoudsprestatiecontract) weer als prestatiecontract op de markt gezet maar dan via de “Best Value”-aanpak. De provincie daagt daarbij de markt uit door een minimum aan eisen aan de voorkant te stellen en profiteert zo maximaal van de in de markt aanwezig kennis en expertise. Tevens wordt de aannemer de ruimte geboden om verbeteringen in het dagelijks en klein onderhoud aan te pakken. Hierdoor wordt voor beide partijen onderhoud efficiënter. Met de werkwijze kan een bijdrage geleverd worden aan duurzame leefomgeving, het verbeteren van de verkeersveiligheid en is er een grotere kans op innovatieve onderhoudsaanpak aangedragen door de markt. Het SRV is daarbij opgenomen in het OPC.

We voeren de taak uit conform de principes van belangengestuurd onderhoud. Dat betekent dat aan belangrijke en drukke verbindingen hogere doorstromingseisen worden gesteld (o.a. uitvoering van werken in verkeersluwe periodes en extra tools t.b.v. Incident-Management). Tegelijkertijd zetten we de beschikbare middelen zo efficiënt en effectief mogelijk in. Door een meerjarenplanning op basis van toestand afhankelijk onderhoud wordt de kwaliteit van het wegennet in stand gehouden en wordt achterstallig onderhoud voorkomen.

De provinciale wegen en fietspaden worden zo veel als mogelijk ingericht conform CROW richtlijnen. In dat kader is in 2017 extra belijning op de fietspaden aangebracht.

We kijken continu naar mogelijkheden van samenwerken (efficiency, effectiviteit en kennisdeling), daar waar doelmatig en de uitvoering van taak niet in gedrang komt .In 2017 is met partners (met name RWS) samengewerkt op het gebied van gladheidsbestrijding (o.a. via gezamenlijk gebruik van steunpunten, gezamenlijke inkoop van zout, materieel en inzet transportmiddelen) en Incident-Management (o.a. rechtstreekse aansturing provinciale inspecteurs vanuit RWS-verkeerscentrale en inzet RWS-inspecteurs op N279 en N261).

Wat heeft het gekost?

De onderhoudsbegroting van provinciale wegen van € 9,6 mln is overschreden met € 477.000 (4,9%). Extra kosten voor de aanleg van een retentievijver bij Hazeldonk en het vervangen van een deklaag voor gemeente Valkenswaard vooruitlopend op een wegenoverdracht zijn hiervan belangrijke oorzaken.
Ten behoeve van en vooruitlopende op toekomstige wegenprojecten koopt de provincie gronden en panden aan. De wet- en regelgeving omtrent de verantwoording van de kosten van onderhoud zijn recentelijk aangepast. Hierdoor worden deze kosten voortaan direct als last genomen via de onderhoudsbegroting.
De kosten zijn exclusief de uitvoering van de gladheidsbestrijding.

Onderhoud wegen
Bedragen x € 1.000 Begroting a.Begroting b.Realisatie Verschil a en b
oorspr. na wijz.
Dagelijks onderhoud wegen c.a. 7.004 7.451 8.186 -735
Operationeel beheer wegen en verkeer 299 253 165 88
Tactisch beheer wegen en verkeer 1.955 1.955 1.785 170
Overige uitgaven wegbeheer 0
9.258 9.659 10.136 -477

Onderhoud provinciale gebouwen en installaties

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

De provincie streeft naar een schone, open en transparante werkplek met een flexibele invulling. Het onderhoud van de provinciale gebouwen en installaties is erop gericht de bestaande voorzieningen op een doelmatige en veilige manier in stand te houden.

Wat hebben we daarvoor gedaan?

Onderhoudsboeken
Het naar verwachting benodigde onderhoud is vastgelegd in meerjarenplanningen, de zogenaamde onderhoudsboeken. In 2017 zijn de onderhoudsboeken (2017-2022) geactualiseerd. De onderhoudsboeken zijn daarmee in lijn gebracht met het nieuwe huisvestingsconcept.

Onderhoudsboek hoofdgebouw en onderhoudsboek nieuwbouw
In het onderhoudsplan 2017-2022 zijn zowel het jaarlijkse als meerjaarlijks onderhoud opgenomen. Het onderhoud bestaat voor een belangrijk deel uit het jaarlijks onderhoud, zoals het periodiek onderhoud aan de liften, dat nodig is om de bedrijfszekerheid van de gebouwen en de installaties te waarborgen, de veiligheid te garanderen en de uitstraling van de gebouwen in stand te houden. Het meerjaarlijks onderhoud heeft betrekking op het niet-reguliere en groot onderhoud aan gebouwen, installaties, apparatuur en inrichting.
In 2017 hebben we de renovatie van de glazenwasbalkons en liften afgerond. In verband met het huisvestigingsconcept hebben we nog enkele kleinere aanpassingen doorgevoerd, zoals de verbeterde geluidsisolatie van de vergaderkamers in de toren.

Onderhoudsboek museum
Het Noordbrabants Museum aan de Verwerstraat te ’s-Hertogenbosch is provinciaal eigendom. De Provincie verhuurt ruimten in het complex aan de Stichting Beheer Museumkwartier die deze ruimten weer onderverhuurt aan o.a. Stichting Het Noordbrabants Museum en Stichting Erfgoed Brabant. Het provinciaal Depot Bodemvondsten is ook gevestigd op deze locatie. De beheersstichting coördineert tevens het groot onderhoud en de vervangingsinvesteringen op basis van een meerjaren-onderhoudsplan. Om deze kosten te dekken, wordt jaarlijks een storting in de onderhoudsvoorziening opgenomen.

Wat heeft het gekost?

De gerealiseerde lasten betreffen de toevoeging aan de onderhoudsvoorzieningen. Deze zijn in overeenstemming met de ramingen in de begroting.

Onderhoud gebouwen
Bedragen x € 1.000 Begroting a.Begroting b.Realisatie Verschil a en b
oorspr. na wijz.
Provinciehuis 1.483 343 343 0
Noordbrabants museum 325 344 344 0
1.807 688 688 0

Onderhoud vaarwegen

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

De uitvoering van de (beheer) maatregelen aan provinciale vaarwegen zoals de Mark, de Dintel, de Roosendaalsche en Steenbergsche Vliet, de Roode Vaart en het Mark Vlietkanaal is gemandateerd aan het Waterschap Brabantse Delta. De onderhoudstoestand van deze vaarwegen is op orde.

Wat hebben we daarvoor gedaan?

De provincie voert zelf geen beleidsprestaties i.c. werkzaamheden uit aan de vaarwegen. De provincie draagt 50% bij in de kosten van onderhoud en 100% in de kosten van het vaarwegverkeer. De juridische basis van de mandatering is gebaseerd op de financiële overeenkomst inzake het vaarwegbeheer provincie Noord-Brabant en waterschap Brabantse Delta. De onderhoudsbijdrage aan het waterschap wordt jaarlijks geïndexeerd.
Via onderhoudsprogramma’s voor baggeren, kunstwerken en bermbeheer worden de vaarwegen bevaarbaar gehouden. Het waterschap actualiseert periodiek de programma’s en brengt in beeld welke maatregelen en investeringen nodig zijn om de onderhoudstoestand op orde te houden. Er is sprake van achterstanden in het (bagger)onderhoud van de kanalen in West-Brabant. Onderzoek naar de aard en omvang van de knelpunten en de mogelijke oplossingsrichtingen bevinden zich in de eindfase. Voorzien wordt dat een extra provinciale beheerbijdrage aan de vaarwegen middels een begrotingswijziging (BURAP 2018) wordt geëffectueerd.

Wat heeft het gekost?

De onderhoudsbijdrage aan het waterschap wordt jaarlijks geïndexeerd.

Onderhoud vaarwegen
Bedragen x € 1.000 Begroting a.Begroting b.Realisatie Verschil a en b
oorspr. na wijz.
Onderhoudsbijdrage aan waterschap 1.346 1.358 1.396 -38

5. Treasury

Inleiding

Treasury omvat de financiering van beleid en het uitzetten van geldmiddelen die niet direct nodig zijn. De treasuryfunctie richt zich als zodanig op de financiële vermogenswaarden, de financiële geldstromen, de financiële posities en de hieraan verbonden risico’s.

Belangrijkste doelstellingen voor de provincie zijn:

  • Onze beschikbare middelen in het kader van de immunisatieportefeuille, de investeringsagenda en eventuele andere overtollige middelen moeten veilig zijn belegd, dat wil zeggen tegen de laagst mogelijke risico’s;
  • De beleggingen uit de immunisatieportefeuille moeten minimaal het doelrendement van € 122,5 miljoen structureel opleveren;
  • Er moeten voldoende liquiditeiten beschikbaar zijn op het juiste moment ten behoeve van – onder andere – de provinciale investeringen.

Ontwikkelingen Treasury

Belangrijkste ontwikkelingen

Sinds maart 2015 voert de Europese Centrale Bank (ECB) een opkoopprogramma van obligaties. De directe aanleidingen om deze stap te zetten waren onder meer tegenvallende inflatie in de Eurozone en gestaag lagere groeiramingen voor de lidstaten van de Eurozone. Dit opkoopprogramma van de ECB heeft onder andere tot gevolg dat de rentestand kunstmatig laag wordt gehouden. Eind oktober 2017 heeft de ECB besloten om dit programma vanaf januari 2018 te halveren naar 30 miljard euro per maand. Dit zal voortgezet worden tot in ieder geval september 2018 en “indien nodig” tot later. Deskundigen geven aan dat hierdoor naar verwachting de kapitaalmarktrente op een zelfde niveau zal blijven als de afgelopen jaren.

In 2017 is de kapitaalmarktrente redelijk stabiel geweest met een licht stijgende trend. Begin 2017 bedroeg de 10 jaarswaprente 0,66% en ultimo 2017 was die 0,89%. De piek lag in juli van het jaar op 0,99%. De korte rente (referentie is de driemaands–euribor) is in 2017 op vrijwel hetzelfde niveau negatief gebleven op -0,33%. Een ommekeer wordt door deskundigen niet voorzien: verwachtingen variëren van een geringe daling of een lichte stijging, maar een negatief blijvende korte rente blijft ook in 2018.

Grafiek 1: Renteontwikkeling 2017

Vanwege de lage rentestand is in 2015 gestart met het uitzetten van leningen in het kader van de publieke taak: “Vermogen voor Brabant”. De lening aan Safariresort Beekse Bergen is na enige vertraging geheel in 2017 in tranches verstrekt. In totaal zijn nu de volgende leningen verstrekt:

Begunstigde (in € mln) Initieel Stand ultimo 2017
BNG bank (2 hybride leningen) € 149,8 miljoen € 149,8 miljoen
NWB Bank (1 hybride lening) €  50    miljoen €    50   miljoen
De Efteling €  15    miljoen €  12    miljoen
Safariresort De Beekse Bergen €  41,5 miljoen €  41,5 miljoen
Ministerie van Defensie *) €   22   miljoen €   --   miljoen
Totaal € 278,3 miljoen € 253,3 miljoen

*) deze lening wordt pas in 2018 en 2019 verstrekt.

Alle uitgevoerde transacties zijn gedaan binnen regels van de huidige Verordening Treasury.

De langdurig lage rentestand heeft effect op het doelrendement van € 122,5 miljoen. Het wordt steeds moeilijker dit te halen. Als buffer en dekking hebben we hiervoor de dividend– en rentereserve ingesteld. In 2017 is aan de stand van deze reserve € 123,2 miljoen toegevoegd zodat ultimo 2017 het saldo hiervan €280 miljoen bedraagt. Bovendien zal er ten laste van het rekeningresultaat nog eens een extra storting plaatsvinden van per saldo € 49,6 miljoen vanwege de in 2017 uitgevoerde transities (switches).

In 2017 is onze liquiditeitspositie verbeterd met ruim € 534 miljoen (gepland was een daling van € 90 miljoen). Het verschil van € 624 miljoen ten opzichte van de prognose werd o.a. veroorzaakt door:

  • Het saldo van de verkoop van obligaties (inclusief rente) en de verstrekte leningen aan decentrale overheden en publieke taak ter hoogte van € 430 miljoen;
  • Het Nazorgfonds heeft haar middelen gestald bij de provincie vanwege negatieve rente op haar banktegoeden voor € 43 miljoen;
  • Lagere uitgaven voor Natuur en infrastructuur (€ 35 miljoen);
  • Hogere aflossingen op leningen, zoals bij de Tuinbouwontwikkelingsmaatschappij (TOM) voor € 32 miljoen;
  • Minder verstrekkingen aan fondsen (€ 26 miljoen);
  • Uitgestelde verkoop van gronden Logistiek Park Moerdijk (LPM), waardoor € 40 miljoen minder is ontvangen dan geraamd.

In het afgelopen jaar geeft dat het volgende beeld:

Grafiek 2: maandelijks verloop van het saldo van inkomsten en uitgaven over 2017

2017 kent twee pieken in februari en mei vanwege hoge verkopen van obligaties in respectievelijk de immunisatieportefeuille en investeringsagenda. Voor het overige loopt de realisatie redelijk in de pas met de planning.

Overige ontwikkelingen

  • In mei 2017 (PS voorstel 17/17) is door Provinciale Staten de Verordening treasury Noord-Brabant aangepast. Hierdoor is het toegestaan om te beleggen in obligaties (Europese centrale overheden en financiële instellingen) met een AA–minus rating, respectievelijk covered bonds met een AA–minus rating;
  • In 2017 is het Treasury Committee drie keer bijeen geweest (in 2016: 3 keer) en is er één vergadering schriftelijk afgedaan vanwege de slechte weersomstandigheden;
  • Onze beleggingsdoelstelling over 2017, minimaal € 122,5 miljoen inkomsten genereren, is gehaald.

Obligatieportefeuilles

De provincie Noord-Brabant bezit twee obligatieportefeuilles: een immunisatieportefeuille en een investeringsagendaportefeuille. Beide portefeuilles bestaan uit obligaties van Europese landen en banken met een minimale kredietwaardigheid van AA–minus, zoals door PS is bepaald in de laatste wijziging van de Verordening treasury Noord – Brabant. Opmerkelijk is dat met deze “verruiming” het risicoprofiel van de Immunisatieportefeuille in 2017 is verbeterd.

Grafiek 3: ratings van de obligaties in 2016 en 2017 in de immunisatieportefeuille

Immunisatieportefeuille

Het doel van de immunisatieportefeuille is een rendement te genereren, door het jaarlijks ontvangen van een vaste rente, ter compensatie van de wegvallende dividendstromen van Essent. Het risico van deze portefeuille is laag.

De verdeling van de immunisatieportefeuille naar tegenpartij per 31 december 2017 wordt weergegeven in de figuur 1. De boekwaarde van de uitzettingen op dat moment was € 2.551 miljoen. Deze beleggingen zijn inclusief langjarige deposito’s bij de Nederlandse Staat via Schatkistbankieren voor € 341 miljoen, leningen aan decentrale overheden (€ 585 miljoen) en leningen in het kader van de publieke taak (€238 miljoen) en een aandeelhouderslening aan Enexis van € 108 miljoen. Daarnaast ontvangen we een dividend voor ons aandeel in Enexis. Een deel van de nominale waarde van de uitzettingen heeft betrekking op de Dividend – en rentereserve.

Het gerealiseerde rendement over 2017 bedraagt € 134,4 miljoen (2016: € 159,1 miljoen) en is als volgt opgebouwd (zie ook “algemeen financieel beleid”):

 Bedragen x € 1 miljoen 2017 2016
Dividend Enexis 31,8 34,4
Aandeelhouderslening Enexis 7,8 12,4
Rente obligaties 22,8 52,3
Effect verkopen en effect switches *) 30,8 -
Rente schatkistbankieren 8,2 8,2
Rente gemeenteleningen 8,8 6,9
Rente leningen publiek taak 7,6 5,8
Financieringsresultaat 15,3 12,2
Incidentele meevallers: vrijval escrow 1,2 26,9
TOTAAL 134,4 159,1

Tabel II Gerealiseerd rendement 2016 immunisatieportefeuille

Hierdoor bedraagt het totale overschot € 11,9 miljoen ten opzichte van het doel-rendement van € 122,5 miljoen.

*) de totale boekwinst op de verkochte obligaties bedraagt € 162,3 miljoen. Dit is vooral de toekomstige rente die nu in een keer vrijvalt en een stukje extra vanwege de negatieve rentestand. Deze komt eigenlijk toe aan de jaren 2017 t/m 2023. Administratief wordt hij toegevoegd aan de Dividend – en rentereserve en laten we ieder jaar een stukje vrijvallen in de verhouding van de eerder berekende rente van de obligatie die verkocht zijn

Per einde 2017 zijn de beleggingen als volgt verdeeld over de verschillende beleggingsvormen. Vooral de leningen aan decentrale overheden (2016: 22,9%) zijn relatief toegenomen ten kosten van de obligatieportefeuille (2016: 52,5%).

Figuur 1: grafiek immunisatieportefeuille per ultimo 2017

Investeringsagendaportefeuille

Het doel van de investeringsagendaportefeuille is dat op de gewenste tijdstippen de middelen die nodig zijn voor de realisatie van de investeringsagenda beschikbaar zijn. Het risico van deze portefeuille is laag. De boekwaarde van de obligaties per 31-12 -2017 bedraagt € 185,6 miljoen. In 2017 zijn er in deze portefeuille ook obligaties verkocht met een negatieve yield – to –maturity, waardoor er een boekwinst is gemaakt. Wij hadden dat niet gepland. Hierdoor moeten we nog € 26 miljoen toevoegen aan de Reserve Investeringsagenda ten laste van het rekeningresultaat. Het verschil tussen de stand van de reserve en de obligatieportefeuille is – zoals wettelijk voorgeschreven – gestald bij de Schatkist.

Figuur 2 Investeringsagendaportefeuille

Beleid en beheersing van risico's

Het Treasury statuut geeft de risico’s aan die intern beheerst moeten worden: markt– (waaronder rente– en valutarisico), krediet– en liquiditeitsrisico’s. Voor elk risico geven we aan hoe de provincie hiermee is omgegaan in het afgelopen jaar.

Renterisico’s – Wettelijke verplichtingen

De Wet Fido, die met ingang van 1 januari 2001 in werking is getreden, stelt twee concrete normen aan het financieringsbeleid van de provincie, te weten de kasgeldlimiet en de renterisiconorm. Aan beide normen wordt door de provincie voldaan.

Kasgeldlimiet – kortlopende schulden

De kasgeldlimiet bepaalt het bedrag dat de provincie maximaal als gemiddelde netto–vlottende schuld per kwartaal mag hebben. Dat bedrag is een percentage van de jaarlijkse begroting. Voor de provincies is dat percentage vastgesteld op 7,0%.

Gedurende 2017 is de gemiddelde netto–vlottende schuld ruim onder de kasgeldlimiet gebleven. In het bijlagenboek (bijlage 9) zijn overzichten opgenomen van de Modelstaat A waarin de liquiditeitspositie per kwartaal is weergegeven.

Renterisiconorm – langlopende schulden

Aangezien in 2017 geen (her)financiering heeft plaats gevonden en er ook geen sprake is geweest van renteherzieningen op lopende vaste geldleningen is de renterisiconorm niet relevant.

In het bijlagenboek is de Modelstaat B opgenomen, betreffende de berekening van het renterisico over het jaar 2017.

Valutarisico’s

De valutarisico’s (risico’s die zijn ontstaan door schommelingen in wisselkoersen) worden uitgesloten doordat alleen uitgezet en belegd wordt in euro’s.

Kredietrisico’s

In het kader van beperking van het kredietrisico, het risico op terugbetaling van de hoofdsom en betaling van de rente, wordt alleen belegd in vastrentende waarden van financiële ondernemingen en/of landen met minimaal een AA–minus rating (door minimaal twee ratingagencies bepaald) of in waardepapier van financiële ondernemingen met een staatsgarantie van een land met een AA–minus rating. De financiële onderneming waarin wordt belegd zonder staatsgarantie moet gevestigd zijn in een land met minimaal een AA rating. Deze regels zijn strenger dan de regels in de Wet Fido en de Ruddo. In 2017 zijn er geen beleggingen in portefeuille die niet voldoen aan deze eisen, zoals die zijn opgenomen in de Verordening treasury Noord–Brabant.

Met de wijziging van de Wet Fido op 10 december 2013 mogen de decentrale overheden uitsluitend overtollige middelen beleggen bij de schatkist of uitlenen aan andere decentrale overheden, waar de provincie geen toezichtrelatie mee heeft. Daarnaast is het mogelijk om te beleggen in projecten met een publiek doel. Ook hierbij moet het risico minimaal zijn. In het aangepaste Treasury Statuut hebben Gedeputeerde Staten regels vastgelegd voor de beheersing van die risico’s.

Liquiditeitsrisico’s

Hiermee wordt bedoeld het risico dat wij niet kunnen voldoen aan onze betalingsverplichtingen (facturen, subsidies en dergelijke). Dit is geminimaliseerd door de aanwezige liquide middelen zoveel mogelijk af te stemmen op de prognose van ontvangsten en uitgaven. Dat doen we op dag-, week–, maand– en jaarbasis. Vanaf 2014 zijn onze mogelijkheden om gebruik te maken van flexibele spaarproducten en deposito’s beperkt door “verplicht schatkistbankieren”. De deposito’s met een looptijd van 1 dag t/m 6 jaar geven bij het Rijk geen rendement op dit moment. Vanwege de negatieve rentestand is het uitzetten van kasgeldleningen aan decentrale overheden geen optie.

Provinciefinanciering

Provinciefinanciering betreft het aantrekken en uitzetten van financiering ten behoeve van het uitvoeren van de publieke taken van de provincie en de risicobeheersing daarvan. 

Leningenportefeuille

Opgenomen leningen

In 2017 zijn geen nieuwe langlopende leningen opgenomen. De laatste opgenomen lening is in 2013 geheel afgelost.

Bijlage 6 van het bijlagenboek geeft een specificatie van de opgenomen leningen. In deze specificatie staat een bedrag van € 21,1 miljoen met betrekking tot een renteverplichting in het kader van PPS A59. Formeel staat de lening op naam van de aannemer (Poort van Den Bosch), maar de provincie heeft het renterisico voor deze verplichting aan de aannemer (variabele rente) afgedekt via een renteswap (3,475%). Onder derivaten komen wij daarop terug.

Daarnaast staat er een bedrag van € 2,6 miljoen als schuldrelatie met ministerie van Economische Zaken. Dit heeft betrekking op een aandelentransactie. Provincie heeft aandelen BOM overgenomen van het ministerie voor hetzelfde bedrag. Er is – tot nu toe – niets betaald. In zeer uitzonderlijke situaties kan dit leiden tot een betalingsverplichting die in de overeenkomst is opgenomen. Deze situatie heeft zich tot nu toe niet voorgedaan.

Verstrekte leningen voor publieke taak (excl. Leningen aan decentrale overheden)

In 2017 is voor € 71,2 miljoen aan nieuwe leningen verstrekt, waarvan € 41,5 miljoen aan Safari Resort Beekse Bergen in het kader van de belegging van de immunisatieportefeuille. In 2017 is € 4,5 miljoen verstrekt in het kader van de fondsen. Na aflossing (€ 47,0 mln.) van de bestaande en de nieuw verstrekte leningen, resteerde er per balansdatum ruim € 554,8 miljoen (ultimo 2016: € 530,7 miljoen) aan leningen u/g. Dit is exclusief de voorzieningen die zijn getroffen. Het risico van deze leningen wordt continu gemonitord, op basis van de bankoverzichten die maandelijks worden ontvangen. Voor een specificatie van deze leningen wordt verwezen naar bijlage 3b van het bijlagenboek.

Derivaten

De provincie heeft in juni 2004 een renteswap afgesloten bij de Rabobank ter volledige afdekking van het rente fluctuatie risico dat zich voordeed bij het project PPS-A59. De looptijd van de renteswap is van 1 januari 2006 tot 1 januari 2021. Het project PPS-A59 waarin de provincie samenwerkt met het consortium Poort van Den Bosch heeft tot doel het aanleggen en beheren van een deel van de autosnelweg A59. Het gebruik van een renteswap ter beperking van financiële risico’s past binnen de voorwaarden die het treasury statuut stelt en het ministerie van BZK heeft met deze werkwijze ingestemd. Er bestaat op dit moment geen bijstortverplichting voor de provincie.

De marktwaarde van de renteswap is gerelateerd aan het niveau van de lange rente.

Per 31 december 2017 was die marktwaarde -/- € 1.297.648 (2016: -/- € 2.262.208).

Uitzettingen

De beleggingen in de beide portefeuilles, inclusief de verstrekte leningen aan openbare lichamen en deposito’s bij de schatkist, bedragen in overeenstemming met de balans € 2.698,4 miljoen.

Aansluiting met de balans Bedrag
Kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen en saldo agio en disagio 50.365.996
Leningen aan:  
 -     openbare lichamen (excl. Moerdijk, Nuenen, Tilburg, Helmond en Geertruidenberg) 873.859.553
 -    deelnemingen (Enexis, BNG en NWB, zie bijlage 3b) 307.698.628 
 -    in het kader van de publieke taak 53.500.000
Uitzettingen met rentetypische looptijd > 1 jaar:  
 -    in schatkist 340.700.000
 -    in Nederlands schuldpapier *) 303.715.215
 -   overige uitzettingen 769.045.000
  2.698.884.392

*) excl. Twee leningen aan De Hoven en Havenmeester (totaal € 1.920.597)

Het effectieve rendement over de immunisatieportefeuille wordt begroot op circa 3,50% op jaarbasis rekening houdend met de aangescherpte beleggingsrichtlijnen voor de verkoopopbrengsten Essent. Hierbij is het uitgangspunt dat gestreefd wordt naar uitzettingen met de hoogste mate van zekerheid. Het daadwerkelijk gerealiseerde couponrendement over 2017 voor alle beleggingen in de immunisatieportefeuille bedraagt 3,37% (2016: 3,21%) en voor de investeringsagendaportefeuille 3,38% excl. het effect van de verkochte obligaties en switches  (2016: 3,75%). Door de ontwikkelingen zoals het verplicht schatkistbankieren bij de Nederlandse Staat en de lage stand van de marktrente op zowel korte als lange termijn, staan deze rendementen onder grote druk.

Per 31 december 2017 zijn de middelen als volgt uitgezet:

Vorm Bank/instelling Per 1/1/2017 Per 31/12/2017
Obligaties Immunisatieportefeuille* Divers 1.340.032.969 933.781.061
Obligaties Investeringsagenda portefeuille* Divers 366.604.557 185.621.153
Langlopende leningen aan decentrale overheden   584.709.743 875.170.528
Zerobond obligatie i.c.m. Oiko Credit * NL-Staat 2.500.215 2.500.215
Aandeelhouderslening Enexis Enexis 107.898.628 107.898.628
Leningen aan NWB / BNG   199.692.878 199.712.807
Overige leningen publieke taak   13.500.000 53.500.000
Lange termijn deposito's bij de schatkist Rijk  - min. Financën 340.700.000 340.700.000
* nominale waarde + (dis)agio = boekwaarde   2.955.638.990 2.698.884.392

De specificatie van de beleggingen en de langlopende leningen zijn in de toelichting op de balans opgenomen onder financiële vaste activa en immateriële vaste activa (voor zover er sprake is van (dis)agio). Het restant van de middelen staat in rekening courant bij de Schatkist en zal in 2018 en 2019, conform Treasury–jaarplan 2018 worden herbelegd.

Participatie in Oikocredit

In november 2012 is besloten een participatie te nemen in het Oikocredit Nederland Fonds. Door middel van deze participatie geven Gedeputeerde Staten invulling aan de ethisch-sociale aspecten van het treasury beleid. De participatie wordt uitgevoerd in combinatie met een hoofdsomgarantie met een looptijd van 10 jaar. Provinciale Staten zijn hierover op 14 december 2012 geïnformeerd.

Begin 2013 is de participatie genomen in het Oikocredit Nederland Fonds met een nominale waarde van € 427.813. Het risico bij deze uitzetting is erg laag en deze uitzetting past volledig binnen de regels van de wet Fido en de Ruddo.

Renteschema
De commissie BBV adviseert het onderstaand renteschema in de paragraaf treasury van de begroting en jaarstukken op te nemen. Hiermee wordt inzicht gegeven in de rentelasten van externe financiering, het renteresultaat en de wijze van de rentetoerekening.

Renteschema  
a.  De externe rentelasten over de korte en lange financiering   21.585
b.  De externe rentebaten   - 78.954.475
Saldo rentelasten en rentebaten   - 78.932.890
c1.  De rente die aan de grondexploitatie moet worden doorberekend - 0  
c2.  De rente van de projectfinanciering die aan de betreffende taakveld moet worden taakveld moet worden toegerekend - 0  
c3.  De rentebaat van de doorverstrekte leningen indien daar een specifieke lening voor is aangetrokken (=projectfinanciering) - 0  
     Aan taakvelden toe te rekenen externe rente   - 0
d1.  Rente over eigen vermogen   0
d2.  Rente over voorzieningen   0
     Totaal aan taakvelden toe te rekenen rente   0
e.  De aan taakvelden toegerekende rente (renteomslag)   - 0
f.  Renteresultaat op het taakveld treasury   - 78.932.890

 

 

6. Verbonden partijen

Algemeen beeld

Visie en beleid ten aanzien van verbonden partijen

Verbonden partijen zijn privaatrechtelijke of publiekrechtelijke organisaties waarin de provincie een bestuurlijk en een financieel belang heeft.

Onder bestuurlijk belang wordt verstaan: een zetel in het bestuur of het hebben van stemrecht. Met een financieel belang wordt bedoeld dat de provincie middelen ter beschikking heeft gesteld die ze kwijt is in geval van faillissement van de verbonden partij en/of als financiële problemen bij de verbonden partijen kunnen worden verhaald op de provincie.

De provincie Noord-Brabant kan besluiten om een bestuurlijk en financieel belang te houden in organisaties die een bijdrage leveren aan het publiek belang.

Het beleid ten aanzien van verbonden partijen is uitgewerkt in de Nota Samenwerkingsrelaties en Verbonden Partijen die op 3 februari 2017 is vastgesteld (PS 86/16). Hierin is het beleid met betrekking tot verbonden partijen geactualiseerd en is toegelicht op welke wijze de provincie de publieke belangen in deze verbonden partijen wil behartigen. Hierin staan ook de overwegingen genoemd om een bestuurlijk en financieel belang aan te gaan, te wijzigen of te beëindigen. In de nota is vastgelegd om vierjaarlijks de gehele deelnemingenportefeuille te evalueren. De evaluatie van de deelnemingenportefeuille, op basis van de nota samenwerkingsrelaties en verbonden partijen is tevens vastgesteld op 3 februari 2017 (PS 86/16).

Op 2 juni 2006 zijn door Provinciale Staten afspraken over de benoeming van commissarissen op voordracht van de provincie vastgesteld.(PS 36/06).

Financiën verbonden partijen

Het financiële risico van de verbonden partijen is gelijk aan de omvang van het provinciaal aandeel in de deelneming (zie ook de paragraaf weerstandsvermogen), danwel gelijk aan de (jaarlijkse) bijdrage die de verbonden partij van de provincie ontvangt.
De provincie heeft in 2017 over het jaar 2016 dividend ontvangen uit de volgende verbonden partijen: Eindhoven Airport NV en Enexis Holding NV. Het ontvangen dividend is als algemeen dekkingsmiddel in de begroting opgenomen.

Hieronder zijn de meest belangwekkende ontwikkelingen bij de verbonden partijen opgenomen. Voor de overige informatie wordt verwezen naar de bijlage: Uitwerking paragraaf verbonden partijen.

Havenschap/Havenbedrijf Moerdijk

Per 1 januari 2017 is de governance structuur van Moerdijk aangepast naar een GR-NV constructie. Hierbij zijn alle bedrijfsactiviteiten van de GR uitgeplaatst naar de NV De GR is in aangepaste vorm in stand gebleven voor de financiering.
De haven van Moerdijk is in 2017 gegroeid. De overslag steeg voor de zeevaart 14% en de totale overslag groeide met 5,5% naar 18,5 mln. ton. Havenbedrijf Moerdijk gaf 7 hectare grond uit. Daarnaast is ook zo’n 22 hectare strategische reserve bij bedrijven opnieuw ingevuld. Verder mocht de haven 16 nieuwe vestigers verwelkomen. De werkgelegenheid steeg in 2017 met 3,7% naar 17.983 banen. Daarbij gaat het om 9.308 directe arbeidsplaatsen en 8.675 indirecte arbeidsplaatsen.
Met betrekking tot het LPM heeft in mei 2017 de Raad van State, in het kader van de negen pilotzaken, prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. In afwachting op behandeling van deze negen pilotzaken, zijn andere zaken waarin de PAS een rol speelt aangehouden. Dit levert een vertraging in de procedure op. Gezien de dynamiek in de logistieke markt en de grote vraag naar vestigingsruimte in Noord-Brabant heeft de provincie, onder verwijzing naar een nieuwe beoordeling van de natuureffecten van het Logistiek Park, aan de Raad van State gevraagd de beroepsprocedure te hervatten.
Het uitvoeringsprogramma Havenstrategie 2015-2017 is eind 2017 afgerond. Uit de monitor 2017 blijkt dat de positieve ontwikkelingen in 2016 op het gebied van Profit over 2017 zijn gecontinueerd. De ontwikkelingen op het gebied van People zijn tot wasdom gekomen. Informatie aan en overleg met de bevolking krijgt via diverse kanalen vorm. De leefbaarheidsmaatregelen in het dorp Moerdijk worden volgens plan uitgevoerd. Het aantal milieuklachten is opnieuw gedaald. Voor het realiseren van de ambities op Planet is een aantal activiteiten belegd of wordt verkend hoe deze verder vorm krijgen (water, natuur, milieugebruiksruimte). Voor het realiseren van de ambities op het gebied van energie en circulaire economie (inclusief biobased) is de koppeling met de profit kant onontbeerlijk. De relaties met onderwijsinstellingen en andere relevante netwerken zijn versterkt, wat ertoe leidt dat Moerdijk steeds vaker benaderd wordt als vestigingslocatie voor pilots om te onderzoeken of er een haalbare businesscase is. Eind 2017 is opdracht gegeven (aan Strategy Unit) om een uitvoeringsagenda 2018 e.v. op te stellen en een projectorganisatie op te richten. De thema’s energie en circulaire economie (inclusief biobased), digitalisering, innovatie MKB, arbeidsmarkt en onderwijs, bereikbaarheid, natuur en milieugebruiksruimte krijgen hierin een accent.

Brabantse Ontwikkelings maatschappij (BOM Holding BV)

De BOM heeft als doel het stimuleren en begeleiden van samenwerkingsverbanden om innovaties om te zetten in producten of diensten. Daarnaast begeleidt BOM buitenlandse bedrijven naar en in Brabant, investeert zij in kansrijke, innovatieve ondernemingen en ontwikkelt zij bestaande en nieuwe duurzame werklocaties. Ook is een aantal fondsen bij de BOM ondergebracht, namelijk: het Innovatiefonds Brabant, het Energiefonds Brabant, het Breedbandfonds Brabant, het Biobased Brabant Fonds en het Cleantech fonds. De BOM draagt bij aan het innovatieve deel van de Brabantse economie. Zij doet dat door innovatieve MKB-bedrijven te ondersteunen met kennis, toegang tot markten en risicodragend kapitaal. Met het Meerjarenplan 2017-2020 van de BOM is begin 2017 ingestemd evenals met het daarbij behorende activiteitenplan BOM 2017. De realisatie op de geformuleerde doelstellingen zijn opgenomen onder hoofdstuk Economie.

Busines Park Aviolanda (BPA)

Naar verwachting stelt BPA begin 2018 een nieuw ondernemingsplan vast waarin de nieuwe koers van de onderneming wordt geconcretiseerd. Daarin staan business development en de ontwikkeling van het bedrijvencluster aerospace & maintenance centraal, in plaats van grondexploitatie en vastgoedontwikkeling. Vermoedelijk komt hierbij een behoefte aan extra eigen en vreemd vermogen naar boven.

OLSP Holding BV (Pivot Park)

De governance van Pivot Park voldoet aan de gestelde voorwaarden. Afgelopen jaren is merkbaarder geworden dat het gesplitste eigenaarschap van enerzijds het vastgoed en anderzijds de parkorganisatie coördinatieproblemen oplevert. Gedeputeerde Staten hebben in december 2016 besloten om de aandelen van Pivot Park over te nemen van de BOM. Met dit besluit hebben Provinciale Staten op 20 januari 2017 ingestemd (dossier 92/16). Als uitwerking van het statenvoorstel is in juli 2017 een tijdelijke samenwerkingsovereenkomst ondertekend door Pivot Park, OLSP Vastgoed BV, gemeente Oss en provincie met de ambitie om Pivot Park te laten uitgroeien tot een open innovatieve campus.

In de bijlagen van de jaarstukken is de ‘Uitwerking Paragraaf Verbonden Partijen’ opgenomen. In deze bijlage is meer uitgebreide informatie opgenomen per verbonden partij over beleid, governance en financiën. Tevens wordt in deze bijlage nader ingegaan op kpi’s van het Innovatiefonds, Energiefonds, Breedbandfonds, Brabant C fonds, Groen Ontwikkelfonds en Leisure ontwikkelfonds. Specifieke informatie over het Groen Ontwikkelfonds Brabant is ook opgenomen in hoofdstuk 3 onder productgroep 03.04 en Brabant C fonds is ook opgenomen in hoofdstuk 6 onder productgroep 06.01.

1 Gemeenschappelijke regelingen

1 Gemeenschappelijke regelingen (GR) Portefeuille Vestigingsplaats
1.1 Havenschap Moerdijk Aandeel 50% Pauli / Van Merrienboer Moerdijk
1.2 Parkschap Nationaal Park de Biesbosch Deelname wordt 1-1-2018 beëindigd Van den Hout Den Bosch
1.3 Zuidelijke Rekenkamer Aandeel 50% Programmaraad Eindhoven
1.4 Kleinschalig collectief vervoer Brabant Noord-oost Aandeel 6,25% Van der Maat Uden
1.5 Omgevingsdienst Midden- en West Brabant Aandeel 43% Van den Hout Tilburg
1.6 Omgevingsdienst Zuidoost Brabant Aandeel 44% Van den Hout Eindhoven
1.7 Omgevingsdienst Brabant Noord Aandeel 34% Van den Hout ’s-Hertogenbosch

2 Vennootschappen en coöperaties

2 Vennootschappen en coöperaties Vestigingsplaats Aandelen- Nominale Agio Gestort Balans- Portefeuille Bestuurlijk
Bedragen x € 1.000 kapitaal waarde waarde belang
2.1 Enexis NV ‘s-Hertogenbosch 30,80% 46.144 46.144 0 Spierings Stemrecht / voordrachtsrecht lidmaatschap RvC/lid AHC
2.2 CBL Vennootschap BV ‘s-Hertogenbosch 30,80% 6 6 6 Pauli Stemrecht / lid AHC
2.3 Vordering op Enexis BV ‘s-Hertogenbosch 30,80% 6 6 6 Pauli Stemrecht / lid AHC
2.4 Verkoop Vennootschap BV ‘s-Hertogenbosch 30,80% 6 6 6 Pauli Stemrecht / lid AHC
2.5 CSV Amsterdam BV ‘s-Hertogenbosch 30,80% 6 6 6 Pauli Stemrecht / lid AHC
2.6 Publiek Belang Elektriciteitsproductie BV ‘s-Hertogenbosch 30,80% 0 0 0 Pauli Stemrecht / lid AHC
2.7 Brabant Water NV ‘s-Hertogenbosch 31,60% 88 88 0 Pauli Stemrecht / voordrachtsrecht lidmaatschap RvC/lid AHC
2.8 Eindhoven Airport NV Eindhoven 24,50% 1.112 556 0 Van der Maat Stemrecht / voordrachtsrecht lidmaatschap RvC
2.9 BOM Holding BV Tilburg 100,00% 1 31.327 31.328 31.328 Van Merrienboer / Pauli Stemrecht / voordrachtsrecht lidmaatschap RvC
2.10a Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor Ruimte, BV ORR ‘s-Hertogenbosch 100,00% 30 89 119 111 Pauli Stemrecht / voordrachtsrecht lidmaatschap RvC
2.10b CV ORR I ‘s-Hertogenbosch 99,00% 743 4.958 5.700 5.498 Pauli Stemrecht / Commanditair vennoot
2.10c CV ORR II ‘s-Hertogenbosch 99,00% 743 4.000 4.743 4.000 Pauli Stemrecht / Commanditair vennoot
2.11a Tuinbouw Ontwikkelingsmaatschappij, BV TOM ‘s-Hertogenbosch 50,00% 9 9 0 Van Merrienboer Stemrecht / voordrachtsrecht lidmaatschap RvC
2.11b CV TOM ‘s-Hertogenbosch 49,75% 448 448 0 Van Merrienboer Stemrecht /Commanditaire vennoot
2.12 Business Park Aviolanda BV Woensdrecht 60,00% 11 6.477 6.488 6.488 Pauli Stemrecht / voordrachtsrecht lidmaatschap RvC
2.13 Nederlandse Waterschapsbank NV Den Haag 0,12% 22 8 0 Van Merrienboer Stemrecht
2.14 NV Bank voor Nederlandse Gemeenten Den Haag 0,07% 100 100 0 Van Merrienboer Stemrecht
2.15 PZEM NV Middelburg 0,05% 4 4 0 Van Merrienboer Stemrecht
2.16a OLSP Holding BV Oss 100,00% 18 18 0 Pauli Stemrecht
2.16b OLSP Vastgoed BV Oss 71,00% 20 4.480 4.500 4.500 Van Merrienboer Stemrecht
2.17 Green Chemistry Campus BV Bergen op Zoom 60,00% 11 2.300 2.311 2.300 Pauli Stemrecht / voordrachtsrecht lidmaatschap RvC
2.18 Groen Ontwikkelfonds Brabant BV ’s-Hertogenbosch 100,00% 0 0 0 Pauli / Van den Hout Stemrecht
2.19 NV Monumenten Fonds Brabant ‘s-Hertogenbosch 72,00% 2.058 - 2.058 2.058 Pauli Stemrecht
Totaal 51.584 53.631 104.646 56.307
In mindering gebrachte voorziening 11.010
balanswaarde 45.297

3 Verenigingen en stichtingen

3 Verenigingen en stichtingen Portefeuille Vestigingsplaats
3.1 Interprovinciaal overleg IPO (vereniging) Aandeel % Pauli Den Haag
3.2 INPA Huis van de Nederlandse Provincies (vereniging) Aandeel 8,33% Van de Donk Brussel
3.3 Stichting Brabant C Fonds Aandeel 100% Swinkels ’s-Hertogenbosch
3.4 Brabantse Investeringsfondsen Nieuwbouwwoningen (BIFN) (Stichting) Aandeel 50% Van Merrienboer ’s-Hertogenbosch
3.5 Stichting Beheer Museum Kwartier Aandeel 50% Swinkels ’s-Hertogenbosch
3.6 Stichting Monumentenfonds Brabant Aandeel 100% Pauli ’s-Hertogenbosch
3.7 Stichting Leisure Ontwikkelfonds Brabant Aandeel 50% Pauli Oisterwijk

4 Overige verbonden partijen

4 Overige verbonden partijen Portefeuille Vestigingsplaats
4.1 Fonds Nazorg Gesloten Stortplaatsen Zie toelichting Merrienboer/Hout ‘s-Hertogenbosch

5 Investeringsfondsen voor Brabant

De toelichting op de investeringsfondsen voor Brabant is opgenomen in paragraaf 8 investeringsagenda en in de bijlage bij de jaarrekening onder financiële vast activa. Deelnemingen, uitwerking paragraaf verbonden partijen.

5 Investeringsfondsen voor Brabant Fondsomvang Looptijd Revolverendheid Multiplier Portefeuille
Bedragen x € 1 mln. kapitaal waarde
5.1 Innovatiefonds Brabant 125 2037 Nominaal = 3 Pauli
5.2 Energiefonds Brabant 60 2037 Nominaal = 4 Spierings
5.3 Breedbandfonds Brabant 50 2037 Nominaal = 2 Pauli
5.4 Brabant C fonds 25 2018 Zoveel als mogelijk = 3 Swinkels
5.5 Groen Ontwikkelfonds voor Brabantse Natuur 240 2029 Niet of nauwelijks = 2 Van den Hout
5.6 Leisure Ontwikkel Fonds Brabant 5 2027 Beperkt (33-66%) = 2 Pauli

Stoplichtenmodel verbonden partijen

Toelichting op stoplichtenmodel

  • Groen -> Er zijn geen noemenswaardige aandachtspunten of risico’s op het gebied van beleid, governance of financiën bij de betreffende Verbonden Partij.
  • Oranje -> Er zijn aandachtspunten of risico’s bij de Verbonden Partij die om aandacht of inzet vragen, maar dit heeft geen hoge urgentie en de risico’s zijn beperkt. Dit kan bijvoorbeeld gaan om wisselingen in bestuur, statuten die herzien (moeten) worden of om licht tegenvallende resultaten.
  • Rood: Er zijn grote aandachtspunten bij de Verbonden Partij die soms directe actie vereisen, bijvoorbeeld omdat financiële risico’s niet zijn afgedekt, het bestuur of toezichthouder niet functioneert, of er geen publiek belang (meer) is. Er kunnen ook tegenvallende resultaten zijn.
  • Indien een Verbonden Partij oranje of rood scoort, wordt dit onderaan de tabel toegelicht.

Toelichting bij de rode en oranje scores

Bij de toetsing die voor het invullen van dit schema is uitgevoerd wordt altijd uitgegaan van de meest actuele wet- en regelgeving. In de afgelopen periode, sinds de vaststelling van de Nota Samenwerkingsrelaties en Verbonden Partijen, is de BBV aangepast, de WNT-2 van kracht geworden (het maximumsalaris van een topbestuurder is per 1 januari 2015 verlaagd van 130% naar 100% van een ministersalaris) Uitgangspunt is dat alle partijen voldoen aan de WNT, uiteraard met inbegrip van de overgangsperiode.

1.1 Havenschap Moerdijk

Governance: In oktober 2016 is met Havenbedrijf Rotterdam (HbR) een traject gestart om via een Joint Fact Finding de mogelijkheden voor samenwerking tussen Havenbedrijf Moerdijk (HbM) en Havenbedrijf Rotterdam (HbR) nader te verkennen. De afspraken zijn vastgelegd in Memoranda of Understanding (MoU). De verkenning (Joint Fact Finding) heeft als doel om de gedeelde belangen ingeval van samenwerking te identificeren en om een gedeeld beeld op te stellen over de inhoud en organisatievorm van de toekomstige samenwerking. Op basis van de uitkomsten van de verkenning nemen partijen, de directie, bestuurders en aandeelhouders van de havenbedrijven nadere besluiten over het vervolg van het proces.

1.7 ODBN

Financiën: De ODBN beschikt over nog steeds een gezonde financiële positie. De dienst kent naast een groot aantal bestemmingsreserves een algemene reserve die (zeer) beperkt is qua omvang. Dit zet het weerstandsvermogen onder druk (de bestemmingsreserves zijn immers niet vrij aanwendbaar en tellen daardoor niet mee in het weerstandsvermogen). Aanpak om te komen tot beter weerstandsvermogen is gestart.

2.1 Enexis

Governance: Herbenoeming lid Raad van Commissarissen en de benoeming van een aantal leden van de aandeelhouderscommissie.

2.7 Brabant Water

Beleid: Meerjarenbeleid is nog niet vastgesteld en zal in 2017 onderwerp van gesprek zijn.

Financiën: Geschil met de gemeente Tilburg en Goirle m.b.t. de overnamesom voor TWM ligt al enige tijd voor bij de rechter en uitkomst kan financieel substantiële gevolgen hebben voor Brabant Water N.V.

2.11 TOM

Financiën: Ondank de positieve ontwikkelingen in de markt zal er aan het einde van de looptijd een verlies overblijven voor de aandeelhouders. Het provinciale aandeel in dit verlies is afgedekt.

2.12 BPA

Financiën: De doorontwikkeling van het businesspark vraag om uitbreiding van de clusterontwikkelingsactiviteiten en ontwikkeling van nieuw vastgoed. Hiervoor is inbreng van extra vermogen nodig, vermoedelijk zowel vreemd als eigen vermogen.

2.15 PZEM NV

Financiën: Het voornemen tot verkoop van de provinciale aandelen PZEM NV heeft tot dusverre geen resultaat opgeleverd. PZEM NV is zelf bezig met een strategische heroriëntering en PZEM NV heeft haar netwerkactiviteiten in 2017 afgesplitst. Hierdoor zal zij meer en meer afhankelijk worden van haar commerciële activiteiten, waarbij de energiepoot nog verlieslijdend is.

2.16a OLSP holding

Financiën: Door het besluit van Provinciale Staten van 20 januari 2017 (dossier 92/16) om € 13,9 miljoen ter beschikking te stellen van de Pivot Park organisatie, waartoe Pivot Park behoort, maakt dat de financiële zorgen van Pivot Park voor de korte en middellange termijn zijn weggenomen. Neemt niet weg dat het risico van niet volledig terugverdienen van investeringen blijft.

2.16b OLSP vastgoed

Financiën: De financiële positie van OLSP Vastgoed is verslechterd als gevolg van een afwaardering van het vastgoed. Het besluit van Provinciale Staten van 20 januari 2017 (dossier 92/16) om € 13,9 miljoen ter beschikking te stellen van de Pivot Park organisatie, waartoe OLSP Vastgoed behoort, maakt echter dat de financiële zorgen van OLSP Vastgoed voor de korte en middellange termijn zijn weggenomen. Neemt niet weg dat het risico van niet volledig terugverdienen van investeringen blijft.

2.17 GCC

Financiën: Vertragingen bij de governance hebben effect gehad op de bouw en ontsluiting van de campus. Hierdoor kan huurders nog niet alle gewenste faciliteiten worden geboden. Dit heeft effect op de inkomsten die de campus genereert, waardoor de financiële groei vertraging oploopt. Dit neemt niet weg dat het streven met het huidige verdienmodel is dat de GCC na Fase Twee onafhankelijk kan zijn van publieke middelen.

2.19 NV monument fonds

Beleid: NV Monumentenfonds is in het najaar 2017 gestart met de nieuwe rol “beweging stimuleren”. In 2018 zal middels een businessplan op basis van de ervaringen met deze rol, vorm en inhoud worden gegeven aan de doorontwikkeling van de huidige NV, naar een Monumentenfonds 2.0. In overleg met de provincie en in de AvA zal het businessplan beoordeeld worden ten behoeve van continuering van deze rol bij NV Monumentenfonds Brabant.

3.3 Stichting Brabant C Fonds

Beleid: Uit de evaluatie die eerder dit jaar is uitgevoerd komt naar voren dat Brabant C een waardevol instrument is binnen het provinciale cultuurbeleid dat op een vernieuwende wijze met oog voor duurzame verbetering van het cultuursysteem ondernemerschap stimuleert. Het fonds is goed uit de startblokken gekomen en het College wil met het fonds door. Via de Perspectiefnota 2018 zal voorstel voor een vervolg voor besluitvorming worden voorgelegd, een tweede tranche Brabant C voorstellen, want de huidige afspraken met Brabant C lopen t/m 2018. In Statenmededeling “Brabant C: businessplan 2018 – 2021 en de reactie van GS hierop” bent u hierover reeds geïnformeerd.

3.6 Stichting Monumentenfonds Brabant

Beleid: In 2018 moet een keuze worden gemaakt of de Stichting Monumentenfonds wordt ontbonden of dat deze Stichting voorlopig nog in stand blijft i.v.m. de ANBI-status van de Stichting.

Governance: De directie en Raad van Toezicht van de Stichting worden momenteel bemand door provinciale medewerkers, in afwachting van besluitvorming over al dan niet ontbinden van de Stichting in 2018. Indien zou worden besloten om de Stichting te laten voortbestaan, dan zal opnieuw worden bekeken hoe directie en RvT worden bemenst.

4.1 Fonds Nazorg Gesloten Stortplaatsen 

Financiën: Uit de Meerjarenbegroting 2018-2021 van het Nazorgfonds blijkt dat de egalisatiereserve naar verwachting in 2019 negatief wordt.
Vanaf dat moment ontstaat voor de provincie Noord-Brabant een risico en zal de provincie een voorziening aan dienen te houden om het verschil tussen het jaarlijkse rendement en de vereiste oprenting op te kunnen vangen (naar schatting vanaf 2020 jaarlijks ca. € 260.000).

Beleid Governance Financiën Aandeel- WNT
houderschap
Gemeenschappelijke Regelingen
1.1 Havenschap Moerdijk Actief Voldoet
1.2 Parkschap Nationaal Park de Biesbosch Deelname Per 1-1-2018 beëindigd
1.3 Zuidelijke Rekenkamer Monitorend Voldoet
1.4 Kleinschalig Collectief Vervoer Noordoost-Brabant Monitorend Voldoet
1.5 Omgevingsdienst Midden-en West-Brabant Actief Voldoet
1.6 Omgevingsdienst Zuidoost Brabant Actief Voldoet
1.7 Omgevingsdienst Brabant Noord Actief Voldoet
Vennootschappen en coöperaties
2.1 Enexis NV Actief Overgangsregime
2.2 CBL Vennootschap BV Actief NVT
2.3 Vordering op Enexis BV Actief NVT
2.4 Verkoop Vennootschap BV Actief NVT
2.5 CSV Amsterdam BV Actief NVT
2.6 Publiek Belang Elektriciteitsproductie BV Actief NVT
2.7 Brabant Water NV Actief Overgangsregime
2.8 Eindhoven Airport NV Actief NVT
2.9 BOM Holding BV Actief Overgangsregime
2.10 Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor Ruimte (ORR) Actief NVT
2.11 Tuinbouw Ontwikkelingsmaatschappij (TOM) Actief Voldoet
2.12 Businesspark Aviolanda (BPA) Actief NVT
2.13 Nederlandse Waterschapsbank NV Monitorend NVT
2.14 Bank Nederlandse Gemeenten NV (BNG) Monitorend NVT
2.15 PZEM NV Monitorend Voldoet
2.16a Oss Life Science Park holding Actief Voldoet
2.16b Oss Life Science Park Vastgoed Actief Voldoet
2.17 Green Chemistry Campus BV Actief Voldoet
2.18 Groen Ontwikkelfonds Brabant BV Actief Voldoet
2.19 NV Monumenten Fonds Brabant Actief Voldoet
Verenigingen en Stichtingen
3.1 Interprovinciaal Overleg (IPO) Monitorend Voldoet
3.2 INPA Huis van de Nederlandse Provincies Monitorend Voldoet
3.3 Stichting Brabant C Fonds Actief Voldoet
3.4 Brabantse Investeringsfondsen Nieuwbouwwoningen (BIFN) Actief NVT
3.5 Stichting Beheer Museumkwartier Actief Voldoet
3.6 Stichting Monumentenfonds Brabant Monitorend Voldoet
3.7 Stichting Leisure Ontwikkelfonds Noord-Brabant Actief Voldoet
Overige Verbonden Partijen
4.1 Fonds Nazorg Gesloten Stortplaatsen Actief Voldoet

Prestatie indicatoren Investeringsfondsen

Overzicht van KPI’s fondsen

Met betrekking tot het Innovatie-, Energie-, Breedband-, Groen Ontwikkel- en Brabant C Fonds zijn kritische prestatie indicatoren afgesproken. Drie verbonden partijen zijn belast met de uitvoering van de vijf fondsen. In deze paragraaf zijn de afgesproken KPI’s gegroepeerd opgenomen.

Vigerende beleidsnota met eindjaar looptijd

Volgende afweeg-moment

Prestaties met indicatoren

Normen

Realisatie

Monitoring Fondsen

 

 

 

 

Innovatiefonds Brabant

PS  42/13 A

2021

Het Innovatiefonds heeft aan het eind van de looptijd dezelfde nominale waarde als bij aanvang (€ 125 mln.)

De verwachte eindwaarde van het fonds is na 24 jaar gelijk aan de initiële inleg.

De toekomstverwachtingen van de huidige portefeuille zijn positief. De gerealiseerde ontvangen kasstromen plus het verwacht rendement van de portefeuille zijn per saldo € 48 miljoen hoger dan de investeringen en gemaakte kosten.

 

 

Het innovatiefonds verleidt andere financiers om zoveel mogelijk geld beschikbaar te krijgen voor innovatieve MKB-bedrijven in Noord-Brabant

Met € 125 miljoen aan middelen mobiliseert het Innovatiefonds minimaal € 250 miljoen aan middelen van andere financiers. Dit komt neer op een multiplier van 3.

Bij de huidige investeringen is de multiplier 35 (29 bij directe investeringen, 41 bij fund tot fund en 4 bij fondsen in eigen beheer).

 

 

Bijdragen aan nieuwe oplossingen voor maatschappelijke opgaven middels innovaties in bijvoorbeeld duurzame agro-foodketens, gezond ouder worden, slimme mobiliteit en duurzame energie:

De totale investeringsportefeuille van het Innovatiefonds bestaat voor 40-50% uit bedrijven die zich richten op maatschappelijke opgaven. 

Zowel in geïnvesteerde bedragen als in aantallen investeringen ligt IFB met een realisatie van meer dan 50% ruim boven de doelstelling uit het IFB en voldoet daarmee aan de norm.

 

 

Het innovatiefonds versterkt de Brabantse economie en bevordert de werkgelegenheid door ondersteuning van innovatieve MKB bedrijven in de (cross-overs van) topclusters van Brabant: hightech systems & materialen, life sciences, biobased economy,agrofood, logistiek en maintenance en de hiermee samenhangende sectoren zoals de creatieve industrie en breedbanddiensten.

De totale investeringsportefeuille van het Innovatiefonds bestaat voor 50-60% uit bedrijven uit (cross-overs van) topclusters.

Zowel in geïnvesteerde bedragen als in aantallen investeringen ligt IFB met realisatie boven 90% ruim boven de doelstelling uit het IFB fondsplan (doelstelling is >50% investeren in de zes Topclusters) en voldoet daarmee aan de norm.

 

 

Sluiten van de keten van financieringsmogelijkheden voor innovatieve MKB-bedrijven in de topclusters van Noord-Brabant. Met name in de (Pre-)Seed, Early stage en Growth fasen van bedrijfsontwikkeling is het marktfalen het meest prominent is.

De totale investeringsportefeuille van het Innovatiefonds Brabant bestaat voor minimaal 60% uit bedrijven in de (Pre-)Seed, Early Stage en Growth fasen van innovatieve MKB bedrijven en consortia.

Bij de huidige investeringen is dit meer dan 80% en voldoet daarmee aan de norm. (29 pre-seed, 12 early stage, 12 growth en 3 later stage participaties)

Energiefonds Brabant

PS  42/13 A

 

2021

De mate van uitputting van het fonds. Het nog beschikbare vrije fonds vermogen is voldoende groot om de nog te realiseren grootheden van de maatschappelijke opgave binnen de gestelde kaders te bewerkstelligen.

 

Percentage gerealiseerde maatschappelijk opgave ten opzichte van het procentuele gebruik van het fondsvermogen.
De initiële 60 mln. – totaal geïnvesteerd bedrag – totale kosten + cashflows uit investeringen = beschikbare middelen fonds

Niet beschikbaar

 

 

 

Herinvesteringen na exits

Uiteindelijk 2 tot 3 keer, eerste jaren geen

Herinvesteringen worden verwacht vanaf jaar 8

 

 

De minimale CO2 reductie per geïnvesteerde euro

Minimaal 30 kg CO2 besparing per 1 euro investering.

89 kg. Gerealiseerde CO2-emissie (per project gekapitaliseerd op het investeringsmoment)

 

 

De multiplier

>4 bij warehousefunctie

7,4

 

 

 

>2 bij projectontwikkelfunctie

1,84

 

 

De mate van revolverendheid

Na 24 jaar minimaal € 60 miljoen (nominaal revolverend)

0,73.
De revolverendheidsratio van het fonds van 0,73 is logischerwijs kleiner dan 1 omdat in de eerste jaren de fondskosten niet kunnen worden goedgemaakt door de investeringen. Als deze ratio op minimaal 1 ligt betekent het dat verwacht mag worden dat de waarde van het fonds aan het einde van de looptijd minimaal EUR 60 miljoen is, zonder verdere investeringen te doen, terwijl toch alle fondskosten op hetzelfde niveau blijven doorlopen. De ratio kruipt wel naar 1 toe en is verwacht na 6 jaar boven de 1 uit te komen. Mocht het fonds nu gestopt worden en de fondsmanagementkosten worden gestopt is het fonds nu al revolverend.

 

 

De gerealiseerde grootheden van de maatschappelijke opgave in aantallen en vermogen (CO2 reductie en ingezet fondsvermogen)

Lineair oplopend: ieder jaar 4% van de doelstelling.

 

-

 

 

De maxima van de gerealiseerde grootheden van de maatschappelijke opgave over het fondsvermogen.

  • maximaal 33% per technologie.

Wind           6,8%

Besparing    3,0 %

WKO          2,1 %

Zon PV        2,7 %

Geothermie 0,1%

 

 

 

  • Maximaal 10 % per initiatiefnemer

0,042

 

 

 

Aantoonbare inspanning in financiering van minimaal 10% kleinschalige projecten.

0,312

Breedbandfonds Brabant

PS  42/13 A

 

2021

De mate van revolverendheid.
De verwachte eindwaarde van het fonds (beschikbaar gestelde middelen plus rendement minus kosten en afschrijvingen).

De eindwaarde van het fonds is na 25 jaar groter of gelijk aan de initiële inleg. (nominaal revolverend, inflatie buiten beschouwing gelaten)

Verwachte revolverendheid: 98,3 % / 100 % niet mogelijk nu er geen nieuwe financieringen verwacht worden waaraan fondskosten doorgerekend kunnen worden doorgerekend kunnen worden en financiering aan Mabib niet doorgegaan is maar er wel fondskosten

 

 

Vergroten marktdynamiek

(Hebben marktpartijen / coöperaties met onze cofinanciering meer projecten / aansluitingen in witte gebieden gerealiseerd?)

Aantal projecten beschikt en in de pijplijn. Norm pilotfase is 5 tot 7 projecten beschikt.

Ultimo 2017 cumulatief 2 projecten gecommitteerd,

Het BBFB heeft een grote invloed gehad op marktdynamiek nu MABIB, Coöperatie MBG e.a. partijen aanleggen zonder fondsfinanciering

 

 

De multiplier.

  • Het totaal geïnvesteerd vermogen / provinciaal geïnvesteerd vermogen

De multiplier > 2.

Bij de huidige 3 projecten is deze 2,12. De verwachting is dat de multiplier >2 blijft.

 

 

Het gerealiseerde aantal aansluitingen als percentage van de totale opgave.
Het beoogde aantal aansluitingen (homes passed) huishoudens in het buitengebied met het beschikbare vermogen in de pilotfase en uitgaande van een multiplier van > 2.

Jaar 3 is 20%, jaar 4 tot en met 7 is 15% per jaar en jaar 8 tot en m et 10 in totaal 20% van de opgave.

Fondsdoel 2017 20% is gehaald.

 

 

Het beoogde aantal aansluitingen bedrijven (offices passed) met het beschikbare vermogen in de pilotfase en uitgaande van een multiplier van > 2.

50.000 aansluitingen huishoudens buitengebied (eindnorm)

Het aantal cumulatief aangelegde door BFB gerapporteerde aansluitingen is 3253 (aansluiting beschikt + verwacht) Samen met de door de marktpartijen aangelegde aansluitingen of in aanleg is het aantal 9990 = 20% op peildatum 30 juni 2017 (Stratix BV. Breedbandmonitor Brabant)

 

 

Realisatie is afhankelijk v/d mix huishoudens / bedrijven en van de werkelijke kosten per aansluiting. Dus er zullen minder dan maximaal mogelijk aantal huishoudens en bedrijven worden aangesloten.

3.000 aansluitingen bedrijven (eindnorm)

 

 

 

Spreiding van de uitrol in witte gebieden en bedrijventerreinen.

Aantal gerealiseerde aansluitbare huizen (homes passed) en/of aangesloten bedrijfspanden per project als percentage van de totale opgave witte panden per gemeente

Van de drie gecommitteerde projecten is er één afgerond

 

 

 

Weergave van projecten met bijbehorend aantal aansluitingen op een kaart van Brabant.

(Fiber Buiten, Boxtel):318 aansluitingen buitengebied (0,6 % van opgave)

In de loop van 2018 komt de monitor beschikbaar van Stratix BV. betreffende het aantal aansluitingen bedrijven op bedrijventerreinen.
Er zijn slechts 3 projecten gecommitteerd en daarmee is geen sprake van een goede spreiding. Er zijn buiten het fonds echter marktinitiatieven in een groot deel van Brabant .
Aantal initiatieven op bedrijventerreinen blijft achter.
In 2017 wordt een monitor ontwikkeld om voortgang private en burgerinitiatieven buiten het BFB te volgen.

Er zijn slechts 3 projecten gecommitteerd en daarmee is geen sprake van een goede spreiding. Er zijn buiten het fonds echter marktinitiatieven in een groot deel van Brabant .

Aantal initiatieven op bedrijventerreinen blijft achter.

In 2017 wordt een monitor ontwikkeld om voortgang private en burgerinitiatieven buiten het BFB te volgen.

 

 

Effectiviteit van het fonds:

Investeringskosten aansluiting / aantal aansluitingen

Investeringskosten aansluiting / aantal aansluitingen = € 4.075/3253 = € 1.253,-- per aansluiting. Dit betreft een voorlopig bedrag aangezien het om een voorlopig aantal door BFB gerapporteerde aansluitingen gaat (aansluiting beschikt + verwacht). Bij definitieve vaststelling van de subsidie kan de effectiviteit van het fonds definitief bepaald worden.
Investeringskosten gecommitteerd: €2,6 mln Investeringskosten gerealiseerd: €1,475 mln
Totaal: €4,075mln

 

 

 

Totale fondsbeheerkosten / gerealiseerde aansluitingen (HP)

Fondsbeheerkosten €1,118/3.253 = € 344,-- per aansluiting. De fondskosten liggen relatief hoog door het wegvallen van subsidie aan Mabib/CIF eind 2016 waarvoor oprichtings- en investerings-kosten zijn gemaakt maar niet worden terugverdiend door aansluitingen
Fondsbeheerkosten cumulatief: €1,118 mln.

Brabant C Fonds

PS 59/14

2021

Percentage gerealiseerde projecten van aantoonbare (inter)nationaal niveau (te meten in herkomst bezoekers, publieksoordeel, publicaties, nominaties)

Minimaal 60 %

Resultaten over deze nieuwe werkwijze  komen bij het jaarrekeningproces 2018 tot uitdrukking.

 

 

Percentage gerealiseerde projecten dat het cultuursysteem versterkt (te meten in duurzaamheid en publieksbeleving)

Minimaal 60 %

Resultaten over deze nieuwe werkwijze  komen bij het jaarrekeningproces 2018 tot uitdrukking

 

 

Percentage gerealiseerde projecten dat vernieuwend en innovatief is (te meten in associaties innovatief en onderscheidend) gesprekspartners

Minimaal 50%

Resultaten over deze nieuwe werkwijze  komen bij het jaarrekeningproces 2018 tot uitdrukking

 

 

Het percentage gerealiseerde projecten waarin wordt samengewerkt met partijen buiten de culturele sector (te meten in gerealiseerde cross-overs en samenwerkingen)

Minimaal 70%

Resultaten over deze nieuwe werkwijze  komen bij het jaarrekeningproces 2018 tot uitdrukking

 

 

Het aandeel leningen van de jaarlijks uitgezette middelen stijgt van minimaal 15% in 2017 naar ten minste 32% eind 2021

Minimaal 15%

Resultaten over deze nieuwe werkwijze  komen bij het jaarrekeningproces 2018 tot uitdrukking

Groen Ontwikkelfonds voor Brabantse natuur

2021

 

 

Op 1 december 2017 (Statenvoorstel 77/17) heeft PS ingestemd met geactualiseerde KPI's. Hiermee wordt PS in staat gesteld beter te kunnen sturen op de resultaten van het GOB. Met het GOB zijn hier vervolgens nadere afspraken over gemaakt. Vanaf 2018 zal het GOB hier jaarlijks over rapporteren

PS  42/13 A

 

 

De mate van uitputting van het fonds. Het beschikbare nog vrije fonds vermogen is groot genoeg om de nog te realiseren opgave (in het provinciaal deel van het NNB) binnen de gestelde kaders waar te maken Streefwaarde uitputting fonds

Ja.

 

 

 

 

De omvang van categorie C ( max 15% subsidie) is minstens even groot als de omvang van categorie A (max 85%) in het provinciaal NNB  Streefwaarde C>=A dus 1 of groter

Iets meer dan 1 (cumulatief voor de periode 1 mei 2014 - 31 december 2017). Een klein deel 7 ha is gerealiseerd zonder GOB subsidie (0% categorie).

 

 

 

De multiplier voor het provinciaal NNB Streefwaarde >=2

2,02, (cumulatief voor de periode 1 mei 2014 - 31 december 2017).

 

 

 

Is het beschikbare vermogen groot genoeg voor de nog te realiseren opgaven binnen het rijksdeel van het NNB streefwaarde uitputting fonds

Ja.

 

 

 

De gerealiseerde grootheden van de maatschappelijke opgave in aantallen, vermogen en inbreng aan middelen en grond

Deze KPI is op dit moment niet goed te beantwoorden. Hierover zijn wij in overleg met het GOB. Bij de Burap 2018 zullen wij u hier nader over informeren.

 

 

 

De gewogen mate van spreiding van de maatschappelijk opgave over de categorieen A,B en C en over de manifestpartners

Doel is het NNB realiseren, de gewogen mate van spreiding voegt daar geen relvante informatie aan toe. De bijdrage van Manifestpartners aan doelstellingen van het GOB bedraagt voor het provinciaal deel NNB € 1.945.000, voor het Rijksdeel NNB € 2.400.000 en EVZ's € 3.000.000 = € 7.345.000 en 441 ha in totaal (cumulatief voor de periode 1 mei 2014 - 31 december 2017).

Leisure Ontwikkel Fonds

PS 45/16

2019

Er wordt gestart met een beperkt aantal prestatie indicatoren.

Mate van revolverendheid.

 

Op basis van de ervaring van de eerste twee jaar wordt een voorstel ontwikkeld voor een complete set aan prestatie indicatoren inclusief het maatschappelijke rendement, vast te stellen door de raad van deelnemers.

 

 

Er is op voorhand uitgegaan van een revolverendheid van 66%

 

Resultaten over deze kpi komen pas bij het jaarrekeningproces 2018 tot uitdrukking

 

7. Ontwikkelbedrijf en grondbeleid

Algemeen beeld ontwikkelbedrijf en grondbeleid

Provinciaal grondbeleid

Het Provinciaal grondbeleid heeft als doel om tegen aanvaardbare prijzen (tijdig) gronden beschikbaar te krijgen voor realisering van door haar beoogde doelen. De Provincie voert grondbeleid uit door zowel regulerend optreden, participaties zoals deelnemingen in externe Ontwikkelmaatschappijen (zoals de ORR en TOM) of gelegenheidsmaatschappijen, maar ook door het zelf of samen met derden verwerven, ontwikkelen en verkopen van gronden. Waar wenselijk geacht gebeurt dit ook anticiperend. De verschillende vormen kennen verschillende voor- en nadelen en risicoprofielen. Per situatie wordt de afweging gemaakt over de toe te passen vorm en uitvoeringswijze.

Ontwikkelbedrijf

Het ontwikkelbedrijf wordt ingezet voor de realisatie van projecten in het ruimtelijk fysieke domein. Hiermee worden provinciale doelen op het gebied van onder andere economie, erfgoed, landbouw, cultuur en samenleving, energie en openbare orde en veiligheid gerealiseerd. Om dit mogelijk te maken heeft het ontwikkelbedrijf verschillende instrumenten tot haar beschikking, waaronder: de aankoop van grond of gebouwen, de participatie in een project of deelneming en het verstrekken van een lening of garantstelling. Daarnaast worden door de inzet van kennis, kunde en procesgeld (her)ontwikkelingsprocessen vlot getrokken en partijen verbonden. Binnen het ontwikkelbedrijf zijn inmiddels niet revolverende middelen gereserveerd voor de inzet in dit soort processen.

Op onderstaande kaart zijn de belangrijkste projecten in 2017 aangegeven.

Het ontwikkelbedrijf wordt ingezet voor de realisatie van projecten in het ruimtelijk fysieke domein. Hiermee worden provinciale doelen op het gebied van onder andere economie, erfgoed, landbouw, cultuur en samenleving, energie en openbare orde en veiligheid gerealiseerd. Om dit mogelijk te maken heeft het ontwikkelbedrijf verschillende instrumenten tot haar beschikking, waaronder: de aankoop van grond of gebouwen, de participatie in een project of deelneming en het verstrekken van een lening of garantstelling. Daarnaast worden door de inzet van kennis, kunde en procesgeld (her)ontwikkelingsprocessen vlot getrokken en partijen verbonden. Binnen het ontwikkelbedrijf zijn inmiddels niet revolverende middelen gereserveerd voor de inzet in dit soort processen.

Op onderstaande kaart zijn de belangrijkste projecten in 2017 aangegeven.

Portefeuille Ontwikkelbedrijf

De resterende ruimte in het investeringskrediet van het Ontwikkelbedrijf bedraagt € 64,6 mln.Bij de inschatting van de resterende ruimte is rekening gehouden met de geraamde toekomstige inkomsten en uitgaven van alle projecten en is aangenomen dat de afgegeven garantstellingen volledig worden ingeroepen.

De risico's in de projecten worden afgedekt door de Risicoreserve van het ontwikkelbedrijf. Ultimo 2017 bedraagt deze € 66,4 mln. Dit is onderverdeeld in een risicoreservering van € 28,8 mln en een voorziening van € 30,1 mln. Beide voor de bestaande projecten. Sinds vaststelling van het nieuwe beheerstatuut ontwikkelbedrijf op 23 februari jl. door PS
hanteert het ontwikkelbedrijf op het niveau van de totale risicoreserve dezelfde systematiek als het concern. Hierbij wordt uitgegaan van de verhouding tussen de beschikbare en de benodigde weerstandcapaciteit; de ratio van het weerstandsvermogen. De beschikbare weerstands-capaciteit bedraagt € 36,3 mln. (€ 66,4 - € 30,1 mln). De benodigde
weerstandscapaciteit bedraagt € 28,8 mln. De ratio weerstandsvermogen komt daarmee op 1,26. Deze ratio is ruim voldoende om de risico’s binnen het ontwikkelbedrijf op te vangen.
De in het verleden gedane afwaarderingen van posities zijn ten laste gebracht van de risicoreserve (verlaging) en daarnaast worden bijvoorbeeld renteopbrengsten van een aantal leningen jaarlijks toegevoegd aan de risicoreserve (verhoging). In 2017 is de risicoreserve vrije ruimte binnen de risicoreserve eenmalig verhoogd door een storting van € 4 mln uit de risicoreserve woningbouwstimulering.

De risico's in de projecten worden afgedekt door de Risicoreserve van het ontwikkelbedrijf. Ultimo 2017 bedraagt deze € 66,4 mln. Dit is onderverdeeld in een risicoreservering van € 28,8 mln en een voorziening van € 30,1 mln. Beide voor de bestaande projecten. Sinds vaststelling van het nieuwe beheerstatuut ontwikkelbedrijf op 23 februari jl. door PS
hanteert het ontwikkelbedrijf op het niveau van de totale risicoreserve dezelfde systematiek als het concern. Hierbij wordt uitgegaan van de verhouding tussen de beschikbare en de benodigde weerstandcapaciteit; de ratio van het weerstandsvermogen. De beschikbare weerstands-capaciteit bedraagt € 36,3 mln. (€ 66,4 - € 30,1 mln). De benodigde
weerstandscapaciteit bedraagt € 28,8 mln. De ratio weerstandsvermogen komt daarmee op 1,26. Deze ratio is ruim voldoende om de risico’s binnen het ontwikkelbedrijf op te vangen.
De in het verleden gedane afwaarderingen van posities zijn ten laste gebracht van de risicoreserve (verlaging) en daarnaast worden bijvoorbeeld renteopbrengsten van een aantal leningen jaarlijks toegevoegd aan de risicoreserve (verhoging). In 2017 is de risicoreserve vrije ruimte binnen de risicoreserve eenmalig verhoogd door een storting van € 4 mln uit de risicoreserve woningbouwstimulering.

Projecten
De portefeuille van het ontwikkelbedrijf is divers en loopt uiteen van grondposities tot deelnemingen, leningen en garanties. Niet alle projecten vragen evenveel (bestuurlijke) aandacht. In veel gevallen zijn onze projectpartners de initiatiefnemers van de projecten. De rol van de provincie is dan meer op afstand. Bij een aantal projecten is de provincie zelf in de lead, te weten:

  • Logistiek Park Moerdijk
  • Pivot Park Oss 
  • KVL Oisterwijk
  • Mariadal Roosendaal

Verkenningen
In 2017 is het Ontwikkelbedrijf met veel potentieel nieuwe projecten bezig geweest. Het zwaartepunt van deze verkenningen kennen hun oorsprong bij Cultureel Erfgoed en Economisch vestigingsklimaat.

Highlights verkenningen

  • Van Gogh Brabant
  • Markiezaat Terminal Bergen op Zoom
  • Metalot 
  • Stedelijke transformatie Walkwartier Oss

Highlights projecten in uitvoering

De tenderprocedure van KVL is in volle gang. Na de dialoogrondes worden de aanbiedingen beoordeeld op basis van prijs en kwaliteit. De voorlopige gunning van Mariadal is eind 2017 afgerond. Begin 2018 wordt de gunning van KVL verwacht.

Voor LPM is op 28 november 2017 een geactualiseerde passende beoordeling toege-stuurd aan de Raad van State met het verzoek de beroepspro¬ce¬du¬re voor LPM te hervatten. Met de geactualiseerde passende beoordeling is het de bedoeling om aan te tonen dat LPM ook uitgevoerd kan worden onaf¬han¬kelijk van het PAS. Op deze manier is getracht om alsnog op korte ter¬mijn tot een uitspraak van de Raad van State te komen over het LPM. De RvS heeft 23 januari en 5 februari 2018 aan¬ge¬geven te willen wachten op de reactie van het Europese Hof.

Omdat een uitspraak pas in 2019 te verwachten is, beraden de Provincie, Gemeente en het Havenbedrijf zich de mogelijkheden om tot snellere uitvoering te kunnen komen.

Jachthaven Hermenzeil is door betrokkenheid van het ontwikkelbedrijf in eigendom gekomen van de gemeente Geertruidenberg. Doelstelling hierbij is om de ondermijnende criminaliteit op deze locatie tegen te gaan. In 2018 wordt deze locatie opnieuw aangeboden aan de markt.

Bij Pivot Park is gewerkt een nieuwe governance, besluitvorming begin 2018 verwacht.

Bij Energyweb XL verwachten we in de eerste helft van 2018 een besluit te kunnen nemen of de lijn tussen Moerdijk en Nieuw Prinsenland kan worden aangelegd. In 2017 is onder andere met Enpuls, Shell, TOM en de tuinders van Nieuw Prinsenland gewerkt aan een definitieve businesscase.

Het ontwikkelbedrijf draagt bij aan beleidsontwikkeling van de thema’s leegstand, energietransitie en stedelijke herontwikkeling.

Meerjarenperspectief Ontwikkelbedrijf
Voor een gedetailleerde toelichting op de projecten en verkenningen wordt verwezen naar de separate bijlage van de begroting het ‘Meerjarenperspectief van het Ontwikkelbedrijf’. In dit perspectief wordt gerapporteerd over de financiën én de inhoudelijke ontwikkeling van de portefeuille. Ook worden, naast al door GS vastgestelde projecten, verkenningen opgenomen in dit Meerjarenperspectief.

Belangrijkste ontwikkelingen 2017 overige beleidsvelden

Natuurnetwerk Brabant
Conform de doelstellingen zoals opgenomen in Brabant Uitnodigend Groen wordt t/m 2027 in totaal circa 15.000 ha natuurnetwerk en1.300 km Ecologische Verbindingszones gerealiseerd. Hiertoe zijn in 2017 diverse gronden verworven en/of ingericht en verkocht vooral in de Westelijke Langstraat, De Peelvenen, Kempenland-West, Groote Heide-Leenderbos, De Maashorst en het Markdal.

Overige grond aan- en verkopen
Naast de genoemde beleidsterreinen en vermelde projecten bestaat de grondportefeuille ook nog uit enkele grondeigendommen, kleinere projecten en verwervingen in het kader van aan te leggen wegeninfra-structuur en ruilgronden. Zo hebben in 2017 o.a. aan- en verkopen plaatsgevonden t.b.v. de infraprojecten, te weten:

  • N 279 (’s-Hertogenbosch-Veghel);
  • N 69 (Eindhoven-Valkenswaard);
  • N 264 Komproblematiek Haps;
  • N 285 Randweg Zevenbergen;
  • N 324 Wegvak Grave-Oss;
  • N 605 Randweg Boekel;
  • N 629 reconstructie Oosterhout-Dongen.

Daarnaast zijn er gronden verkocht voor Grondbank de Kempen.

Ruimte voor Ruimte
Middels de ontwikkeling van Ruimte voor Ruimte (RvR) kavels worden eerder verstrekte sloopvergoedingen i.h.k.v. reconstructie landelijk gebied terugverdiend. De ontwikkeling van de kavels vindt grotendeels plaats door de Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor Ruimte (ORR). Van de € 216 mln aan verstrekte sloopvergoedingen moet ultimo 2017 nog € 96,3 mln terugverdiend worden. Daarnaast zijn er met de ORR afspraken gemaakt over de overname van de Ruimte voor Ruimte posities binnen het Ontwikkelbedrijf.

Verdere toelichting
Meer uitgebreide toelichting over bovenstaande onderwerpen is verder te vinden in:

  • Meerjarenperspectief ontwikkelbedrijf (bijlage bij begroting)
  • Bijlage deelnemingen (O.a. OLSP Vastgoed/Pivot Park, TOM, ORR, BPA, LPM, GOB)
  • Betreffende begrotingshoofdstukken: 
    • 02.01Ruimtelijke ontwikkeling (RvR) en 02.02 Agrofood (glastuinbouw)
    • 03.04 GOB (Groen Ontwikkelfonds Brabant)
    • 04.02 Economisch programma (bedrijventerreinen/campussen)
    • 06.01 Cultuur en samenleving (erfgoed)

Risicomanagement grondportefeuille Ontwikkelbedrijf

Jaarlijks worden alle grondexploitaties geactualiseerd. Hierbij wordt conform richtlijnen prudent te werk gegaan, wat betekent dat verliezen worden genomen zodra ze worden voorzien en winst pas wordt genomen als deze daadwerkelijk wordt gerealiseerd. Daarnaast wordt ook op basis van risicoanalyse een risicoreservering/voorziening opgenomen of bijgesteld. Naar aanleiding van het PS besluit van 23 februari 2018 zal onderzocht worden of meer aangesloten kan worden bij de risicosystematiek van de algemene risicoreserve. Zie verder ook Paragraaf 3 Weerstandsvermogen en risicobeheersing.

De boekwaarde van het Ontwikkelbedrijf per 31-12-2017 is conform de uitgangspunten van het Besluit Begroting en verslaglegging (BBV) als volgt opgebouwd:

Categorie Bedrag
Materiële vaste activa 1.038.356
Voorraad handelsgoederen 7.358.502
Onderhanden werk 74.188
Onderhanden werk BIE 74.864.169
Deelnemingen 10.968.160
Geldleningen 44.026988
Garantstellingen 33.813.852
Totaal 172.164.214

Stand van de reserve en voorziening

Risicoreserve ontwikkelbedrijf

Programmabegroting Thema   Saldo 1-1-2017 Mutatie 2017 Saldo 31-12-2017
02 Ruimte Bedrijventerreinen projecten 8.700.000 -700.000 8.000.000
    projecten garantstelling 0 2.500.000 2.500.000
    deelneming kapitaalinbreng 6.488.160 0 6.488.160
    deelneming lening 100.331 -88.331 12.000
  Glastuinbouw deelneming, geldlening 6.197.448 1.084.960 7.282.408
  Grote erfgoedcomplexen projecten 2.270.344 -906.944 1.363.400
    geldleningen 2.393.007 183.008 2.576.015
  Economisch vestigingsklimaat geldlening 180.933 -25.933 155.000
  Regionaal sociaal beleid geldlening 0 453.500 453.500
  Overig voorbereiding 300.000 -300.000 0
Subtotaal afgedekt     26.630.223 2.200.260 28.830.483
Subtotaal resterende ruimte voor risicoafdekking     4.373.749   7.508.041
Totaal     31.003.971   36.338.525

Voorzieningen ontwikkelbedrijf

Programmabegroting Thema   Saldo 1-1-2017 Mutatie 2017 Saldo 31-12-2017
02 Ruimte Ruimte voor Ruimte projecten 183.573 -183.573 0
  Glastuinbouw garantstelling 16.841.461 -369.947 16.471.514
    lening 2.474.000 866.000 3.340.000
  Grote erfgoedcomplexen projecten 4.900.000 1.030.000 5.930.000
  Economisch vestigingsklimaat lening 0 510.000 510.000
  Landbouw projecten 176.946 -176.946 0
  Kenniseconomie deelneming: kapitaalinbreng 4.500.000 -602.085 3.897.915
Totaal     29.075.980 1.073.449 30.149.429

Egalisatiereserve ontwikkelbedrijf

Programmabegroting Thema   Saldo 1-1-2017 Mutatie 2017 Saldo 31-12-2017
02 Ruimte Diverse projecten 27.866 3.775 31.640
Totaal     27.866 3.775 31.640

Woningbouwstimuleringsmaatregelen

Een specifieke taak voor het ontwikkelbedrijf is het uitvoering geven aan de stimuleringsmaatregelen woningbouw die 2009 zijn vastgesteld. Van de resterende lopende maatregelen zijn de renteloze leningen in 2017 geheel afgelost. Wat betreft de Brabantse Verkoop Garantie zijn er ultimo 2017 nog 2 woningen in bezit met een gezamenlijke waarde van 0,3 mln. De Starterleningen zijn van € 19,2 mln naar €15,9 mln. afgebouwd en de Investeringsfondsen hebben een waarde ultimo 2017 van € 1,9 mln.
Een meer gedetailleerd inzicht in de voortgang van de afbouw van het totale pakket aan maatregelen is opgenomen in het eerder genoemde Meerjarenperspectief van het Ontwikkelbedrijf.

Financiën

Voor de uitvoering van de maatregelen is in 2009 door Provinciale Staten een revolverend investeringskrediet vastgesteld van € 250 mln met een reserve van € 45 mln voor afdekking van de risico’s.

Investeringskrediet Woningbouwstimulering

Risicoreserve woningbouwstimulering


Toelichting
De risicoreserve woningbouwstimulering heeft per ultimo 2017 een omvang van € 4,7 mln. ten opzichte van € 8,8 mln. ultimo 2016. De mutaties in de risicoreserve hebben betrekking op beheerskosten voor de resterende BVG woningen en startersleningen € 0,12 mln. Daarnaast is er in 2017 € 4 mln onttrokken aan de risicoreserve woningbouwstimulering en toegevoegd aan de risicoreserve van het Ontwikkelbedrijf om de vrije ruimte binnen deze reserve op te hogen.

Voor een meer gedetailleerd inzicht in de activiteiten en resultaten ten aanzien van de woningbouwstimulering wordt verwezen naar de hiervoor genoemde separate bijlage bij de jaarrekening het ‘Meerjarenperspectief Ontwikkelbedrijf’.

8. Investeringsagenda

Algemeen beeld van de paragraaf

De Investeringsagenda richt zich op het duurzaam versterken van de structuur van onze provincie op een aantal onderscheidende kwaliteiten.
We concentreren ons daarbij op het bijzondere leef- en vestigingsklimaat van Brabant vanuit de opvatting dat dit past bij het nieuwe profiel en de ambities van onze provincie. Voor de Investeringsagenda is in totaal een bedrag van maximaal € 1 miljard gereserveerd uit de middelen die beschikbaar zijn gekomen bij de verkoop van de aandelen Essent. Dit bedrag is op dit moment nog niet geheel beschikbaar. De komende jaren wordt door rentetoevoegingen dit bedrag bereikt.

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

De Investeringsagenda is ingevuld via drie tranches:

  • de eerste tranche bestaat uit 5 investeringsvoorstellen voor een bedrag van oorspronkelijk € 278,9 mln;
  • in de tweede tranche zijn het Groen Ontwikkelfonds Brabant, het Innovatiefonds, het Energiefonds en het Breedbandfonds ingesteld tot een totaal bedrag van € 475 mln (PS 42/13);
  • in het Bestuursakkoord 2015 – 2019 ‘Brabant in Beweging’ is ook de derde tranche benoemd tot een bedrag van € 293 mln, waarvan €35 mln gedekt wordt door ambitiebijstellingen 1e tranche en een revolverende inzet economische structuurversterking.

Met het Bestuursakkoord en de bijgestelde ijkpunten is invulling gegeven aan het “rompbesluit” voor de derde tranche. De uitwerking van de individuele voorstellen zijn en/of worden zoveel mogelijk geclusterd per beleidsterrein/-thema aan u voorgelegd.

Wat hebben we daarvoor gedaan?

Voor de inhoudelijke toelichting op de realisatie van de onderscheidene investeringsvoorstellen verwijzen wij naar de desbetreffende productgroepen.

1e tranche

In de 1e tranche Investeringsagenda zijn 5 voorstellen gehonoreerd. Deze voorstellen zijn ondergebracht binnen het begrotingsprogramma waar ze inhoudelijk de grootste relatie mee hebben c.q. aan de doelstellingen waarvan ze het meest bijdragen.

Het betreft de volgende investeringsvoorstellen:

a.     Energietransitie (04.04)

Een kans voor innovatie en duurzaamheid. Hiervoor is door PS € 71,2 mln  (PS 59/10) beschikbaar gesteld. De provincie investeert in drie clusters (solar, biobased economy en elektrisch rijden/slimme netwerken) om hier een internationale concurrentiepositie te verkrijgen. De beschikbare middelen zijn volledig gealloceerd en t/m 2017 bijna volledig gerealiseerd.

b.     Landschappen van allure (03.03)

Mooie, groene landschappen. Met het investeringsproject 'Landschappen van allure' wil de provincie - samen met regionale partijen - drie gebieden (de Brabantse Wal, Het Groene Woud en de Maashorst ) ontwikkelen tot hoogwaardige landschappen. PS hebben hiervoor € 56,2 mln (PS 79/10) beschikbaar gesteld.De beschikbare middelen zijn volledig gealloceerd en t/m 2017 bijna volledig gerealiseerd.

c.     Brabant C (06.01)

Het Brabant C Fonds versterkt en vergroot het kunst- en cultuuraanbod van Brabant. Provinciale Staten hebben hiervoor een bedrag van € 25 mln beschikbaar gesteld/gereserveerd (PS 33/14). De beschikbare middelen zijn nagenoeg volledig aan Brabant C beschikbaar gesteld.

d.     Sportplan 2017 (06.04)

Sport draagt bij aan een bruisend leef- en vestigingsklimaat. PS hebben € 40 mln beschikbaar gesteld om de sportinfrastructuur te versterken (PS 77/10). We streven naar meer naam en faam als (top)sportprovincie, het vergroten van de economische spin-off van sport en meer kans om te gaan sporten voor Brabanders met een beperking, ouderen en de Brabantse jeugd (participatie). De beschikbare middelen zijn volledig gealloceerd. In 2017 is een bedrag van € 2,14 mln gerealiseerd.

e.     Grote erfgoedcomplexen (06.01)

Het op ambitieuze en ondernemende wijze samenwerken met partners aan het behoud van Brabantse erfgoedcomplexen. Het accent ligt op kloosters, kastelen, militaire complexen en industrieel erfgoed. (UA 42). PS hebben hiervoor een bedrag van € 61,5 mln beschikbaar gesteld, waarvan € 2,5 mln voor apparaatskosten (PS 78/10). Bij het bestuursakkoord 2016 – 2019 is de ambitie met € 20 mln bijgesteld, zodat € 39 mln beschikbaar is. Hiervan is € 11 mln nog niet gealloceerd. Van de € 11 mln is € 5 mln bestemd voor projecten waarover reeds besluitvorming heeft plaatsgevonden in 2017 en welke via BURAP 2018 worden opgenomen in de begroting. Daarmee resteert feitelijk € 5 mln aan besteedbare middelen.

2e tranche

In de 2e tranche zijn 4 fondsen ingesteld. Deze fondsen zijn in 2017 geëvalueerd. Daaruit blijkt dat de fondsen bijdragen aan de uitvoering van het bestuursakkoord en voorzien in een maatschappelijke behoefte. De invoering en de uitvoering van de fondsen is effectief.

De fondsen zijn ondergebracht in het begrotingsprogramma waaraan zij het meeste bijdragen

f.      Groen Ontwikkelfonds Brabant (03.04)

Om de volledige EHS en daaraan gekoppelde ecologische verbindingszones te realiseren is op 1 mei 2014 het GOB opgericht. De omvang van het fonds bedraagt € 240 mln en de looptijd is 15 jaar. De middelen zijn volledig gealloceerd.

g.     Innovatiefonds Brabant (04.01)

Om innovaties en technologische groei te versterken participeert het fonds in innovatieve MKB-bedrijven en consortia van bedrijven en kennisinstellingen. De omvang van het fonds bedraagt € 125 mln en de looptijd is 24 jaar. Het fonds is sinds 2014 operationeel en ondergebracht bij de Brabantse Ontwikkelings Maatschappij (BOM). De middelen zijn volledig gecommitteerd in de vorm van leningen en daarmee gealloceerd.

h.     Energiefonds Brabant (04.01)

Het fonds heeft als doel om energiebesparing en opwekking van duurzame energie aan te jagen en te versnellen door bij te dragen aan financiering van bewezen duurzame energietechnieken. De omvang van het fonds bedraagt € 60 mln en de looptijd is 24 jaar. Het fonds is sinds 2014 operationeel en ondergebracht bij de BOM. De middelen zijn volledig gecommitteerd in de vorm van leningen en daarmee gealloceerd.

i.      Breedbandfonds Brabant (04.01)

Het fonds heeft als doel om de beschikbaarheid van breedbandaansluitingen te versnellen en om het gebruik daarvan in ‘witte’ (niet aangesloten) buitengebieden en bedrijventerreinen te bevorderen. De omvang van het fonds bedraagt € 50 mln, waarvan € 7,5 mln is bestemd voor de pilotfase. De looptijd is 25 jaar. Het fonds is ondergebracht bij de BOM. Op dit moment is het fonds niet opengesteld voor nieuwe aanvragen. De markt lijkt de uitrol van glasvezel in Brabant zelfstandig te realiseren. Nieuwe financieringen zijn op dit moment niet doelmatig en waarschijnlijk zelfs contraproductief. Als blijkt dat er op termijn opnieuw sprake is van marktfalen is er mogelijk weer een rol voor de provincie weggelegd in het kader van de nieuwe Agenda Digitalisering. Een voorstel voor herbestemming van de resterende middelen uit het fonds (ca. 44,8 mln.) voor de digitaliseringsagenda wordt medio juni 2018 voorgelegd aan Provinciale Staten.

3e tranche

In het bestuursakkoord Beweging in Brabant zijn in de 3e tranche middelen gelabeld voor de onderwerpen/thema’s: transitie agrofood, energietransitie, energieneutrale woningen, ecologische structuurversterking, deltaprogramma, economische structuurversterking en cultuur en leefbaarheid.

j.      Transitie Agrofood (02.02)

De beschikbare middelen zijn volledig gealloceerd op basis van het Uitvoeringsprogramma Agrofood en het aangenomen besluit op 7 juli 2017 ‘Versnelling transitie veehouderij (incl. Stalderingsloket)’. Op basis van het Uitvoeringsprogramma Agrofood en het aangenomen besluit ‘Versnelling transitie veehouderij (incl. Stalderingsloket)’ waren de beschikbare middelen volledig gealloceerd.

Een bedrag van € 3,78 mln. is in 2017 niet gerealiseerd en wordt in een volgende begrotingswijziging opnieuw gepland”.

k.     Energietransitie en Energieneutrale woningen (04.04)

In 2017 is voor het aanvullend Uitvoeringsprogramma Energie 2018-2019 € 2,5 mln beschikbaar gesteld (PS 76/77). Het restant van de beschikbare middelen zal op basis van de voortgang in de uitvoering bij de burap 2018 in de begroting worden geraamd.

l.      Ecologische structuurversterking

In de uitwerking van de bestuursopdracht Connecting Delta is € 7 mln bestemd voor ecologische structuurversterking in de Zuidwestelijke Delta. Op basis van de evaluatie van het BrUG hebben PS ingestemd (77/17) met de inzet van de resterende middelen voor het deelprogramma Biodiversiteit & Leefgebieden (€ 35 mln) en voor het deelprogramma Natuur & Samenleving (€6 mln).

m.    Deltaprogramma

De beschikbare middelen zijn volledig gealloceerd.

n.     Economische structuurversterking

Van de beschikbare middelen is bijna € 110 mln. (inclusief € 6,0 mln. risicoafdekking ten behoeve van de MKB+ faciliteit) gealloceerd. Voor de restant middelen vinden momenteel nadere verkenningen plaats hoe we gezamenlijk met onze partners tot goede proposities kunnen komen. 

o.     Cultuur en leefbaarheid

Op basis van het Uitvoeringsprogramma Cultuur, Erfgoed  en de Sportagenda is ruim € 15 mln gealloceerd. Voor het restant van bijna € 3 mln  zijn bestemmingen voorzien binnen cultuur en sociale veerkracht. Uiterlijk medio 2018 worden hiervoor begrotingswijzigingen ingediend.

Financieel meerjarenoverzicht van de investeringsvoorstellen uit de drie tranches van de investeringsagenda
(besluiten zijn meegenomen tot en met 1 maart 2018):
Investeringsvoorstel Oorspronkelijk Max. Realisatie Realisatie Raming Nog niet
Bedragen x € 1 mln. bedrag beschikbaar t/m 2016 2017 2018 e.v. gealloceerd
Energietransitie 1) € 71,20 € 59,20 € 48,95 - € 0,25 € 0,65 -
Landschappen van allure 2) € 56,15 € 53,90 € 52,83 - € 0,01 € 0,10 -
Brabant C / BCH € 50,00 € 35,00 € 34,72 - - € 0,28
Sportplan 2016 € 40,00 € 38,40 € 31,33 € 2,14 € 4,91 € 0,02
Grote erfgoedcomplexen € 61,50 € 39,00 € 16,50 € 0,66 € 10,81 € 11,03
Apparaatskosten 1e tranche - € 7,44 € 7,44 - - -
Totaal 1e tranche € 278,85 € 232,94 € 191,77 € 2,55 € 16,47 € 11,33
Groen Ontwikkelfonds Brabant 4) € 240,00 € 235,00 € 118,31 € 33,91 € 1,26 -
Innovatiefonds Brabant 3) € 125,00 € 125,00 - € 23,12 6) - -
Energiefonds Brabant 3) € 60,00 € 60,00 € 1,97 € 0,68 - -
Breedbandfonds Brabant 3) € 50,00 € 50,00 € 1,10 - € 0,01 - -
Apparaatskosten 2e tranche € 19,00 € 24,00 € 0,72 € 0,24 € 1,20 € 21,84
Totaal 2e tranche € 494,00 € 494,00 € 98,98 € 34,82 € 2,46 € 21,84
Transitie agrofood € 15,00 € 14,40 € 1,19 € 2,94 € 6,50 € 3,78
Energietransitie € 20,00 € 19,20 € 0,46 € 5,02 € 8,35 € 5,37
Energieneutrale woningen € 8,00 € 7,70 - € 0,08 - € 7,62
Ecologische structuurversterking € 50,00 € 48,00 - € 0,48 € 41,00 € 6,52
Deltaprogramma € 30,00 € 28,80 € 28,80 - - -
Economische structuurversterking 5) € 150,00 € 144,00 € 62,00 € 16,88 € 13,28 € 51,84
Cultuur en leefbaarheid € 20,00 € 19,20 € 0,70 € 2,73 € 11,93 € 3,85
Apparaatskosten 3e tranche - € 11,70 € 2,92 € 2,92 € 5,85 -
Totaal 3e tranche € 293,00 € 293,00 € 96,07 € 31,05 € 86,91 € 78,98
1) Exclusief Clean Tech fonds, deze is in 2013 betaald uit de algemene middelen. Restant € 9,4 miljoen is gealloceerd voor afdekking lening aan Biobasedfonds bij de BOM.
2) Restant van € 870.000 is gealloceerd voor dekking van leningen en garantstellingen.
3) Bedragen zijn volledig gecommitteerd in de vorm van leningen aan de desbetreffende fondsen daarmee dus ook gealloceerd. De bedragen die in de realisatie en ramingen zijn opgenomen hebben betrekking op de verliesvoorziening en dekking van de fondsmanagementkosten. In geval van Innovatiefonds is er een positief beleggingsresultaat gehaald in 2015 dat in 2016 is verantwoord.
4) Het gedeelte dat nog niet is opgenomen in realisatie en raming is geïnvesteerd in grond en dus gealloceerd totdat de grond wordt verkocht of ingezet als ruilgrond.
5) Van de € 150 mln. betreft minimaal € 20 mln. revolverende inzet.
6) Resultaat van Innovatiefonds was € 556.991 positief, maar kan pas in 2018 ten laste van het jaarrekeningresultaat verwerkt worden.

9. Europese programma's

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Wij willen optimaal en op een strategische manier gebruik blijven maken van de kansen die Europa ons biedt om provinciale beleidsdoelen te bereiken. De Europese Commissie stelt voor de programmaperiode 2014 - 2020 miljarden aan Europese middelen beschikbaar om de doelstellingen die staan beschreven in de Europa 2020 strategie te verwezenlijken.

De doelstellingen zoals aangegeven in o.m. het Economisch Programma Brabant 2020, het nieuwe bestuursakkoord “Brabant in beweging” en de Smart Specialisation Strategy (RIS3) sluiten perfect aan bij de doelstellingen uit de Europa 2020 strategie (slimme, duurzame en inclusieve groei) en biedt kansen om met behulp van de Europese cofinanciering de Brabantse doelstellingen te verwezenlijken.

Het zogenoemde multiplier effect van elke geïnvesteerde euro maken de Europese middelen tot belangrijke impulsgelden voor de provincie. De Europese middelen zijn een katalysator bij het stimuleren van vooral het bedrijfsleven en Triple Helix partners om te innoveren en innovatiekracht te verbinden met belangrijke en actuele maatschappelijke opgaven.

Om optimaal gebruik te maken van de kansen die Europa biedt zet de provincie Noord-Brabant zich voor de lopende zeven jaar sterk in op:

  1. Subsidie instrumenten
    a. Majeure Europese programma’s
    b. Uitbreiding andere Europese financieringsbronnen
  2. Bancaire instrumenten
  3. Beleidsinstrumenten

Ad ) 1a Majeure Europese programma’s

De provincie Noord-Brabant is betrokken bij de volgende Europese majeure programma’s: als management Autoriteit van OPZuid, gemandateerd management Autoriteit voor POP3 en strategisch partner voor Interreg spelen wij gedurende de gehele programmaperiode 2014-2020 een belangrijke rol bij het beheer, de vormgeving, uitvoering en lancering van de verschillende Europese programma’s.

Dit gebeurt in goede afstemming met de interne en externe partners. De geplande openstellingen als de uitputting van de verschillende programma’s lopen op schema. In de tabel met beleidsprestaties is dit verder uitgewerkt.

OPZuid
Europa stelt € 114 miljoen beschikbaar voor het OPZuid programma. Dit is een gezamenlijk programma voor de drie zuidelijke provincies. Binnen het OPZuid richten we ons op verbetering van het regionale concurrentievermogen en de werkgelegenheid door middel van de speerpunten innovatiebevorderingen op basis van de “Smart Specialisation Strategy” RIS3 en de overgang naar een koolstofarme economie.

INTERREG
Interreg zet in op “grensvervaging” en bevordering van samenwerking tussen regionale gebieden in verschillende landen. Interreg A is gericht op grensoverschrijdende samenwerking met België, Duitsland, Frankrijk en Engeland en verwacht wordt € 40 miljoen voor de 4 Interreg A programma te genereren. De nadruk ligt hierbij op de thema’s innovatie, duurzaamheid en grensoverschrijdend arbeidsmarktbeleid. De Interreg-programma’s zijn een belangrijk instrument bij de verwezenlijking van de internationale ambities van Brabant, zoals o.a. die zijn verwoord in het Internationaliserings Plan Brabant (IPB).

Plattelandsontwikkelingsprogramma (POP3)
Vanuit Europa is er voor het POP3 een bedrag van € 55,74 miljoen beschikbaar voor de provincie Noord-Brabant. Dit programma richt zich op verduurzaming en innovatie van de landbouw en de daarmee verbonden thema’s zoals transitie agrofood, water, natuur, milieu en plattelandsontwikkeling. Innovatie vormt hier een rode draad in POP3, en wel vanuit de landbouw met slimme cross-overs naar andere sterke sectoren (de zogenaamde RIS3-strategie) en samenhangende beleidsthema’s. Bovendien richten we ons bij de POP3-openstellingen op projecten die leiden tot daadwerkelijke transitie van de agrarische sector. Met deze elementen wordt aangesloten op de thema’s van het nieuwe bestuursakkoord: Brabant Innoveert, Brabant Vergroent en Brabant Verduurzaamt.

Mijlpaal 2017: het oude programma OP Zuid 2007-2013 is volledig gecontroleerd en goedgekeurd door de Europese Commissie, hetgeen geleid heeft tot 100% uitbetaling van de maximaal beschikbare € 189 miljoen voor landsdeel Zuid.

Ad) 1b Uitbreiding andere Europese financieringsbronnen

Naast de majeure programma’s waarin de provincie een duidelijk rol heeft toebedeeld is er proactief gezocht en ingezet op andere Europese programma’s en fondsen.

Horizon 2020
Op basis van het ERAC-onderzoek (ERAC Adviesbureau voor regionale en Europese impact dat is ingehuurd door de provincie met de opdracht om een overzicht te maken van alle Europese middelen die in Brabant landen) is een analyse gemaakt van waar de mogelijkheden voor nieuwe Europese financieringsinstrumenten liggen die tot meer Brabantse initiatieven voor subsidieaanvragen kunnen leiden. In de eerste helft van 2017 is door Europa een beleidskader geschreven. Hierin is aangegeven dat het Horizon 2020 programma grote kansen biedt voor Brabant op het gebied van Agrofood.

Met het Horizon 2020 dat door de Europese Commissie zelf wordt gemanaged wil de Europese Commissie en de Nederlandse overheid wetenschap en innovatie stimuleren in het bedrijfsleven en de academische wereld. Het programma heeft een totaalbudget van ongeveer €80 miljard voor de periode 2014-2020.

De uitkomsten van het onderzoek zijn gepresenteerd aan onze agrofood netwerkpartners (met name bedrijfsleven, kennisinstellingen, Triple Helix organisaties en regionale ontwikkelingsmaatschappijen) en ondersteuning is aangeboden om tot nieuwe concrete initiatieven en projecten te komen op het gebied van agrofood.

Ad) 2 Bancaire instrumenten

Europees Fonds voor Strategische Investeringen (EFSI)
Het Europees Fonds voor Strategische Investeringen (EFSI) is de kern van het investeringsplan van de commissie Juncker, om een investeringsimpuls van € 500 miljard (SME window) te genereren voor de Europese lidstaten. Het is de inzet van de Nederlandse provincies om, samen met partners, te komen tot projecten gericht op het EFSI.

Mede op basis van een ex ante kapitaalonderzoek (waarin Brabant heeft bekeken hoe het EFSI hulp kan bieden aan Brabantse MKB bedrijven), heeft PS in september besloten in te zetten op de inrichting van een Brabantse MKB-plus faciliteit.

Met deze faciliteit krijgen snelgroeiende kleine en middelgrote ondernemingen toegang tot kapitaal (equity) en vreemd vermogen (debt) om zo een schaalsprong (scale up) te kunnen maken. Hierdoor wordt financiering mogelijk gemaakt van bijvoorbeeld nieuwe fabrieken die bijdragen aan grootschalige marktintroductie van technologie gedreven innovatieve producten.

In 2017 hebben met het Europees Investerings Fonds (EIF) en het Nederlands Investeringsagentschap (NIA) nadere besprekingen plaatsgevonden over de opening van een Brabants luik om kapitaal (equity) te kunnen verstrekken. Deze besprekingen verlopen voortvarend en de inzet is om eind eerste kwartaal 2018 te openen.

Ook hebben verkenningen met de Europese Investeringsbank (EIB) en het NIA plaatsgevonden ten aanzien van de leningen kant van de faciliteit (debt). Doelstelling blijft om hiervoor in 2018 een overeenkomst getekend te hebben.

Mijlpaal 2017: Rijk, EIB en Brabant hebben een Memorandum of Understanding afgesloten over de opzet van het MKBplus instrumentarium, met harde financiële toezeggen voor de financiering

Ad) 3 Beleidsinstrumenten

Vanguard initiatief
Het Vanguard initiatief is een initiatief waarin ruim 30 Europese regio’s samenwerken. Het initiatief is gericht op een “slimme” revival van de Europese maakindustrie (Smart Industries). Brabant participeert actief in dit Europese Samenwerkingsproject, gezien het grote belang van de Smart Industrie-agenda in onze regio. Brabant werkt hierbij nauw samen met een aantal andere provincies waaronder Gelderland, Overijssel, Limburg en Zeeland, het rijk en regio’s in Europa (waaronder: Vlaanderen en Baden Württemberg). Concreet is het initiatief bericht op:
a. Beleidsbeïnvloeding in Brussel, zodanig dat binnen en/of naast bestaande Europese fondsen, maar ook in regelgeving, hoge prioriteit wordt gegeven aan baanbrekende projecten op het gebied van Smart Industries, vooral ook na 2020. Resultaat is concrete ondersteuning in 2018 vanuit de EC voor projecten waarin Brabant betrokken is.
b. Kennisdeling en samenwerking op het gebied van Smart-Industries met andere regio’s (“brengen en halen”). Het is voor het Brabants bedrijfsleven wezenlijk om goed aangesloten te zijn op ontwikkelingen in andere, toonaangevende regio’s binnen Europa, op het gebied van Smart Industries. Er zijn concrete samenwerkingsprojecten met Vlaanderen, Baden Württemberg en Lombardije opgestart.

Mijlpaal 2017: Vanguard speelt meer en meer een rol als voorbeeldinitiatief voor het toekomstige Interreg, waarbij innovatieve partijen in heel Europa met elkaar kunnen samenwerken, zonder geografische belemmeringen

Monitoring Europese programma’s
Jaarlijks monitort Stimulus Programmamanagement van de provincie Noord-Brabant - in samenwerking met ERAC - de verlening van Europese subsidies aan projecten met begunstigden die zijn gevestigd in Zuid-Nederland. Deze gegevens worden ieder half jaar geactualiseerd en laten zien dat vanaf het begin van de huidige programmaperiode 2014-2020 voor 814 projecten Europese subsidie is toegekend aan ontvanger in Brabant.

Mijlpaal 2017: De totale verleende subsidie aan deze projecten bedraagt € 366.609.000 in Brabant. De totale investering uit deze projecten bedraagt (minimaal) 1 miljard euro. Uit deze investeringen mag 8.152 fte werkgelegenheid worden verwacht in Brabant. Het gehele rapport met peildatum 1 oktober 2017 is bijgevoegd in de bijlage.

Nieuwe programmaperiode 2020-2027
In de aanloop naar de volgende programmaperiode staan de provincies aan de lat om samen met de steden, triple helix organisaties, kennisinstellingen en overige stakeholders te komen tot een integrale strategie op landsdelig niveau, uitmondend in een nieuwe RIS 3. Om deze gestalte te geven is in 2017 op initiatief van Brabant een werkgroep Cohesie Zuid in het leven geroepen en een eerste aanzet gemaakt om in 2018 tot een gedragen strategie te komen waarmee provincies, samen met gemeente, het Rijk en triple helices gestuurd kan worden op de allocatie van middelen.

Mijlpaal 2017: In IPO-verband is overeenstemming bereikt over het streven om na 2020 zoveel mogelijk te gaan werken met één programma per landsdeel voor de verschillende ESI-fondsen (EFRO ESF en POP), met één set van regels en één autoriteit, die het volledige programmabeheer doet (managen, certificeren en auditen)

Wat hebben we daarvoor gedaan?

Stand van zaken activiteiten en prestaties 2017. Ga kort in op stand van zaken m.b.t. de realisatie van de activiteiten en prestaties in 2017.

  • Er is optimaal (100%) gebruik gemaakt van de Europese middelen uit de huidige Europese programma’s 2007-2013 (majeure programma’s , OPZuid, Interreg en POP3)
  • Voor de majeure programma’s zijn 8 openstellingen meer geweest in 2017. De openstellingen zijn afgestemd met de partners en sluiten aan bij de doelstellingen van de Agenda van Brabant en de RIS3;
  • De provinciale cofinanciering is middels de Comply or Explain gedachte
    gematcht aan de Europese middelen (Bij elk nieuw project wordt de “financiële trap” afgelopen 1) is een bijdrage noodzakelijk? 2) Is het mogelijk revolverend te investeren? 3) Kunnen Europese Programma’s of andere regelingen gebruikt worden? 4) Is er nog incidentele ruimte in de exploitatiebegroting?);
  • De monitoringsrapportage “periodieke inventarisatie Europese Euro’s” is geactualiseerd tot peildatum 1 oktober.
  • Op basis van bovenstaande inventarisatie is een analyse gemaakt waar de “kansen voor Europese financieringsinstrumenten voor Brabant liggen. De uitkomsten zijn gepresenteerd aan de interne en externe partners. 
  • Op basis van de uitkomsten van een ex-ante kapitaalmarktonderzoek is besloten om met het Rijk en EIB/EIF een faciliteit in te richten ten behoeve van kleine en middelgrote snelgroeiende ondernemingen (‘scale-up`s’). 
  • In de aanloop naar de nieuwe Europese programmaperiode 2020 - 2027 heeft Brabant de lead om met haar partners te komen tot een integrale strategie op landsdelig niveau, uitmondend in een nieuwe RIS 3.

Wat heeft het gekost?

De Operationele programma’s voor OP Zuid-Nederland (OP Zuid), Plattelands ontwikkelingsprogramma (POP3) en Interreg met hun doelstellingen dragen volledig bij aan de “het bestuursakkoord” met de daaronder vallende programma’s, met het zwaartepunt op economie, landbouw en ecologie;

Het Europese beleid kent een cyclus van 7 jaar. De huidige programmaperiode loopt van 2014 tot en met 2020. De beschikbare EU-middelen zijn bekend inclusief de percentages waarin ze als cofinanciering kunnen bijdragen aan ons provinciaal beleid en de verwachte kosten die zijn gemoeid voor de uitvoering van de programma’s (zoals de afhandeling van de aanvragen en de monitoring). Bij de match van de provinciale cofinanciering aan de Europese middelen wordt het principe van comply-or-explain toegepast.

Programma's Financiële inzet Europese programma's Bijgestelde ambitie inzet Europese programma's Aanwezige dekking Dekking toekomstige jaren Uitgaven t/m 2017 Resteert
Bedragen x € 1 mln. 2014-2020 2014-2020
OP Zuid 27 27 25 3 24 4
POP3 30 35 30 10 20
Interreg A 34 25 25 5 21
Uitvoering 12 16 11 3 5 9
103 103 92 6 44 *) 54
* Hiervan wordt in 2018 nog voor € 3,9 mln. aan de reserves onttrokken.

10. Burgerjaarverslag

Inleiding

In het Burgerjaarverslag rapporteren wij over de kwaliteit van:

  • de provinciale dienstverlening;
  • de procedures op het vlak van burgerparticipatie.

Als referentiekader wordt hiervoor het dienstverleningshandvest van de provincie gehanteerd.

Relatiebeheer

In ons Huis voor Brabant ontvangen we - naast de vele bezoekers voor evenementen, vergaderingen en rondleidingen - ook individuele bezoekers. In 2017 bedraagt het aantal individuele gasten die wij ontvingen aan de koffiebar in de centrale hal ongeveer 46.500 mensen. Dit betekent dat wij buiten het reces om ongeveer 232 gasten per dag bedienen. Dit staat los van het daadwerkelijke aantal bezoekers; zij die geen drankje gebruiken aan de koffiebar, worden hier niet meegeteld. Bij een grove schatting bedraagt het totale aantal gasten op jaarbasis zeker het dubbele: 100.000 mensen.
Relatiemanagement gemeenten werd in 2017 verbreed naar gemeenten en regio’s. Met de regio’s zijn afspraken over versnelling van de uitvoering van gezamenlijke opgaven (provincie en gemeenten) gemaakt. Daarnaast werden in vier regio’s bijeenkomsten voorbereid over de aanpak van opgaven in het netwerk Brabant en het verkennen van nieuwe opgaven (Ontwikkeldagen). Door deze verbinding met inhoudelijke opgaven kreeg relatiemanagement een strategischer karakter.
Gedeputeerde Staten overleggen twee maal per jaar met het bestuur van de Vereniging van Brabantse gemeenten (VBG) over samenwerking tussen de VBG en het provinciaal bestuur.
De samenwerking met de VBG kreeg een extra impuls door de presentatie van het gezamenlijke rapport over de ondermijning in het buitengebied. Die werd gevolgd door vier regionale bestuurlijke bijeenkomsten voor de gemeenten over de opvolging van de aanbevelingen in het rapport.
In 2017 hebben wij diverse initiatieven ontplooid en gestimuleerd om te komen tot bestuurlijke vernieuwing, met een open en vernieuwende manier van werken.
Op Zuid-Nederlandse schaal neemt de regionale economische samenwerking in hoog tempo toe. De Regionale Innovatiestrategie voor Slimme Specialisatie (RIS3) die de provincies Noord-Brabant, Limburg en Zeeland gezamenlijk opgesteld hebben, wordt door bedrijven, kennisinstellingen en overheden omarmd. Er zijn nieuwe netwerken ontstaan van bedrijven, kennisinstellingen, steden, provincies en uitvoeringsorganisaties die resulteren in mooie projecten. De provincie ondersteunt dit soort projecten met o.a. OPZuid- en POP3-subsidie.
Op 9 november 2017 heeft de provincie de uitvoering van een groot deel van het sportbeleid overgedragen aan BrabantSport tijdens een wervende bijeenkomst in Eindhoven. BrabantSport is een samenwerking van de provincie Noord-Brabant, het Centrum voor Topsport en Onderwijs Zuid, de stichting Sports & Technology en Team Brabant Sport. Tijdens deze eerste bijeenkomst waren ruim 100 mensen aanwezig. Doel is dat de verschillende partijen (sportverenigingen, bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties en overheden) in Brabant zich verbinden met en aansluiten bij BrabantSport. Daarna hebben in 2017 al 15 bedrijven toegezegd partner te worden.

Betrokkenheid / participatie

De provincie heeft in de afgelopen jaar verschillende initiatieven genomen om de betrokkenheid en participatie van de burgers te vergroten. Hieronder vindt u een aantal voorbeelden van deze initiatieven.

Dear future week
Tijdens de Dear Future week in Tilburg zijn MBO-jongeren aan de slag gegaan met een vraagstuk over het betrekken van jongeren bij de provincie. Zij hebben voorgesteld om een startup op te zetten, die helpt bij het verzamelen van wensen en vragen van jongeren en het begrijpelijk uitleggen van provinciaal beleid. Wij werken dit idee uit tot een voorstel.

Vissen- en waterplantenmonitoringsnetwerk
In samenwerking met Ravon werkt de provincie aan de opbouw van het vissen- en waterplantenmonitoringsnetwerk. Door het aanbieden van excursies, cursussen en lezingen wordt in Brabant kennis en een netwerk van enthousiaste nieuwe vrijwilligers opgebouwd. Dit nieuwe netwerk levert data over (zeldzame) soorten vissen en waterplanten. Dit is belangrijke informatie voor het opstellen en monitoren van Natura 2000 en de KRW beleidsopgave van de provincie Noord-Brabant. De excursies worden zeer goed gewaardeerd en hebben veel deelnemers.

Bijeenkomst Natuur in eigen hand
Met ruim 150 deelnemers, was de belangstelling voor de bijeenkomst voor initiatiefnemers die zelf natuur willen realiseren heel groot. De boodschap is dat het kan en het mag en de provincie GOB IVN BMF en Brabants Landschap kunnen u helpen bij de realisatie. Mooi om te zien dat eind 2017 een aantal van de initiatieven stappen verder zijn in de realisatie!

Health Tech Yard
Studenten, onderzoekers, MKB-bedrijven en regionale zorginstanties werken met elkaar samen aan de ontwikkeling van nieuwe producten waarmee we bijvoorbeeld bij ziekte zelf een diagnose kunnen stellen, ouderen langer zelfstandig kunnen wonen of zieke kinderen in een thuissituatie behandeld kunnen worden. Door dit soort vernieuwingen zal de druk op de reguliere zorg sterk afnemen. Projectpartners zijn Stichting GGzE, Coöperatie Slimmer Leven 2020, High Tech NL, Stichting Kien en Technische Universiteit Eindhoven.

Proeftuin precisielandbouw
Op meerdere locaties in Brabant, Zeeland en Gelderland wordt geëxperimenteerd op het gebied van precisielandbouw, met als doel het gebruik van water, mineralen en gewasbeschermingsmiddelen te verminderen en de oogst te verbeteren. De testen worden uitgevoerd op zowel zand-, klei-, als lössgrond. Bij het project zijn kennisinstellingen als Technische Universiteit Eindhoven, expertisecentrum Delphy en Wageningen Plant Research, ZLTO en diverse akkerbouwers en boom- en fruitkwekers betrokken.

Windenergie A16
Bij de realisatie van 100 MW aan windenergie in de A16-zone participeren bewoners van de gemeenten Breda, Drimmelen, Moerdijk en Zundert op twee manieren: via het planproces om tot een gedragen plan voor de windmolens te komen en door rechtstreeks van de komst van de windmolens te profiteren. Dat laatste noemen we sociale participatie. De opbrengst van 25% van de windmolens gaat direct naar de omgeving: de zogenaamde dorpsmolens.
Het proces om tot een provincie inpassingsplan voor de windmolens te komen kent een formeel inspraaktraject dat start met de ter inzagelegging. Deze start naar verwachting juni 2018. Maar sinds de start van het project eind 2015 trachten provincie en vier samenwerkende gemeenten op velerlei manieren direct omwonenden en belanghebbenden bij het planproces te betrekken. Zo zijn in de beginfase windsafaris’s georganiseerd waarin bewoners bij een windmolen konden horen en ervaren wat het betekent om dicht bij een windmolen te wonen. Door de interactie met bewoners zijn op verschillende momenten verbeteringen in de plannen doorgevoerd.

OV-klantbarometer
 Voor het meten van de kwaliteit van het openbaar vervoer en de waardering door de reiziger wordt jaarlijks de OV-klantbarometer uitgevoerd. De algemene waardering voor het openbaar vervoer in 2017 is voor alle concessiegebieden 7,6 en is daarmee gelijk aan het landelijk gemiddelde. De waardering van de Brabantliner wordt afzonderlijk gemeten en ligt met 7,7 net daarboven. De score in het concessiegebied ZuidOost laat de grootste stijging zien naar 7,6 ten opzichte van 7,3 in 2016. Ultimo 2016 is in dit gebied een nieuwe concessie van start gegaan.

Mobiliteit
In het kader van het traject Toekomst Mobiliteit is de dialoog gevoerd met de burgers en experts (o.a. via de club van 500) om een beeld te vormen van de mobiliteit van de toekomst voor bijvoorbeeld de nieuwe OV-visie.
Met het Brabants Mobiliteits Netwerk (BMN) worden er communities opgericht met o.a. burgers en werkgevers ter bevordering van de mobiliteit, zoals bij het Paleiskwartier ’s-Hertogenbosch.
Binnen het landelijke programma SmartwayZ.NL is een voorkeursalternatief N279-Zuid Veghel-Asten bepaald met draagvlak van de betrokken gemeenten.

Stérk Brabant
Vanuit Sociale Veerkracht is de community Stérk Brabant in ontwikkeling (www.sterkbrabant.nl). Ons doel is om als responsieve overheid maatschappelijke (o.a. burger) initiatieven sterker te helpen maken en hun impact te helpen bevorderen. We maken mogelijk dat maatschappelijke initiatieven elkaar kunnen vinden en we leggen ondersteuningsvragen van initiatieven voor aan deskundige partnerorganisaties die dit mogelijk kunnen bieden. De ondersteuning die wij als programma Sociale Veerkracht regelen, organiseren of “inhuren” wordt bepaald door wat initiatieven nodig hebben om een stap verder te komen. De initiatieven sturen daarmee op onze beleidsuitvoering.

Lokaal plus
Lokaal plus is een initiatief van het Summacollege te Eindhoven waarbij ouderen uit de wijk uitgenodigd worden om mee te helpen bij het opleiden van leerlingen van niveau 2 en 3. Hierdoor ontstaat er een wederkerige relatie tussen ouderen en leerlingen waarbij van en met elkaar geleerd wordt op thema’s als gebruik van tablets en telefoons, koken, huishoudelijke klussen, taalvaardigheid etc. Het initiatief is inmiddels aan opschaling toe. Vanuit het programma Versterken Sociale Veerkracht dragen wij o.a. via impact monitoring bij aan de ontwikkeling van een passend verdienmodel.

Betrouwbaarheid / transparantie

Tot slot komt in deze paragraaf aan de orde of en in hoeverre de provincie zich een betrouwbare partner toont. In het provinciale dienstverleningshandvest zijn normen over de kwaliteit van de provinciale dienstverlening vastgelegd. De realisatie van deze normen wordt door de provinciale organisatie continu gemonitord. Onderstaand worden per categorie de realisaties voor 2017 weergegeven en toegelicht.

Telefonische bereikbaarheid

Telefonische bereikbaarheid meten we (sinds 2008) door het aantal geslaagde contactpogingen; zijnde het aantal - binnen 30 seconden - opgenomen / beantwoorde telefoongesprekken. In onderstaande tabel is ook het resultaat voor 2017 opgenomen

Nadere toelichting
* De telefooncontacten op mobiele telefoons zijn niet in deze cijfers meegenomen. Daarover zijn geen gegevens beschikbaar te maken.
** In 2016 en 2015 hebben wij de mislukte contactpogingen van medewerkers onderling via de vaste toestelnummers meegerekend als contactpogingen. In 2017 wordt de indicator gemeten alleen op basis van contactpogingen van buiten de organisatie.

Telefonische bereikbaarheid * 2017 2016 2015
Geslaagde contact pogingen 93,2% ** 78% 77%

Kwalitatief onderzoek ontvangst PH

Sinds eind 2017 meten we ook de beleving van de gasten van het Huis voor Brabant op 3 onderwerpen:

  • De bezoekersparkeerplaats krijgt een gemiddeld cijfer van 7,5. Bezoekers geven aan dat er (te) weinig parkeerplaatsen zijn, de praatpaal onhandig geplaatst is, en dat er weinig overzicht is.
  •  De centrale hal krijgt een gemiddeld cijfer van 7,9. De vindbaarheid van de vergaderzalen is als goed gewaardeerd. Sommige bezoekers geven aan dat de hal als donker, koud en kaal overkomt. Ze vinden de barstoelen niet zo comfortabel en ze willen graag meer zitjes nabij de koffiebar.Ook vindt men de garderobe / toiletten niet duidelijk zichtbaar.
  •  De ontvangst van bezoekers door de gastmensen krijgt een gemiddeld cijfer van 8,2. Veel bezoekers geven aan dat dit zeer gastvrij is, dat de koffiebar top is en dat er prima koffie wordt geserveerd. Dit kan volgens velen van hen als voorbeeld dienen voor andere overheden.
    Daar waar mogelijk zullen de tips, die wij van onze bezoekers krijgen, leiden tot concrete verbeteringen voor de ontvangst in het Provinciehuis.

Afhandeling subsidies

Subsidie is voor de provincie een belangrijk instrument om beleidsdoelen te realiseren. Er wordt bijvoorbeeld subsidie verstrekt aan projecten en initiatieven op het gebied van cultureel erfgoed, verkeer en vervoer, economie en innovatie, natuur, milieu en woningbouw. Subsidie kan veel vormen aannemen: de concrete invulling wordt steeds afgestemd op de concrete opgave en doelstellingen die de provincie op een bepaald beleidsterrein wil bereiken.

Nadere toelichting
Het overzicht heeft betrekking op subsidieaanvragen, meldingen, tussenrapportages en subsidievaststellingen. Door steeds kritisch te zijn op tijdige afhandeling van subsidies en de inzet van voldoende capaciteit is het percentage van afhandeling binnen de termijn weer verder verbeterd ten opzichte van 2016. In 2017 hebben we 88% van de subsidies binnen de termijn afgehandeld, een verbetering sinds 2016 (84%). We streven naar een verbetering van de afhandeling binnen de termijn van 95% in 2018.

Subsidies 2017 2016 2015 2014 2013
Aantallen 2.967 2.830 3.842 3.639 2.337
Binnen termijn 2.625 88% 2.383 (84%) 2.563 (67%) 2.561 (70%) 1.968 (84%)
afgehandeld 2.212 1.777 1.951 1.437 1.156
in behandeling 413 606 612 1.124 812
Buiten termijn 342 (12%) 447 (16%) 1.279 (33%) 1.078 (30%) 369 (16%)
afgehandeld 294 370 606 881 303
in behandeling 48 77 673 97 66

Afhandeling vergunningen, ontheffingen en goedgekeurde verklaringen

Door het verlenen dan wel onthouden van vergunningen reguleert de provincie het doen en laten binnen de verschillende beleidsterreinen op individueel niveau. Het betreft hier vergunningen, ontheffingen en meldingen waarbij het vergunningverleningsproces door de provinciale organisatie zelf wordt uitgevoerd, onder meer op het terrein van ruimtelijke ordening en verkeer en vervoer.

Nadere toelichting
Het aantal aanvragen dat in 2017 is ingediend is vergelijkbaar met het voorgaande jaar. Dit ligt ook in de lijn met de verwachtingen aangezien er in 2017 geen substantiële wijzigingen in de wetgeving en de procedures plaats hebben gevonden. Het percentage vergunningen dat binnen termijn is afgehandeld blijft ook in 2017 op het hoog niveau van 90%. Wij zetten deze trend voort in de komende jaren.

Vergunningen 2017 2016 2015 2014 2013
Aantal aanvragen 3.684 3.585 3.549 2.329 2.177
Binnen termijn 3.305 (90%) 3.218 (90%) 3.207 (90%) 2.163 (93%) 1.925 (88%)
afgehandeld 2.771 3.052 3.042 1.968 1.909
in behandeling 534 166 165 195 16
Buiten termijn 379 (10%) 367 (10%) 342 (10%) 166 (7%) 252 (12%)
afgehandeld 329 323 318 146 240
in behandeling 50 44 24 20 12

Afhandeling facturen

Tot en met 2010 is voor tijdige betaling van (correcte) facturen de norm van 30 kalenderdagen gehanteerd. In het gewijzigde dienstverleningshandvest is die norm aangescherpt tot 20 kalenderdagen. In onderstaand overzicht wordt daarom de realisatie voor de norm van 20 kalenderdagen gepresenteerd.

Nadere toelichting
Het door Provinciale Staten in motie M4 d.d. 17 mei 2013 genoemde percentage van 93 is hiermede gehaald. Door verdere automatisering en efficiëntere processen proberen we deze resultaten voor 2018 nog iets verder aan te scherpen.

Facturen 2017 2016 2015 2014 2013
Aantal facturen 19.937 21.029 22.496 22.420 22.894
Betaald binnen de termijn 18.626 (93,4%) 19.488 (93%) 19.798 (88%) 19.715 (88%) 16.631 (86%)
Betaald buiten de termijn 1.301 (6,53%) 1.541 (7%) 2.698 (12%) 2.705 (12%) 3.263 (14%)
Gemiddelde betaaltermijn (in dagen) 10,92 9,7 11,8 15,4 14,3

Afhandeling bezwaarschriften en administratieve beroepen

Het is mogelijk om bezwaar te maken tegen door de bestuursorganen van de provincie genomen besluiten. Daarnaast staat in een beperkt aantal gevallen de mogelijkheid open om administratief beroep bij de provincie aan te tekenen tegen specifieke besluiten van bestuursorganen van gemeenten. De provincie Noord-Brabant werkt met een externe, onafhankelijke hoor- en adviescommissie (HAC).
Bij de afhandeling van bezwaarschriften past de provincie ‘mediation’ toe. Dat wil zeggen, bij het in behandeling nemen van een bezwaarschrift wordt eerst (telefonisch) contact met de bezwaarmaker gezocht om te onderzoeken of het geschil ook op een andere manier kan worden opgelost. Deze interventie leidt in bijna 50% van de gevallen tot intrekking van het bezwaarschrift.

Nadere toelichting
Het aantal ingekomen bezwaarschriften is ten opzichte van 2016 afgenomen. Deze daling is vooral te verklaren door een afname in het aantal bezwaren tegen subsidiebesluiten. Daar staat nog een lichte stijging van het aantal besluiten tegen besluiten in het omgevingsrecht (denk aan handhavingsbesluiten, vergunningverlening) tegenover.
De succesvolle aanpak van bemiddeling is ook in 2017 gecontinueerd. Er wordt contact gelegd met partijen om te achterhalen welke belangen er spelen en of men samen op informele wijze tot een oplossing kan komen. In 2017 werd na de inzet van een bemiddelingstraject bijna 50% van het aantal bezwaren ingetrokken. Onze “passende aanpak” blijft succesvol en wordt dan ook voortgezet.

Bezwaar- en beroepschriften 2017 2016 2015 2014 2013
Aantal bezwaar- en beroepschriften 293 371 329 221 206
Binnen termijn 261 (89%) 331 (89%) 270 (82%) 205 (93%) 171 (83%)
afgehandeld 208 258 166 126 103
in behandeling 53 73 104 79 68
Buiten termijn 32 (11%) 40 (11%) 59 (18%) 16 (7%) 35 (17%)
afgehandeld 25 38 48 9 30
in behandeling 7 2 11 7 5