Inleiding

Terug naar navigatie - Programma 6 Energie - Inleiding

Samen met inwoners, bedrijven, overheden en onderzoeks- en kennisinstellingen werkt de provincie aan de energietransitie, een hoofdopgave van de Brabantse Omgevingsvisie. Brabant wil de energietransitie versnellen en bijdragen aan het verduurzamen en het vergroenen van de samenleving. Daarmee draagt de energietransitie bij aan het tegengaan van verdere klimaatverandering (mitigatie). In het bestuursakkoord ‘Samen Maken we Brabant’ is vastgelegd dat de energietransitie rechtvaardig, haalbaar en betaalbaar moet zijn. Het programma Energie richt zich op energiebesparing en verduurzaming, de opwek van hernieuwbare energiebronnen, toegankelijkheid en beschikbaarheid van energie. In 2027 zetten we ons opnieuw hiervoor in. Dit vanwege de noodzaak om:
• de doelen van 2030 te halen;
• de Brabantse economie draaiende te houden;
• de Brabander mee te laten doen aan en profiteren van de energietransitie;
• ons te verhouden tot de vele ontwikkelingen en veranderingen in de energiesector en energie- intensieve sectoren;
• energieprojecten te kunnen uitvoeren.
In de uitvoeringsagenda 2024-2027 wordt langs een drietal uitvoeringslijnen gewerkt:

1.    Uitvoeringslijn Energiebesparing en verduurzaming
Energie die je niet gebruikt, hoef je niet op te wekken en niet te transporteren. In de gebouwde omgeving, waar in Brabant 35% van het totale energieverbruik plaatsvindt, zetten wij in op het ondersteunen van gemeenten bij natuurvriendelijk isoleren. Hiervoor moeten gemeenten Soorten Management Plannen (SMP) opstellen. Ook voorzien we via verschillende duurzaamheidsloketten eigenaren van maatschappelijk vastgoed en het MKB van advies om te verduurzamen. 

2.    Hernieuwbare energie
De energie die in Brabant nodig is, willen we zoveel als mogelijk is betrekken uit hernieuwbare bronnen. In het kader van de Regionale Energie Strategie (RES), zijn op regionaal niveau afspraken gemaakt over de opwek van hernieuwbare energie op land (door middel van wind en zon). Naast hernieuwbare elektriciteit onderzoeken we ook de mogelijkheden van andere hernieuwbare energiebronnen, zoals geothermie (warmte uit de diepe ondergrond), riothermie (energie uit rioolzuivering) etc. 
De provincie speelt hierbij een stimulerende rol door actief bij te dragen aan de verschillende initiatieven. Daarnaast heeft de provincie ook andere rollen. Denk hierbij aan de rol in het kader van het beschermen van de omgeving (via de Omgevingsverordening) en rollen die verband houden met bevoegd gezag, gericht op vergunningverlening (bij grootschalige opwekprojecten).
Ook heeft de provincie een rol in de warmtetransitie. De nieuwe Wet collectieve warmte (Wcw) geeft de provincie die [SR1] [SR2] mogelijkheid. We zijn van plan om €150 miljoen te investeren in het Nationaal Warmtefonds, zodat meer woningeigenaren hun huis kunnen verduurzamen. Provinciale Staten krijgen in Q4 2026 de gelegenheid om wensen en bedenkingen mee te geven over het voornemen.

 

3.    Energie beschikbaar en toegankelijk
Als gevolg van elektrificatie in zowel de gebouwde omgeving (bijvoorbeeld warmtepompen en opladen auto’s), de industrie en mobiliteit (elektrische voertuigen) is de vraag naar transportcapaciteit sterk gegroeid. Daar komt de decentrale opwek van elektriciteit nog bij. Dit alles leidt tot transportschaarste op het elektriciteitsnet. Samen met de Brabantse RES-regio’s, de netbeheerders TenneT en Enexis en het Rijk zetten we (als voorzitter) in het Brabantbrede Bestuurlijk Overleg Energie (BBOE) in op:
-    Het waar mogelijk versnellen van uitbreidingen van de energie-infrastructuur;
-    Het stimuleren van energy-hubs, waarmee met de bestaande transportcapaciteit de infrastructuur beter kan worden benut.
Op de langere termijn, zetten we in op het maken van (ruimtelijke) keuzes om de ruimtelijke ontwikkeling van Brabant en de energietransitie goed op elkaar af te stemmen en vanuit beide perspectieven efficiënte keuzes te maken. Voor de meer korte termijn geven we met het provinciaal Meerjarenprogramma Infrastuctuur Energie en Klimaat (pMIEK) aan waar vanuit maatschappelijk perspectief de prioriteit moet liggen als het gaat om het wegnemen van knelpunten in de energie-infrastructuur. 

Naast deze meer technische en ruimtelijke insteek, zien we de energietransitie ook als een sociaal-economische transitie. We verkennen o.a. een samenwerking met het Nationaal Warmtefonds, zodat meer woningeigenaren hun huis kunnen verduurzamen. Ook zetten we ons in voor het stimuleren van energierechtvaardigheid. Zo willen we voorkomen dat energie voor huishoudens onbereikbaar wordt. We zetten in op een verkleining van het aantal huishoudens dat een te groot deel van het inkomen besteedt aan energie. Daarnaast willen we met praktische voorbeelden gemeenten inspireren tot burgerparticipatie bij bijvoorbeeld de ontwikkeling van grootschalige opwekprojecten.

 

Nadere informatie over onderstaande indicatoren Energie en aanvullende data is te vinden in de Monitor Energieagenda 2019-2030. 

 

 

Wat willen we bereiken?

Terug naar navigatie - Programma 6 Energie - Wat willen we bereiken?

In 2030 realiseren we 55% minder CO2-uitstoot in Brabant ten opzichte van 1990. We streven ernaar om in 2050 klimaatneutraal te zijn

Terug naar navigatie - Programma 6 Energie - Wat willen we bereiken? - In 2030 realiseren we 55% minder CO2-uitstoot in Brabant ten opzichte van 1990. We streven ernaar om in 2050 klimaatneutraal te zijn

In het bestuursakkoord 'Samen maken we Brabant!' zijn de CO2-doelstellingen uit de Energieagenda 2019 - 2030 verder aangescherpt: van 50% naar 55% CO2-reductie in 2030 en van 90% CO2-reductie naar klimaatneutraliteit in 2050.

Indicator:  

  • De uitstoot van energie gerelateerde CO2 in Brabant (BBV-verplichte indicator).

In 2030 dient de helft van de energie (elektriciteit, warmte en brandstoffen) die in Brabant gebruikt wordt, opgewekt te zijn uit hernieuwbare bronnen, voornamelijk uit Brabant

Terug naar navigatie - Programma 6 Energie - Wat willen we bereiken? - In 2030 dient de helft van de energie (elektriciteit, warmte en brandstoffen) die in Brabant gebruikt wordt, opgewekt te zijn uit hernieuwbare bronnen, voornamelijk uit Brabant

We zetten erop in dat in 2030 de helft van de energie (elektriciteit, warmte en brandstoffen) die in Brabant gebruikt wordt, is opgewekt uit duurzame bronnen. Dit betekent dat de optelsom van opwek uit hernieuwbare energiebronnen op jaarbasis minimaal overeenkomt met 50% van het totale gebruik van warmte, elektriciteit en vaar- en voertuigbrandstoffen.

Indicatoren:

  • De ontwikkeling van het totale energieverbruik in Brabant.
    De ontwikkeling van de opwek van hernieuwbare energie in Brabant. 
    (Verplichte indicator uit BBV)
  • Totaal gevraagde vermogen voor afname op de wachtlijst bij Enexis 
  • Totaal gevraagde vermogen voor teruglevering op de wachtlijst bij Enexis 
  • Gemiddelde energiequota - Huishoudens waarbij de energierekening als aandeel van het inkomen (te) hoog is

Beleidskaders en uitvoeringsagenda's

Terug naar navigatie - Programma 6 Energie - Beleidskaders en uitvoeringsagenda's

Inzet verbonden partijen

Terug naar navigatie - Programma 6 Energie - Inzet verbonden partijen

Voor het realiseren van de doelstellingen uit dit begrotingsprogramma worden onderstaande verbonden partijen ingezet:

·       Brabantse Ontwikkelingsmaatschappij;

·       Energiefonds Brabant (ondergebracht BOM);

·       Innovatiefonds Brabant (ondergebracht BOM;

·       Enexis NV/ Enpuls.

Nadere informatie over verbonden partijen staat in de paragraaf Verbonden partijen.

Ontwikkelingen en onzekerheden

Terug naar navigatie - Programma 6 Energie - Ontwikkelingen en onzekerheden

·       Congestie op het elektriciteitsnet

Naast congestie op het hoogspannings- en middenspanningsnet, lijkt congestie op het laagspanningsnet nu ook steeds meer voor te komen binnen Brabant. Leverde het eerste beperkingen op voor aansluitingen voor nieuwe bedrijven en voorzieningen en voor verduurzaming van bestaande bedrijven en voorzieningen, congestie op het laagspanningsnet heeft consequenties voor het wel/niet aan kunnen sluiten van nieuwe woningen, laadpalen, enz. Het energiesysteem wordt de komende jaren naar verwachting randvoorwaardelijk voor veel economische / maatschappelijke ontwikkelingen en daarmee sturend in plaats van volgend.

·       Capaciteitsclaims

In relatie tot netcongestie is het rijk bezig om steeds meer regie en bevoegdheid naar zich toe te trekken als het gaat om het versnellen van de aanleg van energieinfrastructuur en/of de bevoegdheid voor bepaalde delen van het hoogspanningsnet bij provincies te leggen i.p.v. gemeenten. Dit zal leiden tot een grotere claim op provinciale capaciteit voor het voorbereiden/nemen van projectbesluiten. Deels zullen deze kosten verhaald kunnen worden bij initiatiefnemers via legesheffing of anterieure overeenkomsten.

·       Rijksmiddelen voor Klimaat en Energiebeleid
Onzekerheid over voortzetting en hoogte van Klimaatmiddelen vanuit het rijk richting provincies en gemeenten. Deze middelen zijn op dit moment voor een substantieel deel bepalend voor de hoogte/grootte van de personele inzet vanuit de provincie op het behalen van de klimaat en energiedoelstellingen. In juli is een brief (update uitvoeringsmiddelen) van het ministerie van KGG ontvangen, waaruit blijkt dat voortzetting van de basisfinanciering t/m 2030 voorzien is vanuit middelen die beschikbaar gesteld zijn door kabinet Rutte IV in lijn met het advies van de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) uit 2021. De taken voor gemeenten en provincies op het gebied van klimaat en energie zijn echter afgelopen jaren fors toegenomen.

Wat mag het kosten?

Terug naar navigatie - Programma 6 Energie - Wat mag het kosten?
6. Energie
Bedragen x € 1.000
Realisatie
Begroting 2026
Begroting
Begroting
Begroting
Begroting
2025
na wijz.
2027
2028
2029
2030
Lasten
Programmalasten
10.765 N
19.180 N
11.629 N
3.552 N
3.502 N
3.502 N
Toerekening organisatiekosten
6.300 N
7.103 N
7.370 N
2.243 N
2.243 N
2.243 N
Totaal Lasten
17.065 N
26.283 N
18.999 N
5.796 N
5.746 N
5.746 N
Baten
Programmabaten
7.706 V
11.406 V
8.141 V
0
0
0
Bijdrage in toerekening org. kosten
0
53 V
0
0
0
0
Totaal Baten
7.706 V
11.459 V
8.141 V
0
0
0
Saldo van baten en lasten
9.359 N
14.824 N
10.858 N
5.796 N
5.746 N
5.746 N
Reservemutaties*
Storting in reserves
8.033 N
11.741 N
13.802 N
0
0
0
Onttrekking aan reserves
3.518 V
7.622 V
6.732 V
0
0
0
Resultaat incl. reservemutaties
13.873 N
18.943 N
17.928 N
5.796 N
5.746 N
5.746 N
Omschrijving (toelichting)

Lasten
De lasten voor programma 6 Energie zijn in 2027 circa 7,5 mln.(V) lager dan in 2026. Lasten uit hoofde van cofinancieringsuitgaven Europese projecten zijn in 2027 € 3 mln.(V) lager 
geraamd dan in 2026 (naar verwachting minder/lagere openstellingen).

Lasten gedekt vanuit specifieke uitkeringen 
Voor 2027 zijn voor een aantal onderwerpen gedekt vanuit specifieke uitkeringen (SPUK’s) lagere/geen lasten geraamd dan in 2026 (Totaal 3 mln.V). 
Het gaat onder andere over de subsidieopenstelling voor Energiehubs (€ 1 mln. V) en Regionale Aanpakt Laadinfra (€ 0,5 mln. V), Powerport Moerdijk (1mln. V), Verduurzaming MKB (€ 0,3 mln. 
V) e.a.. 

Verder is er in 2027 € 0,6 mln. (V) minder geraamd voor diverse werkbudgetten en ook € 0,9 mln.(V) minder uitgaven in 2027 m.b.t Gebouwde Omgeving.
Baten
Inkomsten uit specifieke uitkeringen (€ 3 mln. N)
De geraamde lasten voor 2027 voor een aantal onderwerpen gedekt vanuit SPUK’s zijn lager dan in 2026 (zie hierboven). Gelijk aan de raming van de lasten gedekt vanuit deze specifieke 
uitkeringen is de raming voor de inkomsten voor hetzelfde bedrag lager in 2027.