Meer
Publicatiedatum: 26-07-2019

Inhoud

Programma onderdelen

8. Een gezonde financiële positie

Inleiding

We starten deze bestuursperiode met een gezonde financiële positie. Er is circa € 225 miljoen vrije begrotingsruimte beschikbaar voor nieuwe ambities, rekening houdend met indexering van de meerjarenraming en een prudente raming van het accres Provinciefonds. Tevens beschikken we over reserves om reeds vastgesteld beleid de komende jaren ook te kunnen realiseren. Tegelijkertijd zien we dat de financiële ruimte voor nieuwe ambities substantieel kleiner is dan de afgelopen bestuursperiodes, terwijl onze ambitie zeker niet minder is.

Flexibele inzet van middelen voor een effectief doelbereik

Ons streven is om met de beschikbare middelen en met behoud van een structureel gezonde financiële positie zoveel mogelijk van onze ambities te realiseren. Wij zien hiertoe mogelijkheden door de verbinding en synergie te zoeken tussen onze portefeuilles en tussen de beleidsprogramma’s. Onder meer door ‘werk met werk’ te maken. Niet het middel of het instrument staat voorop, maar het doel dat we willen bereiken. We willen steeds meer toe naar de financiering van integrale projecten uit verschillende beleidsprogramma’s, gerelateerd aan een zo effectief mogelijk doelbereik. Om een dergelijke werkwijze te ondersteunen, werken we aan een beter overzicht in de opbouw van en speelruimte binnen de financiële middelen per beleidsonderdeel. Ook kiezen we per 2020 voor een nieuwe indeling en compactere opbouw van de begrotingsprogramma’s om de integraliteit van onze opgaven te bevorderen. Dit ondersteunt ook het gesprek tussen Provinciale Staten en Gedeputeerde Staten.

Deze gezonde financiële positie blijkt uit een meerjarenbegroting die ook aan het eind van deze bestuursperiode structureel in evenwicht is, waarbij de structurele inkomsten groter zijn dan de structurele uitgaven en waarin de omvang van de immunisatieportefeuille ‘intact’ is.

Spelregels

Om dit te borgen hanteren we met elkaar, Gedeputeerde Staten, Provinciale Staten en ambtelijke organisatie, de volgende spelregels:

  • Bij afweging voor nieuw geld hanteren we de ‘financiële afwegingsladder’.
    Voordat een beroep wordt gedaan op de vrije begrotingsruimte, kijken we eerst naar de mogelijkheden om een nieuw initiatief te financieren uit bijdragen van derden, de immunisatieportefeuille, het Ontwikkelbedrijf, de investeringsagenda en/of bestaand beleid en bestaande middelen (‘oud-voor-nieuw’);
  • We hanteren de principes van ‘eerst beleid, dan geld’ en van ‘reëel ramen’.
    We werken eerst beleid zoveel mogelijk uit, voordat we daar de middelen aan koppelen en het in de begroting ramen. Een specifieke invulling van de begroting in termen van ‘wat we gaan doen’ kan derhalve op basis van uitgewerkte plannen ook gedurende het jaar plaatsvinden (adaptieve invulling);
  • We zetten in op een verbrede inzet van de immunisatieportefeuille voor maatschappelijke doeleinden, maar wel binnen de huidige randvoorwaarden. Dat wil zeggen nul procent risico en een rendement dat groter is dan dat bij de schatkist van het Rijk. Het belang van het in stand houden van het kapitaal en het generen van toekomstig rendement uit de immunisatieportefeuille is hierbij randvoorwaarde;
  • We verdelen niet alle vrije begrotingsruimte bij voorbaat, maar we houden een buffer aan voor nieuwe kansen en ontwikkelingen en voor integrale afwegingen voor volgende jaren;
  • Als instrument naast de reguliere integrale afweging van beleidsvoorstellen ontwikkelen we de Meerjarige Integrale Projecten Planning (het MIPP) verder door. Daarbij beperken we de inzet tot majeure, integrale projecten met een programma-overstijgende meerwaarde, die op het moment dat daarover besloten wordt daadwerkelijk klaar staan voor uitvoering.

Financieel perspectief

We hebben in dit bestuursakkoord slechts een beperkt deel van de beschikbare middelen toegedeeld. Het bestuursakkoord functioneert als een ‘perspectiefnota’ en is daarmee opdrachtgevend aan de eerstvolgende begroting waar we de financiële consequenties op evenwichtige wijze gaan verwerken. We hebben er daarom bewust voor gekozen om op dit moment alleen middelen toe te kennen aan die onderwerpen:

  • waar nu middelen nodig zijn vanwege een actualiteit, vanwege lopende afspraken of om geen gat te laten vallen in de uitvoering van bestaand beleid. Het betreft:
    • Toezicht/handhaving landbouw met oog op de verwachte piek van vergunningaanvragen (2019/2020);
    • Verstedelijking (2020);
    • Sport (2020);
    • Landbouw (2020);
    • Taskforce Brabant-Zeeland (2020);
    • Uitbreiding van het College van Gedeputeerde Staten (2019-2023);
    • Philharmonie zuidnederland (€1,5 miljoen voor 2021);
    • Uitvoering van wettelijke taken natuur (structureel);
    • Toevoeging Organisatie Kosten Budget (2020) voor het voortzetten van aflopende tijdelijke capaciteit in afwachting van de uitwerking van de ambities uit dit bestuursakkoord en de inpassing van de uitvoering van tijdelijke taken daarin.
  • waar nu middelen (voorbereidingskosten) nodig zijn voor de uitwerking van onze ambities tot uitvoerbaar beleid (eerst beleid, dan geld). Het betreft:
    • voorbereidingsbudgetten voor gezondheid en veiligheid (2019/2020).

Voor onze ambities werken wij zo spoedig mogelijk beleid uit. Daarbij kijken wij met toepassing van de financiële afwegingsladder niet alleen naar de omvang van de kosten die aan deze plannen verbonden zijn, maar ook naar de mogelijkheden om die (deels) te dekken uit bestaande middelen en reserves. Daarbij geldt dat de inhoud van het beleid leidend is en niet de hoogte van de reserves. Ook kijken we naar de mogelijkheden van synergie met andere beleidsterreinen om zo het beroep op vrije begrotingsruimte zoveel mogelijk te kunnen beperken. Een aanpassing van de motorrijtuigenbelasting is daarbij niet uitgesloten. De consequenties van de verdere uitwerking verwerken wij in de Bestuursrapportage 2019.

Voorstellen om een beroep te doen op vrije begrotingsruimte zullen wij zoveel mogelijk op de integrale afweegmomenten en wellicht via een integrale begrotingswijziging in hun onderlinge samenhang aan Provinciale Staten voorleggen.